GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.138.445/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 1349651 DX EXPL 12-184 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 augustus 2015 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante, tevens (voorwaardelijk) incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, tevens (voorwaardelijk) incidenteel appellant, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd. Dexia is bij dagvaarding van 21 november 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 23 oktober 2013, gewezen tussen haar als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie en gedaagde in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in (voorwaardelijk) incidenteel appel, met producties; - memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel appel, met producties; - akte uitlating van [geïntimeerde] ; - antwoordakte van Dexia. Ten slotte is arrest gevraagd. Dexia heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, die van Dexia alsnog zal toewijzen, en [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen hij ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep van Dexia heeft ontvangen, met rente, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente. [geïntimeerde] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot verwerping daarvan en in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep zoals in zijn memorie is vermeld, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, met nakosten. In het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep heeft Dexia geconcludeerd tot verwerping daarvan, met beslissing over de proceskosten. [geïntimeerde] heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 1 mei 2013 onder 2 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. 3Beoordeling 3.1 Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. [geïntimeerde] heeft tijdig een opt-outverklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt. 3.2 Deze procedure ziet op door [geïntimeerde] met Dexia gesloten leaseovereenkomsten (genummerd 1 tot en met 11) waarvan de echtgenote van [geïntimeerde] , [echtgenote] (hierna: [echtgenote] ) de nietigheid heeft ingeroepen. Dexia beroept zich op verjaring van de rechtsvordering van [echtgenote] tot vernietiging daarvan. 3.3 De leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. [echtgenote] heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de leaseovereenkomsten te vernietigen, omdat zij voor het aangaan daarvan door haar echtgenoot geen schriftelijke toestemming heeft gegeven. 3.4 Uit artikel 3:52, eerste lid, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52, tweede lid, BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de betrokken echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rust de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot kan worden afgeleid. 3.5 Ten aanzien van de leaseovereenkomsten 1 tot en met 8, 10 en 11 heeft de kantonrechter ten gunste van Dexia een bewijsvermoeden ontleend aan het feit dat de betalingen op grond van deze leaseovereenkomsten werden verricht vanaf een en/of-rekening. [geïntimeerde] is tot het leveren van tegenbewijs toegelaten dat [echtgenote] eerder dan drie jaar vóór - respectievelijk - de vernietigingsbrieven van 26 januari 2004, 11 november 2004 en 1 september 2006 kennis heeft gekregen van de voornoemde leaseovereenkomsten. 3.6 Ten aanzien van leaseovereenkomst 9 heeft de kantonrechter Dexia in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat [echtgenote] eerder dan drie jaren vóór de vernietigingsbrief van 26 januari 2004 daadwerkelijk bekend was met deze leaseovereenkomst. 3.7 De kantonrechter heeft [geïntimeerde] en [echtgenote] en hun zoon [A] als getuigen gehoord. Ten aanzien van de leaseovereenkomsten 1, 3, 5 tot en met 8, 10 en 11 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] het hiervoor bedoelde bewijsvermoeden heeft weerlegd. Dit leidde de kantonrechter tot het oordeel dat [echtgenote] tijdig de nietigheid heeft ingeroepen van deze leaseovereenkomsten. Ten aanzien van de leaseovereenkomsten 2 en 4 heeft de kantonrechter geoordeeld dat het bewijs op verjaring slaagt, nu [echtgenote] deze leaseovereenkomsten eerst bij brief van 1 september 2006 heeft vernietigd. Ten aanzien van deze leaseovereenkomsten heeft de kantonrechter voorts geoordeeld dat de door [geïntimeerde] gestelde schade aan door hem betaalde termijnen/inleg geheel voor zijn rekening dient te blijven. Ten aanzien van leaseovereenkomst 9 heeft de kantonrechter geoordeeld dat Dexia er niet in geslaagd is bewijs te leveren van haar stelling dat de echtgenote van [geïntimeerde] eerder dan drie jaar voor de vernietigingsbrief van 11 november 2004 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van deze leaseovereenkomst. Met inachtneming van het vorengaande zijn de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en die van Dexia afgewezen. 3.8 Tegen laatstgenoemde beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia met haar grieven op in principaal appel en [geïntimeerde] in incidenteel appel. Voorts heeft [geïntimeerde] nog voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. De leaseovereenkomsten 1, 3, 5 tot en met 8, 10 en 11 3.9 Evenals de kantonrechter acht het hof het bewijsvermoeden dat is ontleend aan de en/of-rekening op grond van de afgelegde getuigenverklaringen weerlegd. De beide echtelieden hebben eenduidig verklaard over het moment - eind 2003 - waarop [geïntimeerde] , met zoveel woorden, [echtgenote] heeft geïnformeerd over de leaseovereenkomsten die hij was aangegaan. Voorts hebben zij beiden verklaard dat [echtgenote] voor het eerst op de hoogte is geraakt van het bestaan van enige leaseovereenkomst door wat zij heeft opgevangen uit een gesprek tussen [geïntimeerde] en hun zoon, begin
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.