beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.142.807/01 NOT nummer eerste aanleg : AL/2013/66 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 16 december 2014 inzake [naam], wonend te [plaats], gemeente [gemeente], appellant, gemachtigde: mr. P. Winkelman, advocaat te Tiel, tegen [naam], notaris te [plaats], geïntimeerde, gemachtigde: mr. M.M. Olthoff-Worst, advocaat te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep 1.1. Appellant (hierna: klager) heeft op 3 maart 2014 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 10 februari 2014. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) op drie onderdelen ongegrond verklaard en klager voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht. 1.2. De notaris heeft een verweerschrift bij het hof ingediend. 1.3. Bij brief van 2 oktober 2014 heeft klager nadere stukken ingediend en toegelicht. 1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 16 oktober 2014. Klager en de notaris, vergezeld van hun gemachtigden, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. 2De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3De feiten 3.1. Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. 3.2. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. Op 26 juni 2009 is[naam] (hierna: erflaatster) overleden. Klager is een van de 23 erfgenamen van erflaatster. Klager heeft mr. [naam], notaris gevestigd te Tiel, opdracht gegeven om de nalatenschap af te wikkelen, waarbij is afgesproken dat klager de praktische zaken zou regelen. Klager heeft onder meer de woning van erflaatster leeggeruimd. De afwikkeling van de nalatenschap is daarna stil komen te liggen. Op verzoek van de erfgenamen, met uitzondering van klager, heeft de notaris medio 2010 de taak van boedelnotaris op zich genomen. Een van de erfgenamen, [X] (hierna: [X]), heeft in juli 2010 het advocatenkantoor SBM Advocaten te Houten (hierna: SBM) ingeschakeld om afgifte van boedelbescheiden door klager aan het kantoor van de notaris te bewerkstelligen. SBM heeft de facturen voor de verrichte werkzaamheden gericht aan de echtgenoot van [X] en op naam van diens bedrijf gesteld. SBM verleende ook juridische diensten aan het bedrijf van de echtgenoot van [X]. De notaris heeft de door [X] betaalde facturen van SBM in de eindafrekening van 29 juli 2011 opgenomen. Hiertegen heeft klager bezwaar gemaakt. 3.3. Klager heeft in 2011 een tuchtprocedure tegen de notaris gevoerd. De kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Utrecht heeft bij beslissing van 1 november 2011 klager op één onderdeel van zijn klacht tegen de notaris niet-ontvankelijk verklaard en die klacht op drie onderdelen ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is geen hoger beroep ingesteld. 4Het standpunt van klager Klager verwijt de notaris het volgende. i De notaris heeft ten onrechte de facturen van SBM in de eindafrekening van 29 juli 2011 opgenomen. ii De notaris heeft verzuimd te reageren op de herhaaldelijke verzoeken van klager om informatie. iii De notaris heeft ten onrechte zijn aan de klachtprocedures bestede uren gedeclareerd. iv Oplichting: a de notaris heeft boedelbestanddelen weggeven aan een van de erfgenamen; b de notaris weigert om de door klager gemaakte kosten voor het leegruimen van de woning van erflaatster in de eindafrekening op te nemen. v Het op onwettige wijze uitvoeren van de binnen het notariaat geldende regels: a de notaris heeft geen aparte rekening op naam van de erfgenamen aangehouden; b de notaris heeft zich partijdig opgesteld; c de notaris heeft in april 2010 onjuiste informatie over klager gegeven aan enkele erfgenamen; d de notaris heeft door het accepteren van de facturen van SBM meegewerkt aan btw-fraude. 5Het standpunt van de notaris De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken. 6De beoordeling Ontvankelijkheid Nieuwe klachten 6.1. Klager heeft in hoger beroep nieuwe klachten geformuleerd ten aanzien van (onder meer) de taxatie van de tot de boedel behorende sieraden, de rente over banktegoeden van erflaatster, het ontbreken van restituties door Nuon op de financiële overzichten en fouten bij de verdeling in staken. Op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 4 van de Wet op het notarisambt (Wna) dient het hof een aan hem voorgelegde zaak opnieuw in volle omvang te behandelen. In die procedure is voor de behandeling van in appel nieuw geformuleerde klachten geen plaats. Anders dan klager ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd, kunnen deze punten niet onder de oorspronkelijke klachten worden geschaard. Klager zal daarom in zijn nieuwe klachten niet-ontvankelijk worden verklaard. Het hof zal zich dus beperken tot het beoordelen van de klachten zoals die in eerste aanleg zijn geformuleerd. Vervaltermijn (artikel 99 lid 15 Wna) 6.2. Klager verwijt de notaris in klachtonderdeel v sub c dat hij in april 2010 onjuiste informatie over klager aan enkele erfgenamen heeft gegeven. Op de voet van artikel 99 lid 15 Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot de klacht gerechtigde van het handelen of nalaten dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen. Aangezien de onderhavige klacht op 6 mei 2013 bij de kamer is ingekomen, heeft klager de klacht op dit punt niet tijdig - want buiten de vervaltermijn van drie jaren - heeft ingediend. Klager zal daarom voor wat betreft klachtonderdeel v sub c niet-ontvankelijk worden verklaard. Ne bis in idem 6.3. Naar vaste jurisprudentie van het hof geldt in het tuchtrecht de regel dat na behandeling van een klacht door de tuchtrechter, een latere klacht over “hetzelfde feit” niet nog eens kan worden behandeld. Dit ne bis in idem-beginsel leidt ertoe, dat als kan worden gesproken van “hetzelfde feit”, de beoordeling van de eerdere klacht aan een nieuwe tuchtrechtelijke beoordeling van hetzelfde handelen van de notaris in de weg staat. Het hof is van oordeel dat op de klachtonderdelen die zien op het weggeven van boedelbestanddelen aan een van de erfgenamen (iv sub a), de weigering om de door klager gemaakte kosten voor het leegruimen van de woning van erflaatster in de eindafrekening op te nemen (iv sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.