Parketnummer: 23-000097-14 Datum uitspraak: 30 oktober 2014 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2014 in de strafzaak onder parketnummer 96-173310-13 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 augustus 2014, 16 oktober 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 18 september 2013 te Amsterdam als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de politierechter in de rechtbank Amsterdam. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Hij op 18 september 2013 te Amsterdam als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bespreking verweer De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verbalisanten niet hebben voldaan aan de eisen van de wet door de verdachte niet te onderwerpen aan een bloedonderzoek terwijl verdachte daar wel om had verzocht, omdat hij om medische redenen niet mee kon werken aan een ademonderzoek. Verdachte heeft aangevoerd dat hij door kortademigheid ten tijde van het ademonderzoek de test niet heeft kunnen voltooien. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben in hun op ambtseed opgemaakte proces-verbaal vermeld dat de verdachte zich bereid verklaarde mee te werken aan een ademonderzoek. De verdachte heeft vervolgens de aanwijzingen van de verbalisanten niet opgevolgd. Zij deelden de verdachte mee dat hij moest blazen op het tuitje van het apparaat, maar de verdachte zoog aan het tuitje. Ook bij het tweede monster zoog de verdachte aan het tuitje. De verdachte heeft op dat moment gezegd: ‘Nou moeten jullie bloed laten prikken he’. De verbalisanten hebben een laatste poging ondernomen, maar de verdachte antwoordde hierop: ‘Ik werk niet mee’. Uit opgenoemd proces-verbaal volgt niet dat de verdachte op medische gronden niet in staat zou zijn geweest om het ademonderzoek te voltooien. Ook overigens is niet uit de stukken gebleken dat de verdachte iets over zijn medische toestand tegenover de verbalisanten heeft gezegd. De verbalisanten hebben daarom, mede gelet op het handelen van de verdachte en zijn gedane uitlating bij de laatste poging, geen reden gezien om aannemelijk te achten dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek door de verdachte wegens bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk was. Het hof komt daarmee tot de conclusie dat de verdachte niet heeft meegewerkt aan een ademonderzoek en dat daarmee de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 163 lid 3 en lid 4 van de Wegenverkeerswet 1994 zich niet hebben voorgedaan. Nu niet aannemelijk is geworden dat het ademonderzoek als gevolg van bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk was dan wel dat de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid onderzoek, waren de verbalisanten niet verplicht de verdachte te onderwerpen aan een bloedonderzoek. Het hof verwerpt het door de raadsman en de verdachte gevoerde verweer. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.