Gerechtshof Amsterdam – ECLI:NL:GHAMS:2015:3434
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 14/00747 6 augustus 2015 uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur, tegen de uitspraak van 1 september 2014 in de zaak met kenmerk HAA 13/3224 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen [X] te [Z] , belanghebbende,gemachtigde: mr. J.H.J. Borsboom (Ernst & Young Belastingadviseurs) te Amsterdam, en de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 18 januari 2013 aan belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (Ib/Ph) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 93.271 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 86.473.
1.2.
Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 1 juli 2013, de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Bij uitspraak van 1 september 2014 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.597 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 95.549, met dienovereenkomstige vermindering van heffingsrente.
1.4.
Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 3 oktober 2014 en aangevuld bij brief van 5 november 2014. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten 2.1.1. De rechtbank heeft in de onderdelen 1 tot en met 10 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’. “1. Eiser is op huwelijkse voorwaarden gehuwd met zijn echtgenote. Eiser en zijn echtgenote hebben twee kinderen, een dochter en een zoon.
De hoogte van de canon staat vast tot de dag waarop vijfentwintig jaren na heden zijn verstreken. De herziening van de hoogte van de canon wordt in onderling overleg vastgesteld onder overeenkomstige toepassing van het hierna onder artikel 7 punt 9 lid b bepaalde.
G. Bepalingen voortdurend zelfstandig recht van opstal Artikel 7 Partijen zijn overeengekomen dat voor het hiervoor voorbehouden voortdurend zelfstandige recht van opstal gelden de volgende voorwaarden en bedingen:
De opzegging moet op straffe van nietigheid binnen acht dagen worden betekend aan degenen die als beperkt gerechtigde of beslaglegger op het recht van erfpacht/opstal in de openbare registers staan ingeschreven.
De eigenaar van de grond stelt daarbij tevens de dag vast, waarop de rechten geëindigd zullen zijn en de grond en de opstallen te zijner vrije beschikking moeten worden gesteld, welke dag ten minste één maand na de dagtekening van het exploot zal liggen. b. De eigenaar van de grond en de opstalhouder/erfpachter kunnen bij notariële akte, gevolgd door inschrijving van een afschrift of uittreksel van die akte in de openbare registers, afstand doen van het recht van opstal en voormeld recht van erfpacht.
9.a. De opstalhouder heeft recht op vergoeding van de waarde van de ten tijde van de beëindiging nog aanwezige opstallen, voor zover deze door hemzelf of een rechtsvoorganger zijn gesticht. Op de vergoeding komt in mindering hetgeen de opstalhouder aan de eigenaar van de grond uit welke hoofde dan ook eventueel nog dient te voldoen, de kosten daaronder begrepen. b. De waarde van de opstallen wordt in onderling overleg vastgesteld door de eigenaar van de grond en de opstalhouder. Indien zij daarover in onderling overleg geen overeenstemming kunnen bereiken, vindt deze vaststelling plaats door een deskundige. Deze deskundige wordt in gemeenschappelijk overleg door de eigenaar van de grond en de opstalhouder aangewezen. Indien zij ook hieromtrent geen overeenstemming kunnen bereiken, wijst ieder één deskundige aan. Beide aldus aangewezen deskundigen wijzen vervolgens samen een derde deskundige aan. (…) d. De door de eigenaar van de grond voor de opstallen te betalen vergoeding zal door deze moeten worden voldaan binnen één maand nadat daarover overeenstemming bestaat dan wel het taxatierapport door de deskundige(n) is uitgebracht, doch niet voordat het recht van opstal daadwerkelijk is geëindigd.”
Behoudens hetgeen hierna onder 2.1.2 is vermeld, zijn tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten in hoger beroep geen bezwaren naar voren gebracht. Het Hof zal ook uitgaan van die feiten.
2.1.2. De inspecteur heeft gesteld dat de rechtbank in haar weergave van de akte van levering (uitspraak rechtbank onder 4; hierna: de akte van levering) ten onrechte artikel 8 niet heeft opgenomen. In deze bepaling is het volgende vermeld: “Onherroepelijke volmacht Artikel 81. Koper geeft bij dezen een onherroepelijke volmacht aan verkoper, met het recht van substitutie, om op naam van koper, desgewenst te verrichten een zodanige verkoop en levering op gebruikelijke condities dat de volle eigendom van onderwerpelijk registergoed komt te berusten bij een derde of hemzelve.2. Deze volmacht vormt een onverbrekelijk bestanddeel van deze overeenkomst en strekt uitsluitend in het belang van verkoper. Uit dit belang volgt dat de volmacht niet zal eindigen door het overlijden of de onder curatelestelling, alsmede niet door de herroeping op welke wijze dan ook door degene die de volmacht heeft verleend.”
2.2.1. Aan de hiervoor vermelde feiten voegt het Hof de volgende feiten toe.
2.2.2. In het door de rechtbank in onderdeel 5 vermelde taxatierapport van de taxatie van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) van 13 augustus 2007 van de Belastingdienst/Amsterdam in opdracht van de Belastingdienst/ Holland-Midden/kantoor Hoofddorp is onder meer het volgende vermeld: “Reden voor taxatie: schenking”
2.2.3. In een brief van de Belastingdienst Rijnmond/kantoor Rotterdam van 5 oktober 2007 aan de notaris van belanghebbende is onder meer het volgende vermeld: “Ik deel u mee dat de Belastingdienst Holland Midden/kantoor Haarlem bevoegd is om de door u ingediende successieaangifte te behandelen. De voornoemde Belastingdienst heeft het Specialistenteam Successie en Schenking te Rotterdam gemachtigd om de behandeling van de successieaangifte over te nemen. De aanslag successierecht zult u ontvangen van de Belastingdienst Holland Midden/kantoor Haarlem.”
2.2.4. In het beroepschrift is vermeld dat de Belastingdienst Hoofddorp kort na het opleggen van aanslagen schenkingsrecht door de Belastingdienst Holland-Midden/kantoor Amstelveen (postadres Haarlem) de aangifte Ib/Ph 2006 is gaan beoordelen en dat de eigen woning in dat kader geen aanleiding heeft gegeven tot vragen of een correctie. Blijkens een tot de stukken behorende kopie van de aangifte Ib/Ph 2006 is daarin als kosten eigen woning geen aftrek erfpachtcanon verantwoord.
2.2.5. In januari 2009 heeft belanghebbende de aangifte Ib/Ph 2007 ingediend. Daarin was een aftrekpost opgenomen van € 45.000 ter zake van in 2007 betaalde erfpachtcanon. Voor het jaar 2007 is deze canon in aftrek aanvaard. De definitieve aanslag voor dat jaar is gedagtekend 11 september 2009.
2.2.6. In de aangifte Ib/Ph 2008, ingediend in oktober 2009, van belanghebbende is als inkomen uit eigen woning een bedrag groot -/- € 50.674 opgenomen. Dit bedrag is als volgt gespecificeerd:
Forfait € 5.670Rente lening van € 226.890 -/- 11.344Erfpachtcanon -/- 45.000 -/- € 50.674 Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 42.597 en het aangegeven belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedraagt € 95.549.
2.2.7. Evenals de aanslag Ib/Ph 2008 zijn de aanslagen Ib/Ph 2006 en 2007 opgelegd door of namens het hoofd van de Belastingdienst Holland-Midden/kantoor Hoofddorp.
3 3. Geschil in hoger beroep 3.1.
Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of ter zake van de woning van belanghebbende de eigenwoningregeling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) van toepassing is en – indien dat het geval is – of de door belanghebbende aan zijn kinderen betaalde erfpachtcanon van € 45.000 aftrekbaar is als kosten met betrekking tot een eigen woning.
3.2.
Tevens is in geschil of de inspecteur door de aftrek van de erfpachtcanon niet toe te staan het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.
4Beoordeling van het geschil Is de eigenwoningregeling van toepassing?
4.1.
Over het van toepassing zijn van de eigenwoningregeling heeft de rechtbank het volgende overwogen: “14. Partijen houdt in de eerste plaats verdeeld het antwoord op de vraag of eisers woning voor de toepasselijkheid van de afdeling 3.6 van de Wet IB 2001 is aan te merken als ‘eigen woning’.
4.2.
Volgens de inspecteur heeft de rechtbank een te ruime uitleg gegeven aan het ‘grotendeelscriterium’ van artikel 3.111, eerste lid, onderdeel a, van de Wet. De inspecteur wijst in dit verband op het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 4 maart 1999, nr. DB99/669M, BNB 1999/183, omdat daarin de in art. 3.111, eerste lid, van de Wet bedoelde waardeverandering als het verschil tussen door een makelaar of beëdigd taxateur vast te stellen waarde bij aankoop en waarde bij verkoop is gedefinieerd. Daarnaast wijst de inspecteur op het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 24 november 2009, nr. CPP2009/2342M, Stcrt. 2 december 2009, nr. 18.386, omdat daarin is bepaald dat de eis dat er voldoende economisch belang moet bestaan voor toepassing van de eigenwoningregeling inhoudt dat de koper op elk moment vanaf de aankoop van de woning een belang moet hebben van ten minste 50% bij de waardeontwikkeling van de woning. De inspecteur stelt dat aan het grotendeelscriterium niet is voldaan, omdat het aan de houder van het recht van opstal en de eigenaar van de grond is overgelaten om de waarde van de opstal bij beëindiging van het recht van opstal in onderling overleg vast te stellen (artikel 7, negende lid, onderdeel b, akte van levering).
4.3.
Belanghebbende stelt dat met artikel 7, negende lid, akte van levering niet is beoogd af te wijken van de waarde in het economische verkeer en dat daarbij niet is uitgesloten dat bij de vaststelling van die waarde een deskundige wordt ingeschakeld. Belanghebbende hand-haaft zijn standpunt dat de waardeontwikkeling van zijn woning (‘via’ het recht van opstal) hem sedert de verwerving daarvan in 1977, bij voortduring, voor 100% aangaat.
4.4.1.
Het Hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en maakt dit tot het zijne. Hetgeen de inspecteur ter zake van het van toepassing zijn van de eigenwoningregeling naar voren heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij gaat het Hof ervan uit dat de houder van het opstalrecht en de eigenaar van de grond bij beëindiging van het opstalrecht zich bij de bepaling van de te vergoeden waarde van de opstal als zakelijke partijen ten opzichte van elkaar zullen gedragen. Dit sluit niet uit dat de vergoeding in onderling overleg wordt vastgesteld, maar dat houdt ook in, zoals vermeld in artikel 7, negende lid, van de akte van levering, dat vaststelling van de te vergoeden waarde door een deskundige geschiedt, indien dat in onderling overleg niet mogelijk blijkt te zijn. Deze in de akte van levering voorziene gang van zaken wijkt niet wezenlijk af van hetgeen hieromtrent in artikel 5:99, eerste lid, BW (dat in artikel 5:105, derde lid, BW van overeenkomstige toepassing is verklaard met betrekking tot het recht van opstal) is bepaald, en houdt, anders dan de inspecteur heeft gesteld, niet in dat niet aan het grotendeelscriterium van art. 3.111, eerste lid, van de Wet is voldaan.
4.4.2.
Het gevolg hiervan is dat de aangifte Ib/Ph 2008 van belanghebbende ter zake van de eigen woning kan worden gevolgd, behoudens hetgeen hierna omtrent de aftrek van de erfpachtcanon wordt overwogen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel behoeft geen behandeling, nu dat – naar belanghebbende ter zitting van het Hof desgevraagd uitdrukkelijk heeft bevestigd – ook in hoger beroep is beperkt tot de kwalificatie van zijn woning als ‘eigen woning’.
Is de erfpachtcanon aftrekbaar?
4.5.
Over de aftrekbaarheid van de erfpachtcanon heeft de rechtbank het volgende overwogen: “19. Verweerder neemt subsidiair het standpunt in dat de door eiser betaalde erfpachtcanon niet dan wel niet geheel voor aftrek in aanmerking komt.
4.6.
In hoger beroep heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat doel en strekking van artikel 3.120, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zich in het onderhavige geval verzetten tegen de aftrek van de canon. In dit verband heeft de inspecteur verwezen naar het arrest HR 10 oktober 2014, nr. 13/02758, ECLI:NL:HR:2014:2927, BNB 2015/38 (hierna ook: het arrest BNB 2015/38). Daarbij dient volgens de inspecteur in aanmerking te worden genomen dat belanghebbende in het onderhavige geval een deel van de geldmiddelen die in de (meer)waarde van de woning besloten liggen heeft ‘vrijgespeeld’, terwijl dat deel niet aan de woning is besteed, maar door belanghebbende aan zijn twee kinderen is geschonken.
4.7.
Volgens belanghebbende is het onderhavige geval niet te vergelijken met dat van het arrest BNB 2015/38, omdat de canon in het onderhavige geval – en anders dan in het arrest – juist wel in de op grond van artikel 3.120, eerste lid, onderdeel b, van de Wet vereiste betrekking staat tot de eigen woning. De door belanghebbende betaalde canon heeft volgens hem betrekking op het houden en gebruiken van de eigen woning.In dit verband wijst belanghebbende voorts op de analogie met een annuïteitenlening waarop het arrest BNB 2015/38 mede is gebaseerd en voor welke analogie het onderhavige geval geen grond biedt.
4.8.1.
Bij de beoordeling van de vraag of de canon aftrekbaar is neemt het Hof de wetsge-schiedenis die in 1970 heeft geleid tot het handhaven van de aftrek van een erfpachtcanon als kosten van de eigen woning als uitgangspunt. Daaruit blijkt dat de aftrek als kosten van de eigen woning van een erfpachtcanon toen niet zonder meer vanzelf sprak. Het in 1970 bij de Tweede Kamer ingediende voorstel van wet Wijziging van de inkomstenbelasting en van de loonbelasting (Kamerstukken II 1969/70, nr. 10.790, nrs. 1-2 e.v.) hield onder meer in dat een erfpachtcanon niet meer afzonderlijk als kosten van een eigen woning aftrekbaar zou zijn. Daar was wat voor te zeggen, in zoverre een erfpachtcanon ook kan worden gezien als een vergoeding voor de zakenrechtelijke terbeschikkingstelling van onroerend goed dan wel op één lijn kan worden gesteld met (andere) zakelijke lasten op onroerend goed, zoals belastingen.
Diverse leden van de Tweede Kamer stelden zich echter op het standpunt dat de “eigenaar-bewoner” van een huis op in erfpacht uitgegeven grond economisch (ongeveer) in dezelfde positie verkeert als een huiseigenaar die voor de betaling van zijn woning een (hypothecaire) geldlening heeft opgenomen (Kamerstukken II 1970/71, 10.790, nr. 7, p. 24 r.k.) en de regering toonde daarvoor begrip (Kamerstukken II 1970/71, 10.790, nr. 8, p. 32 r.k.). De indieners van het amendement dat – door middel van een wijziging van het door de regering voorgestelde artikel 42a, eerste lid, onderdeel b, Wet op de inkomstenbelasting 1964 – in 1970 heeft geleid tot handhaving van de aftrek van erfpachtcanon zagen erfpacht als een middel tot kredietverschaffing.
Daarvan uitgaande zou de canon in aftrek moeten kunnen worden gebracht, gelijk ook de rente van een schuld, en zou de waarde van de woning voor de toepassing van het huurwaardeforfait moeten worden bepaald als ware deze op eigen grond gebouwd (Kamerstukken II 1970/71, 10.790, nr. 32).
4.8.2.
De strekking van art. 3.120, eerste lid, onderdeel b, van de Wet is voor wat betreft de aftrekbaarheid van een erfpachtcanon gelijk aan die van artikel 42a Wet op de inkomstenbelasting 1964.
4.8.3.
Naar het oordeel van het Hof impliceert de vergelijking – in economische zin – van een erfpachtcanon met een rente ter financiering van een eigen woning dat er sprake moet zijn van een direct verband tussen de canon en de aankoop (dan wel het onderhoud of de verbetering) van een eigen woning. Het wettelijke systeem met betrekking tot de eigen woning komt immers in grote lijnen erop neer dat alleen de kosten die samenhangen met de financiering van de aankoop van die eigen woning in aftrek worden toegelaten (verg. het arrest BNB 2015/38, r.o. 2.4.5). Dit betekent dat ter zake van de aftrekbaarheid van een erfpachtcanon de door de wetgever bedoelde analogie met de financieringsrente van een eigen woning goed in het oog moet worden gehouden. Een erfpachtcanon is, met andere woorden, aftrekbaar op vergelijkbare wijze als die rente (verg. het arrest BNB 2015/38, r.o. 2.4.5).
4.8.4.
In het onderhavige geval, waarin belanghebbende reeds jaren eigenaar is van de woning, dringt (in de analogie die de wetgever voor ogen stond) de vergelijking zich op met de eigenaar van een eigen woning die (enige) jaren na aankoop de (hypothecaire) lening waarmee die woning is gefinancierd, verhoogt. Doet hij dat ter financiering van het onderhoud of de uitbreiding/verbetering van de eigen woning, dan is ook de rente over het bijgeleende bedrag aftrekbaar. Gebruikt hij de vrijgekomen middelen voor andere doeleinden, dan is die extra verschuldigde rente niet aftrekbaar.
In het onderhavige geval is naar ’s Hofs oordeel in economische zin sprake van de laatste situatie. Belanghebbende was volledig eigenaar van de eigen woning en was geen canon verschuldigd. Als gevolg van een transactie van belanghebbende met zijn kinderen is de grond in eigendom overgegaan naar die kinderen, heeft belanghebbende een recht van opstal en een recht van erfpacht verkregen, en is hij ter zake van het recht van erfpacht een canon aan de kinderen verschuldigd. Door middel van deze transacties heeft belanghebbende – de facto – de meerwaarde van die grond gerealiseerd. Die hogere ‘actuele’ waarde vormt tevens de grondslag voor de berekening van de canon. Het aldus vrijgekomen vermogen is echter niet besteed aan het onderhoud of een uitbreiding/verbetering van de eigen woning, maar aan een schenking ten gunste van de kinderen, door middel van het kwijtschelden van de door die kinderen verschuldigde koopsom van de grond. In een dergelijk geval kan de canon economisch niet met rente ter financiering van onderhoud of verbetering van de eigen woning worden gelijkgesteld. Evenmin kan de canon in het onderhavige geval economisch worden gelijkgesteld met rente ter zake van de financiering bij aankoop van een woning, aangezien zich zo’n aankoop niet heeft voorgedaan.
4.8.5.
Het hiervoor overwogene betekent dat de analogie tussen een canon en rente ter zake van de financiering van een eigen woning welke de wetgever in 1970 voor ogen stond, zich in een geval als het onderhavige niet heeft voorgedaan. Dat betekent dat de door belanghebbende aan zijn kinderen verschuldigde canon niet een canon is als bedoeld in artikel 3.120, eerste lid, onderdeel b, van de Wet. De canon is derhalve niet aftrekbaar.
Slotsom 4.9.1.
De slotsom is dat het hoger beroep gedeeltelijk (zie 4.8.5) gegrond is, dat het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning (‘box 1’) ad € 42.597 met € 45.000 dient te worden verhoogd tot € 87.597 en dat het aangegeven belastbare inkomen uit sparen en beleggen (‘box 3’) ad € 95.549 onveranderd blijft. Als gevolg van de verhoging van het box 1 inkomen wordt het drempelbedrag voor de persoonsgebonden aftrek eveneens verhoogd, hetgeen resulteert in een verdere verhoging van het box 1 inkomen met (1,65% x € 45.000 =) € 742.
Het voorgaande houdt in dat de aanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
4.9.2.
Op grond van het vorenoverwogene dient de uitspraak van de rechtbank te worden vernietigd en – doende wat de rechtbank had behoren te doen – dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
5Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot een kostenvergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan door mrs. E.F. Faase, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.S.H. Lange, als griffier. De beslissing is op 6 augustus 2015 in het openbaar uitgesproken.
Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door mr. H.E. Kostense Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.