beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.154.053/01 GDW nummer eerste aanleg : 489.2014 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 2 december 2014 inzake [appellant], gerechtsdeurwaarder te[plaats], appellant, gemachtigde: mr. A.H. Wijnberg, advocaat te Groningen. 1Het geding in hoger beroep 1.1. Appellant (hierna: de gerechtsdeurwaarder) heeft op 13 augustus 2014 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 15 juli 2014 (ECLI:NL:TGDKG:2014:113). Bij die beslissing heeft de kamer op de voet van artikel 38 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) de gerechtsdeurwaarder met onmiddellijke ingang voor een periode van zes maanden geschorst in de uitoefening van zijn ambt, zulks in afwachting van de beslissing op de door het Bureau Financieel Toezicht (hierna: het BFT) op 2 juli 2014 en 4 juli 2014 bij de kamer ingediende klachten. 1.2. De gerechtsdeurwaarder heeft op 17 oktober 2014 een aanvullend beroepschrift bij het hof ingediend. 1.3. Het BFT heeft op 6 november 2014 een verweerschrift bij het hof ingediend. 1.4. De zaak is behandeld tezamen met de (hoofd)zaak met nummer 200.156.241/01 ter openbare terechtzitting van het hof van 13 november 2014. De gerechtsdeurwaarder, vergezeld van zijn gemachtigde, is verschenen. Eveneens waren op de zitting aanwezig mr. A.T.A. Tilleman en drs. H. Mannessen namens het BFT. Allen hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder en mr. Tilleman aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. 2De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3De feiten 3.1. Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. 3.2. Samengevat weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. 3.2.1. In de periode van 7 april 2014 tot 30 april 2014 heeft het BFT onderzoek verricht naar de kantoorboekhouding van de gerechtsdeurwaarder en de door hem aangehouden derdengeldrekening. Op 8 april 2014 is volgens het BFT vastgesteld dat op 31 maart 2014 een bewaringstekort van € 370.582,00 bestond. Dit tekort werd zichtbaar toen op verzoek van het BFT een kwaliteitsoverzicht volgens de zogenaamde “BLOS-regelgeving” werd uitgedraaid. Verder is het BFT gebleken van een negatieve liquiditeits- en solvabiliteitspositie bij het gerechtsdeurwaarderskantoor per genoemde datum. Van dit onderzoek heeft het BFT op 18 juni 2014 een tussenrapport opgesteld en aan de gerechtsdeurwaarder gezonden. 3.2.2. Het BFT heeft op 11 juni 2014 en 12 juni 2014 en op 1 juli 2014 vervolgonderzoeken verricht. Het BFT heeft geconstateerd dat de gerechtsdeurwaarder de bewaarpositie van zijn kantoor met een bedrag van € 175.000,00 heeft geflatteerd door in dossiers bewust onjuiste (te hoge) bedragen aan door derden aan hem verschuldigde kosten op te nemen. 3.2.3. Ondanks aanzegging hiertoe door het BFT waren de bewaringspositie en de liquiditeits- en solvabiliteitspositie op 1 juli 2014 niet in orde. Het bewaringstekort was op dat moment opgelopen tot € 393.452,00. 3.2.4. Verder heeft het BFT - kort gezegd - vastgesteld dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.