GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer : 200.153.998/01 zaak-/rolnummer rechtbank Haarlem : 2374324/CV EXPL 13-10694 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2015 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. H.S.A. Wijnands te Haarlem, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE HAARLEM zetelend te Haarlem, geïntimeerde, advocaat: mr. M.E. Biezenaar te Haarlem. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en de gemeente genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 8 augustus 2014 onder aanvoering van grieven in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 14 mei 2014, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en de gemeente als gedaagde. Aan de dagvaarding is een productie gehecht. [appellant] heeft geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding. De gemeente heeft een memorie van antwoord ingediend. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [appellant] zal toewijzen, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding in beide instanties. De gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met - uitvoerbaar bij voorraad -veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep. [appellant] en de gemeente hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten 2.1 De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder a. tot en met k. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende. 2.2 [appellant] is eigenaar van een oldtimer van het merk Cadillac uit het bouwjaar 1953 (hierna: de auto). De auto staat tien maanden per jaar in een Cadillac museum in Friesland. Gedurende de zomer gebruikt [appellant] de auto zelf. 2.3 De gemeente is eigenaar van verschillende parkeergarages in Haarlem. De gemeente heeft het beheer en onderhoud van de parkeergarages uitbesteed aan Spaarnelanden N.V. (hierna Spaarnelanden). Een van de gemeentelijke garages, garage Cronjé, is gelegen aan de Kleverlaan in Haarlem Noord. Deze garage is zeven dagen per week, dag en nacht voor het publiek geopend. 2.4 Op 19 juli 2012 heeft [appellant] in de gemeentelijke parkeergarage aan het Houtplein in Haarlem voor € 50,- een maandkaart voor de Cronjé garage gekocht. Enkele dagen later heeft hij de auto daar neergezet. [appellant] wilde de auto tijdens zijn vakantie niet buiten bij zijn woning in Aerdenhout laten staan en heeft daarom gekozen voor een parkeergarage. 2.5 In een verslag van 6 augustus 2012 van [naam] (bewoner van het boven de garage Cronjé gelegen wooncomplex) staat, voor zover hier van belang: “VloerreinigingOpvangput bij schuifdeuren lift zit vol drab. Die bij de lekkende ventilatorruimte staat vol lekwater. Losse blikjes en flesjes verwijderd. AH boodschappenkar in de werkruimte geplaatst. Oldtimer in uiterst linker hoek is geopend en wordt gevuld met peuken en flesjes. Spaarnelanden door RD geïnformeerd in de hoop dat zij de eigenaar kunnen waarschuwen.” 2.6 Op 13 augustus 2012 – daags na zijn terugkomst van zijn vakantie – vernam [appellant] van de politie dat er in zijn auto twee jongeren waren aangetroffen. 2.7 Buitengewoon opsporingsambtenaar [C] heeft bij proces-verbaal van bevindingen als volgt verklaard: “Op 13 augustus 2012 ben ik, verbalisant, in uniform gekleed en met handhaving belast, door het meldcentrum op klacht gestuurd. Dit was naar aanleiding van een klacht van een bewoner van het Ripperdapark te Haarlem over een voertuig welke opengebroken was en thans werd gebruikt om in te slapen. Ik zag daar toen een voertuig geparkeerd staan in de linkerhoek achter in de parkeergarage. Ik zag dat er behoorlijk wat zwerfvuil rondom het voertuig lag. Ik zag twee personen in het voertuig, ik zag namelijk dat er één persoon op de achterbank en één persoon op de voorbank lagen. Nadat wij ze wakker hadden gemaakt gaven zij aan dat ze niet thuis konden slapen en daarom in het voertuig waren gaan liggen. Ik zag, op het eerste gezicht, geen schade aan het voertuig. Wij hebben de regiopolitie in kennis gesteld zij hebben het toen overgenomen. De betrokkenen zijn door ons bekeurd voor het ophouden in parkeergarage zonder redelijk doel.” 2.8 Op 14 augustus 2012 heeft [appellant] aangifte gedaan van vernieling van de auto. 2.9 Bij e-mail van 3 september 2012 heeft [naam] aan [appellant] geschreven: “[…] Dat de publieksgarage echt veilig is mag zeer worden betwijfeld […] Voor de goede orde: Ik controleer maandags op verzoek van de administrateur Ymere waarbij het gaat om installaties, verlichting etc. De berichten gaan in CC naar Spaarnelanden en de afdeling Vastgoed van de gemeente. Ik doe dit alles als vrijwilliger […] Het gebeurt in het verlengde van de controle van de besloten garage op -1 die in een aantal opzichten verbonden is met de publieksgarage. […]” 2.10 [appellant] heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade aan de auto. De gemeente heeft aansprakelijkheid afgewezen. 3Beoordeling 3.1 [appellant] vordert, zakelijk weergegeven, veroordeling van de gemeente tot betaling van een voorschot op de geleden schade en betaling van de overige schade, nader op te maken bij staat. 3.2 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen. Zij heeft daartoe, samengevat, overwogen dat de tussen [appellant] en de gemeente gesloten overeenkomst slechts ziet op het ter beschikking stellen van parkeerruimte en geen overeenkomst tot bewaarneming in de zin van artikel 7:600 BW is. Van een tekortschieten of onrechtmatig handelen dan wel nalaten door de gemeente is volgens de kantonrechter geen sprake. De bijzondere omstandigheden die [appellant] heeft aangevoerd leveren evenmin grond op voor aansprakelijkheid van de gemeente, aldus de kantonrechter. 3.3 Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met vijf grieven op. 3.4 Grief 1 betoogt dat de kantonrechter ten onrechte en op grond van onjuiste feiten heeft geoordeeld dat de overeenkomst tussen [appellant] en de gemeente niet is aan te merken als overeenkomst tot bewaarneming in de zin van artikel 7:600 BW. 3.5 Voor zover [appellant] beoogt met deze grief (ook) op te komen tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten kan de grief geen doel treffen omdat uit de grief noch uit de daarbij gegeven toelichting blijkt welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.