← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2014:552

beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.123.187/01 nummer eerste aanleg : 09/2012 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 25 februari 2014 inzake [notaris] notaris te [vestigingsplaats], appellant, tegen: Bureau Financieel Toezicht (BFT), gevestigd te Utrecht, geïntimeerde, gemachtigde: mr. A.T.A. Tilleman. 1Het geding in hoger beroep 1.

  1. Van de zijde van appellant (hierna: de notaris), is bij een op 7 maart 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de (aan deze beslissing gehechte) beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Zutphen (hierna: de kamer), van 14 februari 2013, waarbij de klacht van geïntimeerde (hierna: BFT) tegen de notaris gegrond is verklaard en aan hem de maatregel van berisping is opgelegd. 1.
  2. Van de zijde van BFT is op 24 april 2013 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen. 1.
  3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 19 december
  4. De notaris en BFT zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. 2De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3De feiten 3.
  5. Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. 3.
  6. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. De bewaringspositie van de notaris is negatief geweest in de periode van januari 2012 tot 13 juni 2012 doordat de notaris gelden van de kwaliteitsrekening heeft overgeboekt naar de kantoorrekening om kantoorkosten te betalen. Het bewaringstekort bedroeg € 13.976 op 31 januari 2012 en liep op tot € 53.064 per 15 mei
  7. 4Het standpunt van BFT BFT verwijt de notaris dat hij het bewaringstekort heeft laten ontstaan en niet terstond heeft aangevuld. 5Het standpunt van de notaris De notaris heeft het bewaringstekort erkend, maar gewezen op volgens hem disculperende omstandigheden, te weten, kort gezegd, dat zijn huisbankier toezeggingen voor kredietverlening niet nakwam en hij een toereikend privé-vermogen had. Verder heeft de notaris formele bezwaren tegen de klacht en de kamer naar voren gebracht. 6De beoordeling De formele bezwaren 6.
  8. Volgens de notaris is de klacht in strijd met artikel 110 lid 6 (bedoeld zal zijn: lid 5) Wet op het notarisambt (Wna) niet ondertekend door de voorzitter van het bestuur van BFT. Dit bezwaar faalt omdat de klacht krachtens mandaat is ondertekend door een van de directeuren van BFT. Het mandaat steunt op het Mandaatbesluit 2012 Bureau Financieel Toezicht van 16 mei 2012 (Staatscourant 2012 nr. 10339 van 30 mei 2012). 6.
  9. Volgens de notaris is geen sprake geweest van een onafhankelijk onderzoek omdat het onderzoek feitelijk is verricht namens de kamer, en de plaatsvervangend voorzitter van de kamer een nevenfunctie heeft bij BFT. Ook dit bezwaar treft geen doel. Het onderzoek is zelfstandig uitgevoerd door BFT en bedoelde plaatsvervangend voorzitter is niet betrokken geweest bij dat onderzoek en evenmin bij de behandeling van de klacht door de kamer. 6.
  10. De notaris meent dat de kamer op 1 januari 2013 heeft opgehouden te bestaan als gevolg van een wijziging van de gerechtelijke indeling van Nederland, zodat de uitspraak is gegeven door een niet-bestaande kamer. Dit standpunt is onjuist. Ingevolge artikel VII lid 1 van de Wet van 29 september 2011 tot wijziging van de Wet op het notarisambt zijn de Kamers van Toezicht tot 1 april 2013 bevoegd gebleven om de nog aanhangige zaken af te doen. Tot de aanhangige zaken van de kamer behoorde ook de onderhavige zaak. De gestelde disculperende omstandigheden 6.
  11. Het bewaringstekort is in strijd met de verplichtingen van de notaris die voortvloeien uit het bepaalde in de artikelen 23 en 25 Wna, artikel 13 van de Verordening Beroeps- en gedragsregels 2011, artikel 2 van de Administratieverordening en artikel 3 van het Reglement verslagstaten
  12. De financiële omstandigheden van de notaris vormen in geen enkel opzicht een rechtvaardiging of verontschuldiging voor het gebruik van hem toevertrouwde gelden van derden ten eigen bate. De klacht is gegrond. De maatregel 6.
  13. Het gebruik van gelden van derden ten eigen bate levert een ernstig verwijt op. Daarbij komt dat het bewaringstekort niet onverwijld is opgeheven, maar bijna een half jaar heeft bestaan. Bovendien heeft de notaris niet ervan blijk gegeven dat hij zich voldoende bewust is van het laakbare karakter van zijn handelwijze, door met volharding te wijzen op volgens hem disculperende omstandigheden. Dat rechtvaardigt de door de kamer opgelegde maatregel van berisping. De notaris dient te beseffen dat een zwaardere maatregel in de rede ligt indien hij opnieuw gelden van derden ten eigen bate gebruikt. Slot 6.
  14. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan onbesproken blijven omdat het niet kan leiden tot een andere beslissing. 7De beslissing Het hof: - bekrachtigt de bestreden beslissing. Deze beslissing is gegeven door mrs. W.J.J. Los, A.D.R.M. Boumans en A.R. Sturhoofd en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 25 februari 2014 door de rolraadsheer.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.