GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.086.891/02 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 1049192 DX EXPL 09-278 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2014 inzake 1 [appellant 1], wonend te[woonplaats], 2. [appellante 2], woonplaats kiezend te [woonplaats], appellanten, advocaat: mr. L.C.M. Jurgens te Amsterdam, tegen de vennootschap naar buitenlands recht VARDE INVESTMENTS (IRELAND) LIMITED, gevestigd te Dublin, Ierland, geïntimeerde, advocaat: mr. P.C.M. Ouwens te Spijkenisse. 1Het verdere procesverloop Partijen worden hierna [appellante 2] en Varde genoemd. In deze zaak heeft het hof - nadat de zaak bij arrest van de Hoge Raad van 29 maart 2013 was terugverwezen ter verdere behandeling en beslissing - op 5 november 2013 een tussenarrest uitgesproken, waarbij het hof [appellanten] alsnog ontvankelijk heeft verklaard in hun hoger beroep. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest. Vervolgens hebben partijen de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met producties; - een akte van [appellanten] en - een akte van Varde. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het vonnis van 15 december 2010 zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van Varde alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Varde tot terugbetaling van al hetgeen [appellant 1] op grond van het bestreden vonnis zal hebben betaald, te vermeerderen met rente en met veroordeling van Varde in de kosten van beide instanties, eveneens te vermeerderen met rente. Varde heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten 2.1 De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.6, de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Met uitzondering van hetgeen onder 1.3 is vermeld, zijn de feiten niet in geschil, in zoverre dienen zij derhalve ook het hof als uitgangspunt. 2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna ook: Dexia). 2.3 [appellant 1] heeft in november 2000 en in februari 2001 een effectenleaseovereenkomst met de naam WinstVerDriedubbelaar gesloten met Dexia (hierna: de overeenkomsten). De overeenkomsten hebben een looptijd van 3 jaar. 2.4 Op grond van de overeenkomsten heeft [appellant 1] bedragen van Dexia geleend. Met die bedragen zijn effecten aangekocht die [appellant 1] van Dexia heeft geleast. Over de geleende bedragen was [appellant 1] rente verschuldigd. 2.5 Bij het einde van de overeenkomsten was volgens Dexia de opbrengst van voormelde aandelen onvoldoende om daarmee de contractueel nog openstaande schuld van [appellant 1] aan Dexia geheel af te lossen. Varde stelt zich op het standpunt dat er aldus een restschuld is ontstaan die nog door [appellant 1] aan Dexia diende te worden voldaan. 2.6 Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 eerste lid BW de door Dexia en enige belangenorganisaties op 8 mei 2006 gesloten overeenkomst algemeen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden bedoeld in artikel 2 van die overeenkomst. Deze (WCAM) overeenkomst bevat een regeling met betrekking tot afwikkeling van de schade geleden door personen die in het verleden met Dexia een of meer effectenleaseovereenkomsten hebben gesloten (de zogenoemde Duisenbergregeling). 2.7 [appellant 1] heeft niet tijdig, vóór 1 augustus 2007, een opt-outverklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 BW uitgebracht. 2.8 Varde heeft aan [appellant 1] meegedeeld dat Dexia de vordering die inzet is van het onderhavige geding heeft gecedeerd aan Varde. 3Verdere beoordeling na verwijzing 3.1 Grief I strekt ten betoge dat artikel 6 en/of artikel 13 EVRM, althans artikel 1 van het eerste Protocol EVRM en de artikelen 93 en 94 van de Grondwet aan de gebondenheid van [appellant 1] en zijn echtgenote aan de WCAM-overeenkomst in de weg staat. Dienaangaande geldt het volgende. 3.2 Het hof heeft in zijn beschikking van 25 januari 2007 onder 5.8 overwogen, dat blijkens de geschiedenis van de wettelijke regeling inzake massaschade de wetgever, mede naar aanleiding van het advies van de Raad van State, enkele wijzigingen in de aanvankelijk voorgestelde tekst van de bepalingen heeft aangebracht, de toelichting heeft uitgebreid en verdere punten in schriftelijke stukken en bij de mondelinge behandeling in beide kamers van de Staten Generaal heeft besproken. In het licht hiervan is (ook) het hof van oordeel dat in de wettelijke regeling inzake massaschade, die in de artikelen 7:709 e.v. BW en 1013 e.v. Rv is neergelegd, het recht van de individuele belegger dat hij door de rechter wordt gehoord bij de vaststelling van zijn rechten en verplichtingen in toereikende mate is gerespecteerd en dat diens belangen in toereikende mate zijn gewaarborgd, hetgeen in het bijzonder geldt ten aanzien van de wettelijke regels ten aanzien van de gevolgen van de verbindendverklaring en de uitstapmogelijkheid. Het hof concludeert vervolgens dat zich geen inbreuk op artikel 6 EVRM voordoet. Dat in het onderhavige geval daarvan wel sprake is, is in het licht van hetgeen het hof daarover in de beschikking van 25 januari 2007 heeft overwogen en beslist, onvoldoende gesteld of gebleken. Nu aan de Duisenbergregeling overeenkomstig de in de voornoemde beschikking van het hof voorgeschreven wijze bekendheid is gegeven, gaat het hof voorbij aan het betoog van [appellanten] dat zij niet bekend waren met de Duisenbergregeling omdat de correspondentie van Dexia en Varde is verzonden naar een van hun oude adressen. Het beroep van [appellanten] op artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM gaat niet op, bij gebreke van een onderbouwing waarom de Duisenbergregeling voor hen een ontoelaatbare onteigening in de zin van dat artikel tot gevolg heeft. Om dezelfde reden faalt het beroep van [appellanten] op artikel 13 EVRM en de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, nu [appellanten] ook wat die bepalingen betreft niet onderbouwen in welk opzicht de Duisenbergregeling daarop een ontlaatbare inbreuk maakt. 3.3 Met grief II voeren [appellanten]aan dat Dexia nimmer op naam van [appellant 1] aandelen heeft gekocht, deze onafgebroken heeft behouden en weer heeft verkocht, zodat de eindafrekeningen aldus een “valse inhoud” hebben, de effectenlease “één grote beleggingszwendel is (geweest)” en geen sprake kan zijn van een “onvoldoende opbrengst om de schuld aan Dexia te voldoen” en van een “restschuld”. De vorderingen van Varde dienen om deze redenen volgens [appellanten] integraal te worden afgewezen. 3.4 Ter toelichting op deze stellingen hebben [appellanten] aangevoerd dat Dexia ten behoeve van leaseproducten als de onderhavige in het geheel geen dan wel slechts in beperkte mate aandelen heeft aangekocht doch (mogelijk behoudens wat de eerste tranche betreft) heeft volstaan met het aanschaffen van meerjarige OTC (call)opties teneinde te kunnen voldoen aan eventuele aan het einde van de looptijd van de leaseovereenkomsten ontstane onvoorwaardelijke leveringsverplichtingen met betrekking tot daarin genoemde aandelen. Zij stellen zich in dit verband op het standpunt dat van het door de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) op 9 november 2006 in het kader van de WCAM-procedure aan dit hof uitgebrachte rapport niet kan worden uitgegaan. De AFM heeft Labouchere Custody N.V. en haar rechtsopvolgster Kempen Custody Services N.V. niet betrokken in het onderzoek. Labouchere Custody N.V. is op 24 december 2001 opgehouden te bestaan wegens de fusie met Kempen Custody Services N.V. Sedert 14 april 2003 is Kempen & Co N.V. de enige aandeelhoudster van Kempen Custody Services N.V. De meest belangrijke administraties in de zin van artikel 17 Wet giraal effectenverkeer (Wge) bevinden zich dus sinds 2003 buiten de Dexia-Groep en zijn nimmer onderwerp van onderzoek geweest door de AFM, aldus [appellanten]. 3.5 Het hof stelt voorop dat de WCAM-overeenkomst een algemeen verbindend verklaarde regeling is die met zich brengt dat [appellanten] als gerechtigden als hoofdregel aan die overeenkomst zijn gebonden, ook indien zij omtrent de leaseovereenkomsten een verkeerde voorstelling van zaken hadden. 3.6 De verwijten aan het adres van Dexia die [appellanten] aan hun verweer ten grondslag leggen (kort samengevat: Dexia heeft niet op de in de leaseovereenkomsten voorziene wijze ten behoeve van [appellant 1] aandelen aangekocht en behouden, de restschuld is als gevolg daarvan slechts fictief) zijn onderwerp geweest van een door AFM onder leiding van een door dit hof daartoe aangewezen raadsheer-commissaris verricht (deskundigen)onderzoek. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen zogenoemde certificaatproducten waarbij aan de hand van de waardeschommeling van effecten werd afgerekend zonder dat Dexia de verplichting op zich had genomen om ten behoeve van haar cliënten aandelen te verwerven en te behouden en de zogenoemde aflossings- en restschuldproducten (tot welke laatste categorie de onderhavige leaseovereenkomsten behoren) waar die verplichting wel bestond. 3.7 De vraag of Dexia in de periode waarop het onderzoek zich heeft toegespitst (in verband met de beschikbare gegevens met name december 2000 tot en met december 2005) de benodigde aandelen heeft verworven en behouden om aan haar verplichtingen uit hoofde van bestaande leasecontracten als de onderhavige te kunnen voldoen is door AFM in positieve zin beantwoord. Dat Dexia de benodigde aandelen heeft verworven heeft AFM afgeleid uit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.