← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2015:1225

beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.159.245/01 GDW nummer eerste aanleg : 223.2013 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 31 maart 2015 inzake

  1. [klager],
  2. [klager], beiden wonend te [plaatsnaam], appellanten, tegen [gerechtsdeurwaarder], gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam], geïntimeerde. 1Het geding in hoger beroep 1.
  3. Appellanten, verder te noemen klagers, zijn bij een op 10 november 2014 ter griffie ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – in hoger beroep gekomen tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 16 september 2014 (ECLI:NL:TGDKG:2014:175). 1.
  4. Bij die beslissing heeft de kamer het verzet van klagers tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer van 11 maart 2014, waarbij de voorzitter de klacht van klagers tegen geïntimeerde, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, ongegrond verklaard. 1.
  5. De gerechtsdeurwaarder heeft een verweerschrift ingediend, ter griffie van het hof ontvangen op 24 november
  6. De gerechtsdeurwaarder heeft zich op het standpunt gesteld dat klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep dienen te worden verklaard. 1.
  7. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 5 maart
  8. Klagers en de gerechtsdeurwaarder hebben te kennen gegeven niet te zullen verschijnen. 2De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3De ontvankelijkheid van klagers in hun hoger beroep 3.
  9. Klagers hebben bij brief van 26 september 2013 bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd, bij de kamer ingekomen op 2 januari
  10. De voorzitter heeft bij beschikking van 11 maart 2014 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beschikking hebben klagers bij verzetschrift van 26 maart 2014 verzet ingesteld bij de kamer. Het verzetschrift is behandeld op de terechtzitting van 22 juli
  11. Vervolgens heeft de kamer bij beslissing van 16 september 2014 het verzet ongegrond verklaard. 3.
  12. Artikel 39 lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de beslissing, waarvan beroep. 3.
  13. Nu niet is gebleken van schending van fundamentele beginselen van procesorde dan wel van andere gronden die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen, is er geen reden om van het in artikel 39 lid 4 Gdw opgenomen rechtsmiddelenverbod af te wijken. Hetgeen klagers in hun beroepschrift hebben betoogd, geeft geen aanleiding anders te oordelen. Daarom kunnen klagers niet in het hoger beroep tegen de beslissing van de kamer worden ontvangen. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing. 4De beslissing Het hof: - verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep. Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2015 door de rolraadsheer.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.