arrest ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.072.653/01 OK arrest van de Ondernemingskamer van 31 maart 2015 inzake 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SOUTHEAST U.S. HOLDINGS B.V., gevestigd te Amsterdam, 2. de naamloze vennootschap DIM VASTGOED N.V., gevestigd te Breda, EISERESSEN, advocaat: mr. M. van Hooijdonk, kantoorhoudende te Amsterdam, t e g e n 1. DE GEZAMENLIJKE, NIET BIJ NAAM BEKENDE, HOUDERS VAN AANDELEN AAN TOONDER IN HET GEPLAATSTE KAPITAAL VAN DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP DIM VASTGOED N.V., GEVESTIGD TE AMSTERDAM, zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland, niet verschenen, 2. [gedaagde 2], wonende te Kapellen, België, 3. [gedaagde 3], wonende te Roeselare, België, 4. [gedaagde 4], wonende te Roeselare, België, 5. [gedaagde 5], wonende te Brugge, België, advocaat: mr. P.J. van der Korst, kantoorhoudende te Amsterdam, 6. de vereniging VEB NCBV, gevestigd te ’s-Gravenhage, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende te Amsterdam, GEDAAGDEN. 1Het verloop van het geding 1.1 Eiseressen worden hierna gezamenlijk Southeast c.s. genoemd, afzonderlijk worden zij Southeast respectievelijk DIM genoemd. Gedaagden sub 2 t/m 5 worden hierna [gedaagde 2] c.s. genoemd en gedaagde sub 6 VEB. In navolging van haar arrest van 22 april 2014 (zie rechtsoverweging 2.8) zal de Ondernemingskamer verder geen onderscheid maken tussen Southeast en haar enige aandeelhouder Equity One Inc. (hierna: Equity One). 1.2 Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar de tussenarresten van 31 januari 2012, 21 februari 2012, 4 september 2012, 22 april 2014 en 28 oktober 2014 in deze zaak. 1.3 Bij het arrest van 31 januari 2012 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek door drie nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken deskundigen bevolen naar de waarde van de over te dragen aandelen in het geplaatste kapitaal van DIM, een en ander met inachtneming van hetgeen in dat arrest is overwogen. Bij het arrest van 21 februari 2012 heeft de Ondernemingskamer prof. dr. L. Traas te Blaricum, drs. K.W.M. Scheepers te Laren en drs. E.T. Woudenberg te Amsterdam als deskundigen aangewezen. De deskundigen hebben op 1 september 2012 hun rapport met betrekking tot de waarde van de aandelen DIM ter griffie van de Ondernemingskamer ingediend (hierna: het deskundigenrapport). 1.4 Bij het arrest van 22 april 2014 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – de deskundigen opgedragen om een niet-inhoudelijk overzicht van de informatie en de stukken die DIM en Equity One/Southeast aan hen hebben verstrekt aan de Ondernemingskamer te verschaffen, uit welk overzicht het object, de aard en de omvang van die informatie blijkt. 1.5 Bij het arrest van 28 oktober 2014 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – eiseressen opgedragen om binnen 14 dagen na heden de stukken in het geding te brengen die zijn opgenomen in het overzicht van de deskundigen en nog niet in onderhavige procedure zijn overgelegd; de deskundigen opgedragen om het onderzoek naar de waarde van de over te dragen aandelen in DIM te actualiseren per een zo recent mogelijke naar hun oordeel geschikte datum een en ander met inachtneming van hetgeen in het arrest werd overwogen; bepaald dat tussentijds cassatieberoep tegen dit arrest kan worden ingesteld. 1.6 Southeast c.s. hebben bij brief van 4 november 2014 de Ondernemingskamer verzocht de hiervoor onder 1.5 sub 1 genoemde termijn voor het overleggen van de stukken te verlengen in verband met de lopende cassatietermijn. Bij brief van 7 november 2014 hebben [gedaagde 2] c.s. en VEB gezamenlijk bezwaar gemaakt tegen dit verzoek. De Ondernemingskamer heeft bij brief van 13 november 2014 partijen bericht dat de termijn verlengd wordt tot 4 februari 2015. 1.7 De verschenen partijen hebben op 2 februari 2015 gezamenlijk verzocht de termijn voor het indienen van de stukken te verlengen tot 17 februari 2015. De Ondernemingskamer heeft het verzoek ingewilligd. 1.8 Southeast c.s. hebben bij akte van eisvermindering van 17 februari 2015 hun eis verminderd in die zin dat zij de gevorderde uitkoopprijs verhogen van USD 7,30 naar USD 8,75 per aandeel tegen een wisselkoers van de datum van het arrest en voorts hun eis hebben gewijzigd in die zin dat zij vorderen dat de (verschenen) partijen hun eigen kosten dragen. Aldus vorderen Southeast c.s. thans - zakelijk weergegeven - dat de Ondernemingskamer bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: gedaagden, alsmede degenen aan wie de aandelen zullen toebehoren, veroordeelt het onbezwaarde recht op de aandelen in DIM, waarvan zij houder zijn, aan Southeast over te dragen overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:92a BW; primair de prijs van de over te dragen aandelen vaststelt op het equivalent in Euro van USD 8,75 per aandeel tegen de wisselkoers (USD/EUR) per de datum van het arrest van de Ondernemingskamer zoals deze is gepubliceerd op de website van De Nederlandsche Bank, en subsidiair de prijs van de over te dragen aandelen vaststelt in Euro op een door de Ondernemingskamer te bepalen datum; bepaalt dat, zolang en voor zover de prijs niet is betaald, deze wordt verhoogd met de wettelijke rente vanaf de datum van het arrest tot aan de datum van de overdracht of de dag van consignatie van de prijs met rente overeenkomstig artikel 2:92a BW lid 8 BW; bepaalt dat uitkeringen die in het hiervoor onder 3 bedoelde tijdvak op de aandelen betaalbaar worden gesteld, strekken tot gedeeltelijke betaling van de prijs op de dag van betaalbaarstelling; Southeast veroordeelt de vastgestelde prijs, met rente als voormeld, te betalen aan degenen aan wie de aandelen toebehoren of zullen toebehoren, tegen levering van het onbezwaarde recht op de aandelen; en bepaalt dat ieder van eiseressen en gedaagden die verweer voeren hun eigen kosten van het geding zal dragen. 1.9 [gedaagde 2] c.s. en VEB hebben, ieder afzonderlijk, bij antwoordakte van eveneens 17 februari 2015 - zakelijk weergegeven - geconcludeerd tot toewijzing van de gewijzigde vordering. 1.10 Vervolgens hebben de verschenen partijen op 17 februari 2015 de stukken van het geding overgelegd en arrest gevraagd. 2De gronden van de beslissing 2.1 Southeast c.s. hebben bij hun voormelde akte gesteld dat de in deze procedure verschenen partijen na het tussenarrest van 28 oktober 2014 tot een schikking zijn gekomen. Ook MultiQuest N.V., een door gedaagde sub 2 bestuurde vennootschap en houder van 63.574 aandelen, is partij bij deze schikking. Deze schikking houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - - dat partijen een prijs van USD 8,75 een billijke prijs voor de aandelen achten, waarbij zij rekening houden met alle relevante omstandigheden, waaronder de waarderingsmethodes en conclusies uit het deskundigenrapport; - dat Southeast c.s. afzien van het instellen van cassatieberoep tegen het arrest van 28 oktober 2014; - dat de verschenen gedaagden afzien van het verzoek tot overlegging van stukken en van een aanvullend deskundigenonderzoek naar de waarde van de aandelen; - Southeast c.s. en [gedaagde 2] cs. de zaak, met nummer 200.098.307/o1 OK, aanhangig bij de Ondernemingskamer op de voet van artikel 2:359d BW, zullen beëindigen; - partijen in de onderhavige procedure de Ondernemingskamer zullen verzoeken dat ieder zijn eigen kosten draagt. De schikking is door partijen onder de opschortende voorwaarde aangegaan dat de Ondernemingskamer in overeenstemming met de overeenkomst een eindarrest wijst. 2.2 Ten aanzien van de (thans) gevorderde prijs hebben Southeast c.s. aangevoerd dat deze prijs substantieel hoger is dan de prijs van USD 7,30 waarvoor Southeast in de periode 2010 (na het openbaar bod) tot 2014 aandelen DIM van minderheidsaandeelhouders heeft verkregen. De prijs van USD 8,75 (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.