GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 12/00416 20 februari 2014 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [A], te [B], belanghebbende, en het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente [C], de heffingsambtenaar. tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk 11/6138 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) met dagtekening 28 februari 2011 de waarde op de waardepeildatum 1 januari 2010 van de onroerende zaak [D te B 1] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2011 vastgesteld op € 435.000 (verder de WOZ-beschikking). In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelasting (eigendom) voor 2011 bekendgemaakt. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2011 de bij de WOZ-beschikking vastgestelde waarde en de aanslag gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 8 mei 2012, eveneens verzonden 8 mei 2012, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de vastgestelde waarde van de woning verminderd tot € 415.000, met nevenbeslissingen omtrent proceskosten en griffierecht. 1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 31 mei 2012. De heffingsambtenaar heeft bij brief, gedagtekend 9 augustus 2012, een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met deze uitspraak wordt meegezonden. 1.5. Het onderzoek ter zitting is geschorst en het vooronderzoek is hervat. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 29 november 2013 nadere inlichtingen verstrekt. De griffier heeft een afschrift van deze brief aan belanghebbende doen toekomen en hem in de gelegenheid gesteld te reageren. Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van 5 januari 2014. Partijen hebben afgezien van een nadere mondelinge behandeling. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1. tot en met 2.3. van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin (evenals in de overige hierna te citeren onderdelen van de uitspraak van de rechtbank) aangeduid als ‘eiser’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’. 2.1. Eiser is eigenaar van de woning. De woning is een appartement met een berging/schuur, twee dakkapellen en een parkeerplaats. De inhoud van de woning is ongeveer 340 m3. 2.2. Verweerder heeft in de beroepsfase een zogenoemde waardeopbouw overgelegd, opgemaakt op 11januari 2012 door[E]. In de waardeopbouw is de woning getaxeerd op € 435.000. Naast de gegevens van de woning bevat de waardeopbouw gegevens van een aantal vergelijkingsobjecten, namelijk [F weg, G weg en H weg te B]. Deze objecten zijn op respectievelijk 22 oktober 2009, 21 september 2009 en 1 maart 2010 verkocht voor respectievelijk € 510.000, € 444.000 en € 450.000. De vergelijkingsobjecten aan de [G en H weg]betreffen nagenoeg identieke appartementen. 2.3. In het rapport is — voor zover van belang — het volgende opgenomen: “(...)De getaxeerde m3 en m2 prijzen van de onderdelen zijn daarnaast gecorrigeerd vanwege de verschillen in grootte. In algemene zin kan gesteld worden dat hoe groter een onderdeel wordt, hoe lager de eenheidswaarde hiervoor is.(...)” 2.2. Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, behoudens voor zover het de inhoud van de woning betreft, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat het Hof overigens van die feiten uit. 2.3. Het Hof voegt hieraan nog de volgende feiten toe, welke het voor de feiten vermeld onder 2.3.1. ontleent aan de in hoger beroep overgelegde stukken en voor de feiten onder 2.3.2. tot en met 2.3.5. aan hetgeen door partijen is geproduceerd tijdens de schriftelijke behandeling in hoger beroep. 2.3.1. De heffingsambtenaar heeft overgelegd een “Staffel kubieke meterprijzen [D en F weg]”. Deze luidt als volgt: Inhoud m3 M3 prijs 200 € 1.866 250 € 1.566 300 € 1.349 340 € 1.218 350 € 1.185 400 € 1.126 450 € 1.079 480 € 1.000 500 € 950 2.3.2. De heffingsambtenaar heeft een herziene matrix overgelegd. Deze geeft het volgende beeld: Samenvatting waardematrix [De te B]) Verkoop 1 Verkoop 2 Verkoop 3 [D te B 2] [F weg 1] [G weg en H weg 1] A15 A25 Soort object Appartement Appartement Appartement Appartement Bouwjaar 1992 1992 2006 2006 Liggingfactor 4 4 4 4 Kavel in m2 n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. Kl/Oh/Dm/Vz/Uit 4/4/3/3/4 4/4/3/3/4 4/4/4/3/4 4/4/4/3/4 Inhoud m3 319 409 328 328 Verschil t.o.v. oude 6,1% (= -/- 21 14,7% (= -/- 71 matrix m3) m3) Prijs per m3 € 1.218 € 1.173 € 1.305 € 1.305 Oppervlakte m2 106 134 Prijs per m2 € 3.907 € 3.582 Waarde hoofdgebouw € 414.120 € 480.000 € 428.040 € 428.040 Parkeerplaats € 14.750 € 14.750 € 17.700 € 17.700 Dakkapel € 1.950 Dakkapel € 1.950 Berging (15 m3) € 2.625 (15 m3) € 2.625 (21 m3) € 3.360 (21 m3) € 3.360 Verkoopdatum 22-10-2009 21-9-2009 1-3-2010 Verkoopprijs € 510.000 € 444.000 € 450.000 WOZ-waarde € 435.000 € 497.000 € 449.000 € 449.000 2.3.3. De heffingsambtenaar heeft de waarde van belanghebbendes woning – in een ‘verbeterde matrix’ die bij de conclusie van dupliek als bijlage was gevoegd - als volgt gespecificeerd: Waardeopbouw object in geding Type object: Appartement Bouwjaar: 1992 Ligging: 4 Hoofdgebouw: Grootte Kl Oh Dm Vz Uit Prijs m2/rn3 Waarde Kenmerken: gemeten inhoud 319 m3 4 4 3 3 4 € 1.298 €414.120 106 m2 € 3.907 Bijgebouwen: Parkeerplaats 1 St € 14.750 Berging/schuur niet verfijnen 15 m3 € 2.625 Dakkapel 1 St € 1.950 Dakkapel 1 St € 1.950 Perceel: Kavel: WOZ-waarde: €435.000 […] Inhoud opstal: 6,1% afwijking t.o.v. foutieve inhoud, zijnde 21 m3 verschil. 2.3.4. De heffingsambtenaar heeft de waarde van [F weg te B] – in een ‘verbeterde matrix’ die bij de conclusie van dupliek als bijlage was gevoegd - als volgt gespecificeerd: Type object: Appartement Bouwjaar: 1992 Ligging: 4 Hoofdgebouw: Grootte Kl Oh Dm Vz Uit Prijs m2/rn3 Waarde Kenmerken: gemeten inhoud 409 m3 4 4 3 3 4 € 1.173 €480.000 134 m2 € 3.582 Bijgebouwen: Berging/schuur 15 m3 € 2.625 Parkeerplaats 1 St € 14.750 Perceel: Kavel: WOZ-waarde: €497.000 Koopsom: € 510.000 datum: 22-10-2009 […] Inhoud opstal: 14,7% afwijking t.o.v. foutieve inhoud, zijnde 71 m3 verschil. 3Geschil in hoger beroep en incidenteel hoger beroep 3.1. In hoger beroep is in geschil of de heffingsambtenaar de waarde van de woning te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende stelt dat de vastgestelde waarde en de aanslag moeten worden verminderd. Hij verdedigt waarde van primair €240870, subsidiair € 293.380 en meer subsidiair €319.000. De heffingsambtenaar stelt dat de WOZ-waarde van de woning € 435.000 bedraagt en dat om die reden – naar het hof verstaat - de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd en de het beroep ongegrond moet worden verklaard. 3.2. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting. 4Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft omtrent het geschil het navolgende overwogen: 4.1. Op grond van artikel 17, tweede lid, Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die hij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 4.2. Verweerder verwijst daartoe naar de onder 2.3 vermelde waardeopbouw. In de waardeopbouw is de waarde van de woning onderbouwd met verkoopgegevens van vergelijkingsobjecten. Deze werkwijze is in overeenstemming met de Wet WOZ. De in de waardeopbouw genoemde vergelijkingsobjecten zijn kort voor of na de waardepeildatum verkocht en wat omvang en type betreft voldoende vergelijkbaar met de woning. De vergelijkingsobjecten [G weg en H weg 2] (hierna: de vergelijkingsobjecten) zijn — anders dan de woning — gelegen buiten de vesting op ongeveer 1,5 kilometer afstand van de woning. Eiser voert — kort weergegeven — aan dat de ligging van de vergelijkingsobjecten veel beter is dan die van de woning, omdat daar meer voorzieningen, zoals een zwembad, een grote supermarkt en een winkelcentrum aanwezig zijn. Ook de rechtbank is van oordeel dat de objecten aan de [G weg en H weg 3] zodanig verschillen met de woning dat zij niet als vergelijkingsobject kunnen dienen. Naast het verschil in voorzieningenniveau levert de locatie binnen respectievelijk buiten de vesting een zodanig groot verschil in uitstraling en karakter op, dat deze vergelijkingsobjecten buiten beschouwing moeten blijven bij de waardering. 4.3. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat het in hetzelfde complex als de woning gelegen vergelijkingsobject [F weg 2] een goed vergelijkingsobject is. [F weg 3] verschilt wel qua inhoud (480m 3) met de woning. Voor de woning heeft verweerder een prijs per kubieke meter gehanteerd van € 1.200 en voor [F weg 4] is, op basis van de op 22 oktober 2009 gerealiseerde verkoopprijs, uitgegaan van een prijs per kubieke meter van € 1.000. Verweerder heeft het verschil in kubieke meterprijzen verklaard door te wijzen op het principe van het afnemend grensnut. Dat principe houdt — kort gezegd — in dat de waarde per kubieke meter van een woning afneemt naarmate de inhoud groter is en omgekeerd. Door enkel in algemene termen op het principe te wijzen (passage onder 2.3), en ter zitting desgevraagd het principe niet duidelijk toe te lichten hoe dit in het onderhavige geval van toepassing is (door bijvoorbeeld een staffeloverzicht te overleggen), heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat voor de woning in vergelijking met [F weg 6] dient te worden uitgegaan van een (substantieel) hogere prijs per kubieke meter. 4.4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. 4.5. Eiser heeft evenmin de door hem bepleite waarde van € 360.000 aannemelijk gemaakt. Met zijn berekening, waarbij eiser uitgaat van het verkoopcijfer van [F weg 7] en van de verhouding in inhoud tussen [F weg 8] en de woning, gaat eiser voorbij aan de overige verschillen tussen de woning en dit vergelijkingsobject. Daarbij zijn de door eiser aangevoerde waardedrukkende factoren, als (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.