GERECHTSHOF AMSTERDAM zaaknummer : 200.137.580/01 beschikking van de wrakingskamer van 16 januari 2014 inzake het op 21 november 2013 ter raadkamerzitting van de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof mondeling gedane wrakingsverzoek namens [Verzoeker] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], thans verblijvende in [verblijfplaats], verzoeker, raadsman: mr. E.H. van den Pol te Purmerend. 1Het geding Het verzoek tot wraking met bovenvermeld rekestnummer betreft de wraking van mr. P.C. Römer, lid van de meervoudige strafkamer van dit hof. Het is door mr. Van den Pol namens verzoeker op 21 november 2013 mondeling gedaan tijdens de openbare raadkamerzitting in de zaak met rekestnummers 001053-13 en 001054-13 en parketnummer 23-002833-12. Van voornoemde zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat deel uitmaakt van het dossier in deze wrakingszaak. Mr. Römer heeft niet berust in de wraking. Hij heeft op 28 november 2013 een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend. De advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam mr. F.M. van Lenthe heeft op 4 december 2013 een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend. Zij heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld op 19 december 2013 te 16:00 uur. Namens verzoeker is mr. Van den Pol verschenen, die het wrakingsverzoek aan de hand van een door hem aan het hof overgelegde pleitnota nader heeft toegelicht. Tevens is verschenen mr. R.C. Tdlohreg, advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam die ter zitting het woord heeft gevoerd en heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. 2Beoordeling 2.1 Het gaat hier, voor zover relevant, om het volgende. 2.1.1 Bij (onherroepelijk) arrest van 24 april 2013 heeft de meervoudige strafkamer van dit hof, waarin onder meer mr. Römer zitting had, verzoeker (alsnog) vrijgesproken van het hem primair en subsidiair ten laste gelegde, te weten dat hij opzettelijk brand heeft gesticht in zijn woning respectievelijk dat het aan zijn schuld is te wijten dat de brand is ontstaan. 2.1.2 In voornoemd arrest is (onder meer) de volgende overweging ten overvloede opgenomen: “B: Het hof gaat er, gelet op de inhoud van het dossier, wel van uit dat de verdachte erbij aanwezig was toen de brand in zijn woning ontstond. Een technisch verklaarbare brandoorzaak is uitgesloten (getuige-deskundige [getuige-deskundige] ten overstaan van de rechter-commissaris d.d.7 november 2011). De op grond van de uit het opsporingsonderzoek naar voren gekomen feiten en omstandigheden waren voldoende voor een redelijk vermoeden van schuld en deze leverden ten aanzien van de verdachte ook ernstige bezwaren op, die de toepassing van de voorlopige hechtenis rechtvaardigden.” 2.1.3 Verzoeker heeft vanaf 13 september 2011 tot en met 24 april 2013 in inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis verbleven. 2.1.4 Op 3 juni 2013 is namens verzoeker een verzoek tot vergoeding van schade die hij ten gevolge van de voorlopige hechtenis heeft geleden op de voet van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ingediend bij dit hof, alsmede een verzoek tot toekenning van een (proces)kostenvergoeding op de voet van artikel 591a Sv. 2.1.5 De advocaat-generaal heeft op 14 oktober 2013 geadviseerd tot afwijzing van de gevraagde vergoeding op grond van artikel 89 Sv en heeft daartoe het volgende aangevoerd: “Ik meen dat er gronden van billijkheid zijn om de vergoeding niet toe te kennen. Ondanks de gemotiveerde beslissing tot vrijspraak, heeft het Hof in zijn arrest ten overvloede overwogen: “De op grond van de uit het opsporingsonderzoek naar voren gekomen feiten en omstandigheden waren voldoende voor een redelijk vermoeden van schuld en deze leverden ten aanzien van de verdachte ook ernstige bezwaren op, die de toepassing van de voorlopige hechtenis rechtvaardigden”. Deze mening is het Openbaar Ministerie eveneens toegedaan.” 2.1.6 De verzoeken tot schadevergoeding zijn door de meervoudige strafkamer van dit hof, bestaande uit onder meer mr. Römer, behandeld ter openbare raadkamerzitting van 21 november 2013. Het proces-verbaal van die zitting vermeldt het volgende: “Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede, dat het verzoek [van mr. Van den Pol, wrakingskamer] tot het terugtrekken van Mr. Römer niet wordt ingewilligd. De raadsman verklaart, kort en zakelijk weergegeven: Dan rest mij geen andere mogelijkheid dan mr. Römer te wraken. Als reden voor de wraking geef ik op dat de handtekening van mr. Römer onder het arrest met de overweging ten overvloede staat. Deze overweging raakt het onderwerp dat vandaag op tafel ligt. De overweging is niet anders op te vatten dan dat het niet zinvol is om een verzoek op basis van artikel 89 Sv in te dienen. Ook de advocaat-generaal noemt deze overweging in haar conclusie tot afwijzing van de vergoeding.” 2.2 Ter onderbouwing van onderhavig wrakingsverzoek heeft de raadsman namens verzoeker ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek - samengevat - het navolgende aangevoerd. Dat de overweging ten overvloede is opgenomen in het arrest van 24 april 2013 is uitzonderlijk en levert op zichzelf al een zwaarwegende aanwijzing voor (een gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid op. Daarnaast raakt de overweging ten overvloede de kern van de verzoeken op de voet van de artikelen 89 en 591a Sv, waarbij doorgaans de vraag aan de orde komt of en zo ja, in hoeverre de gewezen verdachte de voorlopige hechtenis aan zichzelf te wijten had en/of de voorlopige hechtenis gerechtvaardigd was. Met de overweging ten overvloede, die niet voor de beslissing van het hof noodzakelijk was, heeft het hof - en dus ook mr. Römer - kennelijk willen meedelen dat verzoeker betrokken was bij het ontstaan van de brand, dat de voorlopige hechtenis gerechtvaardigd was en dus dat verzoeker geen recht heeft op (schade)vergoeding. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de advocaat-generaal in haar advies expliciet heeft verwezen naar bedoelde overweging ten overvloede. Mr. Römer heeft dus reeds een standpunt ingenomen ten aanzien van de verzoeken, althans de schijn daarvan gewekt. Het voorschrift van artikel 89 lid 4 Sv, inhoudende dat de raadkamer die op het verzoek beslist zoveel mogelijk is samengesteld uit de leden die op de terechtzitting over de zaak hebben gezeten, doet aan het voorgaande niet af, nu dat voorschrift (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.