GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 14/00175 2 oktober 2014 uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X], te [Z], belanghebbende, tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk ALK 12/3015 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 april 2012 de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna ook: de woning) naar de waardepeildatum 1 januari 2011 vastgesteld op € 441.500, bij een op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) genomen beschikking voor het kalenderjaar 2012. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelasting 2012 bekend gemaakt. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 30 oktober 2012, de beschikking en de aanslag gehandhaafd. 1.3. Bij uitspraak van 3 februari 2014 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 17 maart 2014, aangevuld bij brief van 13 april 2014. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak, waarin belanghebbende als eiser wordt aangeduid en de heffingsambtenaar als verweerder, de volgende feiten opgenomen. 1.1. Verweerder heeft de WOZ-waarde van eisers woning aan de [a-straat 1] te [Z] voor het belastingjaar 2012 vastgesteld op € 441.500. Verweerder is daarbij uitgegaan van de waardepeildatum 1 januari 2011. 1.2. Eiser heeft zijn woning, een appartement, met parkeerplaats in de gemeenschappelijke garage, gelegen op erfpachtgrond, gekocht op 15 mei 2007. De vrij-op-naamprijs was € 424.500 (€ 385.000 voor de woning en € 39.500 voor de parkeerplaats). Bij de aankoop heeft eiser de erfpacht afgekocht voor een periode van 50 jaar; de afkoopsom is begrepen in het bedrag van € 424.500. 2.2.1. Nu partijen daartegen geen bezwaren hebben geuit, gaat het Hof ook van die feiten uit. 2.2.2. Het Hof voegt hieraan nog de volgende feiten toe. 2.3. Tot de door de heffingsambtenaar in eerste aanleg overgelegde gedingstukken behoort een door een taxateur van de gemeente Amsterdam opgesteld ‘Overzicht taxatiewaarden’, en een daarbij behorende toelichting van een taxateur van de gemeente Amsterdam ([A]). In dit overzicht is ter onderbouwing van de vastgestelde waarde aansluiting gezocht bij verkoopgegevens van drie vergelijkingsobjecten welke zijn gelegen in de omgeving – waarvan twee in hetzelfde appartementencomplex – van de woning ([a-straat 3] en [a-straat 5] en [b-straat 1] te [Z]). 2.4. In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar een door de taxateur opgestelde herziene versie van het ‘Overzicht taxtiewaarden’ overgelegd, waarin de oppervlakte van de woning is berekend op 116 m² (in plaats van op 123 m²). In dit overzicht zijn onder meer de volgende gegevens opgenomen: Algemene gegevens Item Object Verkoop 1 Verkoop 2 Verkoop 3 (…) (…) (…) (…) (…) Adres [de woning] [b-straat 1] [a-straat 3] [a-straat 5] Eenheden Deeltype Object Verkoop 1 Verkoop 2 Verkoop 3 Woningdeel 116 116 123 93 Taxatiewaarde per eenheid Deeltype Object Verkoop 1 Verkoop 2 Verkoop 3 Gemiddeld Woningdeel 3.420 3.448 3.293 4.355 3.699 Totalen Deeltype Object Verkoop 1 Verkoop 2 Verkoop 3 Woningdeel 396.675 400.000 405.000 405.000 Berging 3000 0 3000 3000 Parkeerplaats 42.000 0 42000 42000 (…) Totaal 441.500 400.000 450.000 450.000 (afgerond) Transactiedatum 14-02-2011 09-04-2010 10-02-2011 Transactieprijs 400.000 362000 400000 Erfpacht Correctie 0 91000 50000 (…) Gecorr. Transactieprijs 400.000 450000 450000 (1/1/2011) 2.5. Belanghebbende heeft in hoger beroep een kopie overgelegd van de prijslijst met de vrij-op-naamprijzen waarvoor de nieuwbouwappartementen in het appartmentencomplex ([B]) aan de [a-straat 6], waaronder de wonning, destijds zijn verkocht. Op deze lijst staat ter zake van de woning en de vergelijkingsobjecten [a-straat 3] en [a-straat 5] onder meer het volgende vermeld: Vrij op naam prijs VON-prijs incl. afkoopsom bij niet afkoop 50 jaar erfpacht incl. BTW (incl. BTW) [de woning] € 385.000 € 267.838 [a-straat 3] € 387.500 € 270.338 [a-straat 5] € 305.000 € 215.462 Parkeerplaats in de ondergelegen parkeergarage Koopsom € 39.500 € 32.129 3Geschil in hoger beroep Evenals bij de rechtbank is in geschil of de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de woning per 1 januari 2011 – € 441.500 – overeenkomt met, dan wel niet hoger is dan de ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bepaalde waarde. Belanghebbende is van mening dat de waarde van de woning niet meer bedraagt dan € 350.500. 4Beoordeling van het geschil 4.1. De rechtbank heeft omtrent het geschil - voor zover hier van belang - als volgt geoordeeld. “2. Het geschil gaat over de hoogte van de WOZ-waarde van eisers woning voor 2012. Eiser stelt dat verweerder deze te hoog heeft vastgesteld, verweerder blijft bij de vastgestelde waarde. 3. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Dat kan hij bij woningen doen door vergelijking met de verkoopprijzen van op of rond de waardepeildatum verkochte, vergelijkbare woningen. Daarbij mag verweerder de vastgestelde waarde ook in beroep nog onderbouwen met nieuwe gegevens. Verweerder baseert de vastgestelde WOZ-waarde op de verkoopgegevens van de volgende woningen: [b-straat 1], [a-straat 3] en [a-straat 5]. 4.1. Eiser voert aan dat de WOZ-waarde van zijn appartement in 2012, ten opzichte van 2011, is gestegen met ruim 10% van € 399.500 naar € 441.500. Verweerder stelt volgens eiser weliswaar dat geen vergelijking mag worden gemaakt met de WOZ-waarde voor een vorig belastingtijdvak maar vermeldt die eerdere waarde wel op het taxatieverslag. In de teksten op de website van de Waarderingskamer staat ook geen verbod op vergelijking met eerdere waarden. 4.2. De rechtbank overweegt dat doel en strekking van de Wet WOZ meebrengen dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw moet worden bepaald, aan de hand van feiten en omstandigheden die zich op of rond de waardepeildatum voordoen, en niet op basis van de waarde die per een vorige waardepeildatum aan de onroerende zaak is toegekend. Deze beroepsgrond treft dus geen doel. De rechtbank merkt hierbij op dat nu eiser zijn woning ruim drie-en-een-half jaar voor de waardepeildatum heeft gekocht, de aankoopprijs niet kan dienen als basis voor de waardebepaling. 5.1. Eiser voert aan dat verweerder de inpandige bergruimte niet mag betrekken bij de oppervlakte van zijn woning. Daarom moet 3m² in mindering worden gebracht op de oppervlakte van zijn woning en een lagere waarde worden vastgesteld. 5.2. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de oppervlakte van de woning is vastgesteld op 123 m², na bestudering van de bouwtekeningen. Daarin zit ook de bergruimte die zich in de woning bevindt van 3 m2. Voor de aparte berging beneden heeft verweerder een waarde van € 3000 gehanteerd. 5.3. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen gegevens heeft ingebracht op grond waarvan geoordeeld moet worden dat verweerder de oppervlakte onjuist heeft vastgesteld. De bergruimte van 3 m2 in de woning mocht verweerder betrekken bij de oppervlakte van de woning. Dat deze ruimte de cv-ketel bevat en volgens eiser geen ‘woonruimte’ is, maakt dit niet anders. (…) 6.2. De rechtbank overweegt dat verweerder voor de onderbouwing van zijn waardebepaling heeft verwezen naar de drie hiervoor genoemde referentiewoningen. Niet in geschil is dat de referentiewoning [a-straat 3] identiek is aan die van eiser. Deze woning heeft dezelfde oppervlakte, en ook een berging en een parkeerplaats. Verder heeft deze referentiewoning net als eisers woning ook geen buitenruimte. Deze referentiewoning is op 9 april 2010 voor € 362.000 verkocht. Omdat de erfpacht voor deze referentiewoning niet is afgekocht en bij eisers woning wel, heeft verweerder hiervoor een correctie toegepast. Verweerder heeft een ‘afkoopwaarde’ van € 91.000 bij de waarde van eisers woning opgeteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het door hem verstrekte ‘overzicht taxatiewaarden’ voldoende inzichtelijk gemaakt hoe uit de verkoopprijs van deze referentiewoning de WOZ-waarde van eisers woning is herleid. Voor eisers woning heeft verweerder een lagere oppervlakteprijs gehanteerd dan voor deze referentiewoning. Voor de berging en parkeerplaats heeft verweerder voor eisers woning en voor deze referentiewoning dezelfde waarden gehanteerd. Ook mocht verweerder een erfpachtcorrectie toepassen; de rechtbank verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 31 oktober 2013 met kenmerk 12/00152. 6.3. Ook de referentiewoning [a-straat 5] is, hoewel de oppervlakte ervan 93 m2 is en die van eisers woning 123 m2, voldoende vergelijkbaar met eisers woning. Deze referentiewoning is op 10 februari 2011 en derhalve dicht bij de waardepeildatum verkocht voor € 400.000. Verweerder heeft ten opzichte van deze referentiewoning een erfpachtcorrectie toegepast van € 50.000. Voor de berging en de parkeerplaats heeft verweerder weer dezelfde waarden gehanteerd. Omdat deze referentiewoning kleiner is dan die van eiser heeft verweerder een hogere vierkante meterprijs gehanteerd. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat aan eisers woning in verhouding tot de verkoopprijs van deze referentiewoning een te hoge waarde is toegekend. De stelling van eiser ter zitting dat deze referentiewoning is gekocht door een besloten vennootschap en nu wordt gebruikt als hotel en dat de koopprijs daarom niet mag worden gebruikt voor de waardebepaling, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de verkoopgegevens van deze twee referentiewoningen, die in hetzelfde gebouw liggen als eisers woning, afdoende heeft bewezen dat hij de WOZ-waarde van eisers woning niet te hoog heeft vastgestelde. Bovendien geven de verkoopgegevens van de ook goed vergelijkbare referentiewoning [b-straat 1] - met een woonoppervlakte van 116 m2, geen berging, geen parkeerplaats en geen afgekochte erfpacht, op 14 februari 2011 verkocht voor € 400.000 - evenmin reden om te oordelen dat de WOZ-waarde van eisers woning te hoog is vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond. 4.2.1. In hoger beroep heeft belanghebbende de volgende grieven aangevoerd: Inmiddels heeft een taxateur van de gemeente Amsterdam de woning opgemeten en is door deze taxateur vastgesteld dat de oppervlakte ervan 116 m² bedraagt, terwijl de heffingsambtenaar bij de waardevaststelling is uitgegaan van een oppervlakte van 123 m². Reeds hierom kan de vastgestelde waarde niet in stand blijven. Het appartement [a-straat 5] kan niet als vergelijkingsobject worden gehanteerd, aangezien dit object in februari 2011 is aangekocht door een BV. Dit appartement is daardoor volgens belanghebbende niet langer woonruimte, maar bedrijfsruimte, hetgeen de in februari 2011 tot stand gekomen hoge transactieprijs van € 400.000 verklaart. Ook het object [b-straat 1] is onvoldoende vergelijkbaar met de woning; De heffingsambtenaar heeft bij de vergelijkingsobjecten [a-straat 3] en [a-straat 5] ten onrechte rekening gehouden met een zogenoemde erfpachtcorrectie. Deze correctie dient nihil te bedragen, omdat kopers in [Z] bij het bepalen van hun biedprijs geen rekening houden met de omstandigheid dat de grond in erfpacht is uitgegeven. Indien het Hof van oordeel is dat wel aanleiding bestaat voor een erfpachtcorrectie, is deze correctie voor de twee genoemde vergelijkingsobjecten te hoog berekend door de heffingsambtenaar. Aan de bij de woning behorende parkeerplaats is een te hoge waarde toegekend. 4.2.2. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van de door hem bepleite waarde overgelegd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.