← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2015:3038

beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.163.940/01 GDW nummer eerste aanleg : 651.2014 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 21 juli 2015 inzake [klager] , wonend te [woonplaats] , appellant, tegen [gerechtsdeurwaarder] , gerechtsdeurwaarder te [woonplaats] , geïntimeerde, gemachtigde: mr. [X] . 1Het geding in hoger beroep 1.

  1. Appellant (hierna: klager) heeft op 30 januari 2015 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 19 december 2014 (ECLI:NL:TGDKG:2014:229), aan partijen verzonden op 2 januari
  2. 1.
  3. De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van klager tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer van 6 mei 2014, waarbij de (plaatsvervangend-)voorzitter de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, ongegrond verklaard. 1.
  4. De gerechtsdeurwaarder heeft op 5 maart 2015 een verweerschrift bij het hof ingediend. 1.
  5. De zaak is, voor wat betreft de ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 25 juni
  6. Klager is verschenen en heeft het woord gevoerd. 2Stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3Ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep 3.
  7. Vooropgesteld wordt dat uit artikel 39 van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) – kort weergegeven voor zover hier van belang – volgt dat de (plaatsvervangend) voorzitter klachten die naar zijn oordeel kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond dan wel van onvoldoende gewicht zijn, kan afwijzen. Tegen een dergelijke beschikking kan verzet worden gedaan bij de kamer. Tegen de beslissing van de kamer dat het verzet ongegrond is, staat geen rechtsmiddel open. Dit laatste is ook vermeld onder de beslissing waarvan beroep. 3.
  8. Nu niet is gebleken van schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde dan wel van andere gronden die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen, is er geen reden om van het in artikel 39 lid 4 Gdw opgenomen rechtsmiddelenverbod af te wijken. Hetgeen klager in zijn beroepschrift en ter zitting heeft betoogd – kort gezegd strijdigheid van artikel 39 Gdw met de Grondwet en/of het EVRM – geeft geen aanleiding anders te oordelen. Het is de (tucht-)rechter ingevolge artikel 120 Grondwet niet toegestaan de bepalingen van de Gerechtsdeurwaarderswet aan de Grondwet te toetsen en nu klager niet aannemelijk heeft gemaakt op welke gronden artikel 39 Gdw in strijd zou zijn met het EVRM, gaat het hof reeds om die reden aan de stellingen van klager voorbij. 3.
  9. Gelet op het hiervoor overwogene, kan klager niet in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 19 december 2014 worden ontvangen. 4Beslissing Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015 door de rolraadsheer.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.