arrest ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.013.010/01 rolnummer rechtbank Amsterdam: 816611 DX EXPL 06-2972 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2015 inzake [appellante] , wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente], APPELLANTE, advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DEXIA NEDERLAND B.V. (voorheen Dexia Bank Nederland N.V.), gevestigd te Amsterdam, GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor te Amsterdam. 1Verder verloop van het geding Partijen worden hierna wederom [appellante] en Dexia genoemd. Op 25 maart 2014 heeft het hof in deze zaak een derde tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot dan toe wordt verwezen naar het tussenarrest. Bij brief van 8 april 2014 heeft [appellante] dagafschriften in het geding gebracht, waaruit blijkt dat het rekeningnummer van waaraf de maandelijkse betalingen aan Dexia gedaan zijn tot 1 april 2000 op naam van [X] stond en daarna mede op naam van [appellante]. Begin mei 2014 heeft Dexia met het oog op het getuigenverhoor een akte voor getuigenverhoor met producties genomen. De producties omvatten geluidsfragmenten en transcripties van passages uit drie telefoongesprekken tussen Dexia een [appellante] waarover Dexia tijdens het getuigenverhoor vragen wenst te stellen. Vervolgens zijn aan de zijde van [appellante] op 6 mei 2014 twee getuigen gehoord. Van de getuigenverhoren is proces-verbaal opgemaakt. Daarna hebben partijen, eerst [appellante] en daarna Dexia, een memorie na enquête genomen. Ten slotte is wederom arrest gevraagd. 2De verdere beoordeling 2.1 Het hof blijft bij en bouwt hierna voort op hetgeen in het derde tussenarrest is overwogen en beslist. 2.2 Op grond van het in het derde tussenarrest onder 2.5 tot en met 2.9 genoemde feiten en omstandigheden heeft het hof voorshands, dus behoudens tegenbewijs, bewezen geacht dat [appellante] langer dan drie jaar voor de ontvangst door Dexia van de vernietigingsbrief van het bestaan van de leaseovereenkomst op de hoogte is geweest. Vervolgens heeft het hof [appellante] tot tegenbewijs toegelaten. 2.3 Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft [appellante] zichzelf en haar echtgenoot D.W. [X] als getuigen doen horen. 2.4 Ter gelegenheid van het getuigenverhoor heeft [appellante], zakelijk weergegeven, het volgende verklaard: 2.5 Mijn man heeft mij over de leaseovereenkomst verteld bij het openen van de en/of rekening in april 2001. Toen heeft hij het verteld omdat hij wist dat ik niet van zulke dingen hield. Hij had er ook spijt van. Ik keek nooit naar de afschriften. Mijn man regelde alles. Pas toen we een en/of rekening kregen keek ik er weleens naar. Mijn man heeft mij laten zien dat we een en/of rekening hadden. Daarna heb ik op een afschrift de afschrijving van de leaseovereenkomst gezien. Ik sorteer de post. Mijn man doet altijd zijn eigen post. Ik doe nooit zijn post, ook niet als hij op reis is. De envelop van Dexia waarover het eerste telefoongesprek gaat heb ik wel opengemaakt. Ik was in paniek en heb Dexia gebeld. Mijn man regelde de financiële zaken en de betalingen. Ik haalde elke week geld bij de bank van de rekening van mijn man. Ik had toen geen pinpas. Ik heb geen eigen bankrekening. Ik bekeek niet veel bankafschriften, alleen als het zo uitkwam. Naar aanleiding van een vraag van mr. Meijer over de schriftelijke verklaring die gevoegd is als productie 1 bij memorie van grieven, antwoord ik dat ik blijf bij mijn verklaring dat mijn man het verteld heeft bij het openen van de en/of rekening in april 2001. Naar aanleiding van een vraag van mr. Van der Berg antwoord ik dat de en/of rekening is geopend in april 2000 en niet in april 2001. Mijn man en ik zijn samen naar de bank gegaan en hebben daar formulieren getekend voor een en/of rekening. Ik weet niet meer wanneer dat was. Het telefoongesprek van 30 mei 2002: mr. van den Berg laat een stukje van dit telefoongesprek horen. In de laatste alinea van de transcriptie van het telefoongesprek zegt [appellante]: “ze hebben het in de krant te mooi gemaakt”. De krant waarover ik het in het telefoongesprek van 30 mei 2002 heb heeft mijn man mij laten zien. Die heb ik gelezen. Het telefoongesprek van 14 april 2003: in dat telefoongesprek zegt [appellante]: “Ja, maar ik heb de krant er nog eens bijgehaald.” Dat is dezelfde krant die ik net al noemde. Mijn man heeft mij met lood in zijn schoenen verteld over de eerste leaseovereenkomst. Naar aanleiding van een dagafschrift waarop Legiolease stond en waarmee ik hem heb geconfronteerd. Ik vond dergelijke overeenkomsten gokken. Ik was bang dat je met een schuld zou blijven zitten. Mijn man schrok daarvan. Ik houd niet van zulke dingen en was erg boos op mijn man. Je moet dat samen doen, ook al doet hij de financiën. We hebben er veel ruzie over gehad. Grote uitgaven bespraken we met elkaar. De leaseovereenkomsten heeft mijn man gesloten met het oog op de studie van de kinderen. Mijn man heeft mij eerst verteld over de eerste leaseovereenkomst. Ik was toen verschrikkelijk boos. Daarna heeft hij nog een tweede leaseovereenkomst gesloten. Daarover heeft hij mij uit zichzelf verteld. Met de leaseovereenkomsten waren aanzienlijke bedragen gemoeid. Daar had hij mij bij moeten betrekken. Telefoongesprek van 31 januari 2003: naar aanleiding van het stukje waarin [appellante] verklaart dat zij de privérekening van hun gezamenlijke rekening nakeek, verklaar ik dat nadat mijn man mij van de eerste leaseovereenkomst had verteld, ik af en toe naar de bankafschriften keek. Het gezamenlijk inkomen kwam op de en/of rekening binnen. Ik spreek in dat gesprek over een spaarregeling omdat mijn man dat mij had verteld. Ik heb in 2001 en 2002 met mijn zwager over de leaseovereenkomsten gesproken. 2.6 Ter gelegenheid van het getuigenverhoor heeft [X], zakelijk weergegeven, het volgende verklaard: Ik heb mijn vrouw in 2000 verteld over de leaseovereenkomst. Toen de en/of rekening was geopend heb ik haar enkele bankafschriften laten zien. Daarop stond een afschrijving van Legiolease. Daarover stelde mijn vrouw een vraag en toen heb ik haar verteld dat ik een contract had afgesloten. Ik heb haar gezegd dat over drie jaar 20.000,- gulden zou worden uitgekeerd. Ze vond het niks. Ze was kwaad. Daarna heb ik nog een leaseovereenkomst afgesloten, in mei 2000 was dat volgens mij. Dat was niet zo bijdehand. Ik zag alleen maar dollartekens. In 2001 heb ik haar over de tweede leaseovereenkomst verteld. Ze was nog kwader dan de eerste keer maar ik kon er toch niets meer aan doen. Ik heb haar toen de inschrijfformulieren laten lezen. Ik wilde haar verrassen. 20.000 gulden is een hoop geld. Ik doe alle financiële zaken, ook de betalingen. Mijn vrouw sorteerde de post. Zij maakte mijn post niet open, ook niet als ik op reis was. Post van Dexia was mijn post. Mijn vrouw had geen eigen bankrekening. Zij haalde bij de bank geld van mijn rekening. Mijn vrouw bekeek nooit de bankafschriften. In 1999 heb ik in De Telegraaf een advertentie van Legiolease gelezen. Op die advertentie heb ik ingeschreven. Ik weet niet of ik die heb bewaard. Het inschrijfformulier heb ik wel bewaard. Tot april 2000 heb ik nooit gemerkt dat mijn vrouw post van Dexia heeft opengemaakt. Ik herhaal dat ik haar afschriften van de en/of rekening heb laten zien en dat daar een afschrijving van Legiolease op stond. Naar aanleiding van een vraag van haar heb ik verteld dat ik een contract had afgesloten. Ze was boos want ze houdt niet van aandelen, ondanks de door mij genoemde opbrengst van 20.000 gulden. Een maand later heb ik nog een leaseovereenkomst afgesloten. Ik zag dollartekens. De opbrengst zou zijn voor leuke dingen als ik 55 jaar was, ook voor de kinderen. Ik heb het toen niet verteld. Mijn vrouw keek bijna nooit in de afschriften. In 2000 heb ik haar niet het inschrijfformulier laten zien. 2.7 Uit de bij brief van 8 april 2014 in het geding gebrachte dagafschriften volgt dat het rekeningnummer ten laste waarvan de maandelijkse betalingen aan Dexia zijn gedaan tot 1 april 2000 alleen op naam van [X] stond en vanaf 1 april 2000 op naam van van [X] en/of [appellante] staat. Nu vaststaat dat de en/of-rekening binnen drie jaar vóór de vernietigingsbrief van 25 maart 2003 is geopend, heeft [appellante] het op de en/of-rekening gebaseerde bewijsvermoeden ontzenuwd. Daarmee ligt de vraag voor of Dexia erin is geslaagd te bewijzen dat [appellante] met het bestaan van de leaseovereenkomst bekend is geworden meer dan drie jaar vóór 25 maart 2003. Dienaangaande geldt het volgende. 2.8 De verklaringen van de getuige [appellante] stemmen niet overeen met een eerdere schriftelijke verklaring van [appellante] en met mondelinge uitlatingen van haar en met de verklaringen van [X]. Het hof wijst op de volgende punten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.