parketnummer: 23-000132-14 datum uitspraak: 3 maart 2014 (bij vervroeging) TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2014 in de strafzaak onder de parketnummers 13-701010-14 en 23-001343-10 (TUL), 13-670525-12 (TUL), 13-670553-12 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, adres: [adres 1], thans gedetineerd in [adres 2]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 31 december 2013 te Amsterdam toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] (verbalisant in de rang van hoofdagent) en/of [verbalisant 2] (verbalisant in de rang van hoofdagent) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 2.2 Algemeen plaatselijke verordening, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten politiebureau Meer en Vaart, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig - eenmaal of meermalen (met kracht) in de (linker)arm(en), in elk geval in het lichaam van voornoemde [verbalisant 1] te bijten en/of - eenmaal of meermalen (met kracht) in het (boven)be(e)n(en), in elk geval in het lichaam van voornoemde [verbalisant 2] te bijten, tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] enig lichamelijk letsel (te weten een of meer tand/mondafdrukken en/of wondjes en/of bloeduitstortingen) bekwam en/of de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] enig lichamelijk letsel (te weten een of meer tand/mondafdrukken) bekwam. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde omdat niet kan worden vastgesteld of de verdachte zich vóór zijn aanhouding schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit, zodat de aanhouding onrechtmatig was, en omdat dat verdachte het gegeven bevel niet begreep door de taalbarrière, waardoor hem niet verweten kan worden dat hij dat bevel heeft genegeerd. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 31 december 2013 van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] blijkt het volgende. De verdachte maakte slaande bewegingen in de richting van voorbijgangers. Vervolgens zijn de verbalisanten door een voorbijganger aangesproken, volgens wie de verdachte tegen hem had gezegd “ik pak je”. Hierop zijn verbalisanten naar de verdachte gefietst en hoorden zij dat die ook tegen hen zei “ik pak je”. De verdachte nam vervolgens – al lachend – een bokshouding aan. De verbalisanten hebben de verdachte staande gehouden en gevraagd naar zijn legitimatiebewijs. De verdachte overhandigde zijn legitimatiebewijs. Dat kreeg hij naar zijn zin niet snel genoeg terug, waarop de verdachte een agressieve houding aannam en dichtbij de verbalisanten kwam staan, waarbij hij met luide stem zei dat de verbalisanten een probleem zouden krijgen met zijn advocaat. Vervolgens zijn de verbalisanten overgegaan tot aanhouding van de verdachte ter zake van overtreding van artikel 2.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Amsterdam, hetgeen de verdachte ook werd medegedeeld. Bij (de poging tot) het boeien van de verdachte heeft hij in de linkerarm van verbalisant [verbalisant 1] gebeten. Hierop hebben verbalisanten geweld gebruik om de verdachte aan te houden. Tijdens de aanhouding heeft de verdachte verbalisant [verbalisant 2] in zijn scheen- en bovenbeen gebeten. Het hof is van oordeel dat uit het vorenstaande blijkt dat de verbalisanten voldoende reden hadden verdachte staande te houden en vervolgens aan te houden ter zake van artikel 2.2 van de APV Amsterdam. Van enige onrechtmatigheid in het optreden van de verbalisanten is geen sprake. Voorts behelst het dossier geen enkel aanknopingspunt dat de verdachte enig aan hem gericht bevel niet heeft begrepen. Hij begreep immers dat hij zijn legitimatiebewijs aan de verbalisanten moest overhandigen, hetgeen hij ook terstond heeft gedaan. En blijkens zijn eigen verklaring begreep hij even later ook dat hij werd aangehouden, nog daargelaten dat een aanhouding geen bevel is. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verweren van de raadsman geen doel treffen en worden deze verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 31 december 2013 te Amsterdam, toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] (hoofdagent) en [verbalisant 2] (hoofdagent) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 2.2 Algemeen plaatselijke verordening, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig - in de linkerarm van voornoemde [verbalisant 1] te bijten en - meermalen in een been van voornoemde [verbalisant 2] te bijten, tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] enig lichamelijk letsel, te weten tandafdrukken, bekwam. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Beroep op noodweer(exces) De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, toekomt. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte overging tot bijten toen hij door een knie (van een verbalisant) op zijn keel geen lucht meer kreeg en zich moest verweren. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Weliswaar is door de verbalisanten jegens de verdachte geweld gebruikt, maar dit vond plaats bij gelegenheid van zijn aanhouding waarbij de verbalisanten rechtmatig optraden. Bovendien is dit geweld pas toegepast nadat verdachte beet in de arm van één van de verbalisanten die hem trachtte te boeien. Noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is een aan het bijten voorafgaande aanranding van de verdachte als bedoeld in artikel 401 Wetboek van Sttrafrecht naar voren gekomen, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat de keel van de verdachte werd dichtgeknepen door de knie van een van de verbalisanten. Bij deze stand van zaken is geen sprake geweest van een wederrechtelijke aanranding, zodat zich geen noodweersituatie heeft voorgedaan en ook het beroep op noodweerexces wordt verworpen Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich op 31 december 2013 schuldig gemaakt aan gemaakt aan verzet tegen zijn aanhouding door de beide betrokken verbalisanten te bijten in hun arm respectievelijk been. De verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven van een gebrek aan respect jegens de betreffende agenten en heeft het gezag van de politie ondermijnd. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 februari 2014 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden. Een lichtere strafmodaliteit komt – gelet op verdachtes recidive en de aard van het feit – niet in aanmerking. Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 300,00 voor immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 200,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.