GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.109.499/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 470017 / HA ZA 10-3010 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2015 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. J.P. van Vulpen te Haarlem, tegen het publiekrechtelijk lichaam UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERING (UWV), gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. drs. B. Van Duren-Kloppert te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en UWV genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 4 augustus 2011 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2011, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en UWV als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van UWV in de kosten van beide instanties. UWV heeft geconcludeerd primair tot niet-ontvankelijk verklaring van [appellant] in het beroep, subsidiair tot afwijzing van het beroep en bekrachtiging van het besteden vonnis, met beslissing over de proceskosten. UWV heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden. 2Feiten 2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.6. de feiten vastgesteld die tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 2.2 [appellant] , geboren op 27 mei 1971, heeft in de periode vanaf 1 maart 2002 tot 1 januari 2004 werkzaamheden in loondienst verricht voor het bedrijf Pelt en Hooykaas IJmuiden B.V. (hierna: de werkgever). [appellant] heeft zich vanaf 3 of 5 januari 2004 ziek gemeld. 2.3 Bij brief van 29 januari 2004 heeft [naam] , bedrijfsarts van ArboNed, aan [appellant] het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld: “U bent sinds 05-01-2004 arbeidsongeschikt. Zoals besproken, bestaat er bij u een verhoogde kans op verzuim, dat langer dan zes weken zal duren. Daarom hebben wij een probleemanalyse uitgevoerd en is een advies samengesteld voor de aanpak van de reïntegratie. De resultaten treft u aan bij deze brief. Uw werkgever heeft een kopie ontvangen van deze probleemanalyse en dit advies. Naar aanleiding van de ‘probleemanalyse en advies’ dient een ‘plan van aanpak’ vastgesteld te worden, om uw snelle en verantwoorde terugkeer naar het werk te bevorderen. In bijgevoegde ‘probleemanalyse en advies’ vindt u adviezen voor stappen om reïntegratie te bewerkstelligen. Wij verzoeken u dit advies te bespreken met uw werkgever Pelt & Hooykaas-IJmuiden b.v. en een ‘plan van aanpak’ vast te stellen. Het is van belang dat uiterlijk twee weken na ontvangst van de ‘probleemanalyse en advies’ het ‘plan van aanpak’ vastgesteld is. Kunt u onverhoopt geen overeenstemming bereiken over een ‘plan van aanpak’ voor reïntegratie, dan verzoeken wij u dit aan ArboNed door te geven. Wij kunnen dan gezamenlijk zoeken naar een oplossing.” 2.4 Bij brief van 8 juni 2004 heeft [naam] van DAS rechtsbijstand, de toenmalige juridisch adviseur van [appellant] , het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld aan [appellant] : “De gemachtigde van uw werkgever heeft aangegeven dat Pelt & Hooykaas alsnog bereid is om een regeling met u te treffen, een en ander ter voorkoming van een procedure. Dit zou kunnen betekenen dat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2004 beëindigd wordt en dat Pelt & Hooykaas uw salaris over de maanden maart, april, mei en juni 2004 alsnog zal voldoen. Graag verneem ik van u of u met een dergelijke regeling zou kunnen instemmen of dat u de dagvaardingsprocedure wenst voort te zetten.” 2.5 Op enig moment in de eerste helft van 2004 is het dienstverband met de werkgever geëindigd, naar verluidt met ingang van 1 januari 2004. Wajong-uitkering 2.6 [appellant] was voorafgaand aan het dienstverband reeds Wajong-gerechtigde, onder meer op basis van voetletsel met blijvende klachten en beperkingen. Aangezien het door [appellant] bij voornoemde werkgever verdiende salaris hoger was dan de Wajong-uitkering werd deze uitkering op nihil gesteld. UWV heeft bij brief van 28 maart 2004 [appellant] bericht dat zijn Wajong-uitkering per 1 januari 2004 zou herleven en dat de uitkering vanaf 1 januari 2004 tot 1 april 2004 zou worden nabetaald. Deze betaling vond plaats op 3 april 2004. 2.7 [appellant] heeft een formulier aanvraag voortzetting arbeidsongeschiktheidsuitkering ondertekend en gedateerd op 16 maart (naar het hof aanneemt: 2004). Daarin verzoekt hij zijn arbeidsongeschiktheidsverkering per 1 april 2004 voort te zetten. 2.8 Bij brief van 5 april 2004 heeft [mw. A.] namens UWV [appellant] , voor zover hier relevant, bericht als volgt. “Op dit moment heeft u recht op een wajong-uitkering, die gebaseerd is op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering loopt af op 1 april 2004. U heeft een voortzetting van uw uitkering aangevraagd. Uw uitkering wordt per 1 april 2004 voortgezet, voor een periode van vijf jaar en loopt daarmee tot 1 april 2009, tenzij uw uitkering binnen deze periode op grond van de daarvoor geldende voorwaarden gewijzigd moet worden of als u niet meer aan de voorwaarden voor het recht op uitkering voldoet. (…)” 2.9 De Wajong-uitkering per 1 april 2004 is door UWV maandelijks uitbetaald, zij het tijdelijk onderbroken in 2005 in verband met een detentie van [appellant] . Ziektewet-uitkering 2.10 In mei 2004 is op naam van [appellant] een zogenaamde Eigen verklaring Ziektewet opgemaakt, gedateerd op 18-05-2004, blijkens stempel binnengekomen op 25 mei 2004, waarop als eerste ziektedag zowel 05-01-2004 (getypt) als 3-01-2004 (handgeschreven) staat vermeld. Bij brief van 9 juni 2004 heeft UWV aan [appellant] het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld: “Wij ontvingen een melding van uw arbeidsongeschiktheid. Wij zullen uw rechten op grond van de Ziektewet beoordelen om te weten of u uitkering kunt krijgen van UWV. Daartoe hebben wij een onderzoek ingesteld. Zodra het resultaat van het onderzoek bekend is, zullen wij u hierover informeren. Als wij geen uitkering gaan betalen, krijgt u een beschikking waar u eventueel bezwaar tegen kunt maken.” 2.11 Bij brief van 5 juli 2004 heeft UWV aan [appellant] het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld: “U bent op 28-6-2004 op mijn spreekuur geweest. Ik heb u toen verteld dat we zonder een kopie van een geldig legitimatiebewijs uw aanspraak op een ziektewetuitkering niet verder kunnen afhandelen. Ik verzoek u dan ook contact met mij op te nemen om een afspraak te maken om een geldig legitimatie te tonen.” 2.12 Bij besluit van 27 augustus 2004 heeft UWV de uitkering op grond van de Ziektewet beëindigd. Deze beslissing luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “U bent op en na 30-09-04 niet (meer) wegens ziekte ongeschikt tot het verrichten van uw eigen werksoort als laadschopmachinist. Daarbij is het volgende overwogen: U bent weer dermate hersteld dat de nog resterende beperkingen niet meer belemmerend zijn voor het verrichten van uw functie. (…) Een en ander is met u besproken op mijn spreekuur van 27-08-04. U heeft daarom met ingang van 30-09-04 geen recht (meer) op ziekengeld.” 2.13 In maart 2009 heeft UWV aan [appellant] uitkeringen krachtens de Ziektewet (hierna: ZW-uitkering) nabetaald over de periode vanaf 5 januari 2004 tot 1 oktober 2005, waarmee de Wajong-uitkering werden aangevuld tot 70% van zijn laatstverdiende loon. In 2010 heeft UWV de wettelijke rente over deze ZW-uitkering uitbetaald. Werkloosheidswet-uitkering 2.14 Bij brief van 24 oktober 2005 heeft UWV aan [appellant] het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld: “U hebt zich op 20-10-2005 bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) gemeld om in aanmerking te komen voor een werkloosheidsuitkering. Om dit recht te kunnen beoordelen, moet u de volgende formulieren (laten) invullen. (…)” 2.15 Bij besluit van 31 oktober 2005 heeft UWV de uitkeringen krachtens de Werkloosheidwet (hierna: WW-uitkering) geweigerd vanwege de reeds aan [appellant] toegekende Wajong-uitkering. Met deze beslissing is UWV, zoals zij zichzelf later ook heeft gerealiseerd, voorbijgegaan aan het feit dat een Wajong gerechtigde die werkloos wordt, recht heeft op 70% van het laatstgenoten loon en aldus recht heeft op een partiële WW-uitkering die de Wajong-uitkering aanvult tot het niveau van 70% van het laatstgenoten loon. 2.16 [appellant] heeft binnen de daarvoor geldende termijn geen bezwaar gemaakt tegen de weigering van UWV om hem een WW-uitkering toe te kennen. Desondanks heeft UWV begin 2009 aan [appellant] (partiële) WW-uitkeringen toegekend en nabetaald over de periode vanaf 1 oktober 2004 tot 31 maart 2006. In 2010 heeft UWV de wettelijke rente over deze WW-uitkering uitbetaald. 2.17 Bij brief van 5 september 2007 heeft [de heer L.] , arbeidsdeskundige, namens UWV het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld aan [appellant] : “Over een periode van ruim een jaar, hebben wij een paar keer contact gehad, om een UWV re-integratie traject naar een zelfstandige vestiging te bespreken. Ik heb u een aantal aanwijzingen gegeven die vooraf gaan aan een eventueel traject. Ondanks mijn herhaalde aanwijzingen, is er geen vooruitgang in uw concrete handelen te zien geweest. Eerder hebt u een re-integratie traject gevolgd in een richting (chauffeur) waarvoor nog steeds een redelijk tot goed arbeidsmarktperspectief bestaat. Gezien het bovenstaande zien wij geen reden u in aanmerking te laten komen voor een nieuw re-integratie traject.” 3Beoordeling 3.1 [appellant] vordert veroordeling van UWV tot vergoeding van materiele en immateriële schade die hij stelt te hebben geleden en te lijden, nader op te maken bij staat, alsook tot betaling van een bedrag van € 10.000,-- als voorschot op de gestelde immateriële schade. Aan deze vordering legt hij ten grondslag dat UWV onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld doordat UWV haar zorgplicht jegens hem niet is nagekomen. Hiertoe voert [appellant] aan dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.