GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 13/00598 4 december 2014 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z], belanghebbende, tegen de uitspraak met kenmerk AWB 13/756 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank), in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 maart 2012 de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1]te [P] (hierna: de woning) naar de waardepeildatum 1 januari 2011 en de staat op 1 januari 2012, vastgesteld op € 573.000, bij een op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) genomen beschikking voor het jaar 2012. Voorts heeft hij voor dat jaar een aanslag in de onroerendezaakbelastingen opgelegd (de aanslag). 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 19 december 2012 de beschikking en de aanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 30 augustus 2013 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het hogerberoepschrift is op 4 oktober 2013 ter griffie van het gerechtshof ontvangen. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Op 14 oktober 2014 is van de heffingsambtenaar een nader stuk ingekomen waarvan belanghebbende een afschrift heeft ontvangen. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak, waarin belanghebbende als eiser wordt aangeduid en de heffingsambtenaar als verweerder, de volgende feiten opgenomen: “2.1. Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. 2.2. De woning is een vrijstaande woning met berging. De inhoud van de woning is ongeveer 826 m³ en de oppervlakte van het perceel is 425 m². De woning betreft een nieuwbouwwoning.” 2.2. Nu partijen in hoger beroep geen grieven tegen deze feitenvaststelling hebben ingebracht, zal ook het Hof van die feiten uitgaan. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast. 2.3.1. De akte van levering van de grond waarop de woning is gebouwd is opgemaakt in februari 2011. In die akte wordt verwezen naar de begin december 2010 gesloten koop- en verkoopovereenkomst ter zake van dit perceel, bestemd voor woningbouw. De woning is in september 2011 opgeleverd. 2.3.2. De stichtingskosten van de woning, inclusief de grondprijs ad € 226.495, meer- en minderwerk, sanitair en keuken, belopen volgens een in het hogerberoepschrift onder bijvoeging van facturen opgenomen specificatie in totaal € 530.178,67. 2.3.3. De heffingsambtenaar heeft een ‘waarde-opbouw’ in het geding gebracht, waarin wordt verwezen naar de verkoopcijfers van de hierna te noemen vrijstaande woningen in [P]. adres bouwjaar m² inhoud m³ verkoop d.d. verkoop € [b-straat 1] 2009 494 623 april 2012 590.000 [c-straat 1] 2006 347 714 jan. 2011 525.000 [d-straat 1] 2006 444 677 aug. 2011 535.000 [e-straat 1] 2011 375 775 apr. 2011 520.000 waardepeil-datum vastgestelde waarde € [a-straat 1] 2011 425 826 1 jan. 2011 € 573.000 3Geschil Evenals bij de rechtbank is in geschil of de vastgestelde waarde van de woning overeenkomt met, dan wel niet hoger is dan, de ingevolge artikel 17, lid 2, van de Wet bepaalde waarde. 4Beoordeling van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 17 lid 2 van de Wet dient de waarde te worden bepaald op - voor zover thans van belang - de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed. Het is aan de heffingsambtenaar te bewijzen dat de vastgestelde waarde in overeenstemming is met, dan wel niet hoger is dan, deze waarde op de waardepeildatum 1 januari 2011. 4.2. De rechtbank heeft hieromtrent in haar uitspraak het volgende overwogen: “4.2. De rechtbank laat het in de taxatieopbouw genoemde vergelijkingsobject [b-straat 1] buiten beschouwing, omdat deze te ver na de waardepeildatum is verkocht. Met de overige in de taxatieopbouw vermelde vergelijkingsobjecten, [c-straat 1], [d-straat 1] en [e-straat 1], heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de voor de woning op de waardepeildatum vastgestelde waarde van € 573.000 niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Deze vergelijkingsobjecten zijn rond de waardepeildatum verkocht, hebben vergelijkbare afmetingen, zijn van hetzelfde type en zijn gelegen in de nabijheid van de woning. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning. Weliswaar vertonen de vergelijkingsobjecten verschillen met de woning, maar verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat met deze verschillen, met name de grootte, voldoende rekening is gehouden. De gerealiseerde verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten ondersteunen dan ook de door verweerder voorgestane waarde. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergelijkingsobjecten [c-laan 1] [Hof: bedoeld zal zijn [c-straat 1]] en [d-straat 1] niet vergelijkbaar zijn met de woning. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De woning aan de [c-weg 1][[Hof: bedoeld zal zijn [c-straat 1]] heeft alleen een iets andere - minder exclusieve – bouwstijl, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, maar vormt voor het overige een prima onderbouwing van de waarde van de woning. [d-straat 1] heeft weliswaar iets minder inhoud, maar dit is dan ook verdisconteerd in een hogere m³-prijs dan die van de woning. 4.3. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat voor de bepaling van de waarde in het economische verkeer van de woning moet worden uitgegaan van € 515.046, zijnde de door eiser rond de waardepeildatum betaalde prijs voor de grond, opstal (inclusief meerwerk), keuken en sanitair, overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft ter onderbouwing van deze prijs een factuur overgelegd van de notaris in verband met de aankoop van de grond, (€ 226.495) en een – eerste - factuur van het bouwbedrijf in verband met de bouw van de woning (€ 218.066). Uit deze laatste factuur valt echter niet op te maken hoeveel meerwerk er na die eerste factuur nog aan de woning heeft plaatsgevonden. Een door eiser overgelegde berekening, die kennelijk ziet op betaaltermijnen, vormt daartoe onvoldoende bewijs. Voorts ontbreekt een specificatie van de kosten die zijn gemoeid met de aanleg van keuken en sanitair. Ook heeft eiser geen inzicht verschaft omtrent – al dan niet gemaakte - andere bij de oplevering van een woning gebruikelijke kosten, zoals de aanleg van een tuin, schilderwerk en dergelijke. Een en ander leidt tot de slotsom dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten met de aankoop van de woning gemoeid waren, zich beperkten tot het bedrag van € 515.046, zodat niet van dit bedrag uitgegaan kan worden voor de WOZ-waarde van de woning. 4.4. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog is vastgesteld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.” 4.3. Het Hof komt tot een andere beoordeling dan de rechtbank en overweegt daartoe als volgt. 4.4. De heffingsambtenaar heeft de door hem voorgestane waarde onderbouwd met de door hem in het geding gebrachte waarde-opbouw, waarin – naar ter zitting door de taxateur is bevestigd - de waarde van de woning is bepaald op basis van een modelmatige vergelijking. Belanghebbende heeft de uitkomst van die modelmatige vergelijking gemotiveerd betwist. Daartoe heeft hij onder meer gewezen op het grote onverklaarde verschil tussen die modelmatig bepaalde waarde en de stichtingskosten van de woning. Tegenover dat verweer, en mede in aanmerking genomen dat de stichtingskosten zijn voortgevloeid uit dichtbij de waardepeildatum gesloten overeenkomsten, behoefde de modelmatige waardebepaling naar ’s Hofs oordeel nadere motivering. In een geval waarin een belastingplichtige een woning kort voor (of
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.