parketnummer: 23-004401-13 datum uitspraak: 13 maart 2014 TEGENSPRAAK (Gemachtigde raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 september 2013 in de strafzaak onder parketnummer 15-710667-12 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, adres: [adres 1], thans uit anderen hoofde gedetineerd in [adres 2]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 08 augustus 2012 te Haarlem als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne en/of GHB (gamma-hydroxyboterzuur), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bespreking van ter terechtzitting gevoerde verweren Door de raadsman van de verdachte is aangevoerd dat de verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat gelet op het gedrag van de verdachte niet gezegd kan worden dat hij de toestemming voor een bloedafname ‘knowingly and willingly’ heeft gegeven. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte toestemming heeft gegeven voor een bloedafname, nu dit zo is verwoord in het ambtsedige proces-verbaal. Dat de verdachte zich in het geheel niet bewust is geweest van het verzoek om toestemming en zijn daarop gegeven positieve reactie, acht het hof niet aannemelijk. Uit het dossier blijkt immers dat de verdachte direct na de bloedafname om 10.50 uur in staat was een verklaring af te leggen. Dat maakt dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van het geven van toestemming en het daaropvolgende onderzoek. Het hof verwerpt het verweer. Voorts is door de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat niet vaststaat dat hij op het moment dat hij de auto bestuurde onder invloed was van GHB. Uit het dossier blijkt dat de politie op 8 augustus 2012 omstreeks 09:30 uur een melding ontvangt dat er op de Adlerstraat te Haarlem een personenauto midden op de rijbaan zou staan. De bestuurder van deze auto was vermoedelijk buiten bewustzijn. Verbalisanten zijn omstreeks 09:31 uur ter plaatse en treffen midden op de rijbaan een auto met draaiende motor aan, waarvan de bestuurder, die door één van de verbalisanten werd herkend als de verdachte, voorovergebogen in het voertuig zat. Pas na een pijnprikkel schoot verdachte wakker. Gelet op het feit dat de auto zich met draaiende motor midden op het wegdek bevond, acht het hof het hoogst onwaarschijnlijk dat de verdachte eerst de auto midden op de rijbaan heeft stilgezet alvorens hij de GHB is gaan gebruiken. Het hof verwerpt het verweer. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 08 augustus 2012 te Haarlem als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten GHB, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.