GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1 zaaknummer : 200.124.150/01 zaak- en rol nummer rechtbank : 473702 / HA ZA 10-3447 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 december 2014 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats], Zwitserland, appellant, advocaat: mr. M.J. Meermans-de Vries te Amsterdam, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ALL-IN FINANCE B.V., gevestigd te Schiphol, geïntimeerde, advocaat: mr. J. Hagers te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en All-in Finance genoemd. All-in Finance is bij dagvaarding van 20 februari 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2012, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen haar als eiseres en onder meer [appellant] als gedaagde. De zaak is vervolgens bij vervroeging aangebracht krachtens een exploot van 18 maart 2013. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven; - memorie van antwoord, met producties; - akte uitlating producties; - antwoordakte. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van All-in Finance zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten. All-in Finance heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis bekrachtigt, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met rente. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De rechtbank heeft in een tussenvonnis van 7 maart 2012 onder 2.1 tot en met 2.9 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. 3Beoordeling 3.1 All-in Finance heeft in eerste aanleg gevorderd (naast haar vorderingen jegens twee mede-gedaagden) hoofdelijke veroordeling van [appellant] tot betaling van € 260.000,-- te vermeerderen met rente en kosten. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op. 3.2 Met de grieven 1 en 2 richt [appellant] zich tegen de verschillende schakels in het oordeel van de rechtbank dat hij geen toestemming nodig had van zijn echtgenote om zich in de leningsovereenkomst aansprakelijk te stellen voor het bedrag van de lening, en derhalve dat hij aan zijn aansprakelijkstelling is gebonden. Het hof zal deze twee grieven gezamenlijk behandelen. 3.3 Partijen zijn het, met de rechtbank, erover eens dat de vraag of [appellant] voor zijn aansprakelijkstelling de toestemming van zijn echtgenote behoefde, wordt beheerst door het recht van Zwitserland, nu zijn echtgenote ten tijde van het verrichten van die rechtshandeling aldaar haar gewone verblijfplaats had, zulks op grond van het bepaalde in artikel 3 Wet conflictenrecht huwelijksbetrekkingen (thans vervat in artikel 10:40 BW), welke bepaling luidt: 3. De vraag of de ene echtgenoot voor een rechtshandeling de toestemming van de andere echtgenoot behoeft, en zo ja, in welke vorm deze toestemming moet worden verleend, of zij kan worden vervangen door een beslissing van de rechter of een andere autoriteit, alsmede welke de gevolgen zijn van het ontbreken van deze toestemming, wordt beheerst door het recht van de Staat waar de andere echtgenoot ten tijde van het verrichten van die rechtshandeling zijn gewone verblijfplaats heeft. 3.4 Deze vraag naar welk recht beoordeeld moet worden of [appellant] voor zijn aansprakelijkstelling de toestemming van zijn echtgenote behoefde dient evenwel te worden onderscheiden van de vraag welke recht de betrokken rechtshandeling van [appellant] beheerst. 3.5 Het hof is van oordeel dat de betrokken rechtshandeling beheerst wordt door Nederlands recht. Op grond van artikel 4.2 van het Verdrag van Rome van 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO) - hier van toepassing nu de overeenkomst voor 17 december 2009 is gesloten (art 28 Rome I) - is in beginsel Zwitsers recht van toepassing, vanwege de woonplaats van [appellant] aldaar, maar hier doet zich de uitzondering voor van artikel 4 lid 5 EVO, nu uit het geheel der omstandigheden duidelijk blijkt dat de aansprakelijkstelling van [appellant] nauwer is verbonden met Nederland dan met Zwitserland. De aansprakelijkstelling van [appellant] maakt immers onderdeel uit van de leningsovereenkomst waarin voor Nederlands recht is gekozen, [appellant] is partij bij die overeenkomst en de aansprakelijkstelling is accessoir aan de lening. 3.6 Naar Nederlands recht is een aansprakelijkstelling als de onderhavige aan te merken als een borgtocht. Er is reeds sprake van borgtocht ongeacht of partijen die term of een andere hebben gebezigd als iemand zich verbindt de schuld van een ander te voldoen en hij zich bij de schuldeiser aandient als iemand wie deze schuld zelf niet aangaat (vergelijk de uitspraak van dit hof van 3 april 2012, ECLI:NL:GHAMS: 2012:BW9630). Daarvan is hier sprake omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.