parketnummer: 23-003177-13 datum uitspraak: 19 oktober 2015 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-046937-13 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij eenmaal of meermalen in of omstreeks de periode van 1 februari 2012 tot en met 14 februari 2012 te Amsterdam en/of Maarssen en/of Gorinchem, althans in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (telkens) een geldbedrag (tot een totaal van Euro 68.000), in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht (telkens) door middel van een valse sleutel, te weten door onbevoegd gebruik van de bankpas (ABN AMRO, rekeningnummer: [rekeningnummer]) met bijbehorende pincode (toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing ten aanzien van de straf komt dan de rechtbank. Bespreking van gevoerde bewijsverweren De raadsvrouw heeft primair betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten te komen. Daartoe heeft zij de betrouwbaarheid en bewijswaarde van de door de advocaat-generaal aangehaalde bewijsmiddelen sterk gerelativeerd, zakelijk weergegeven als volgt. Het kan zijn dat op de bij de stukken van het dossier gevoegde afdruk van een met behulp van een (pinautomaat-) camera vastgelegde beelden de rug van een hand van een man is te zien met daarop een bobbel, maar vergelijking met een eveneens bij die stukken gevoegde afbeelding van een hand van de verdachte wijst uit dat bij hem geen bobbel (maar wél een litteken) te zien is. De verklaring van mevrouw [slachtoffer 2], die melding maakt van herkenning op grond van een bobbel op de hand is voor het bewijs niet bruikbaar. De in die verklaring neergelegde herkenning van de verdachte heeft geen waarde, omdat niet valt in te zien hoe zij de verdachte (mede) kan hebben herkend aan diens neus, als die neus op de foto in het geheel niet zichtbaar is. Haar verklaring is bovendien onbetrouwbaar, omdat zij als ex-partner van de verdachte niet een objectieve getuige is. Op laatstbedoelde grond kan evenmin waarde worden gehecht aan haar herkenning van een stem, die op een geluidsdrager is opgenomen bij gelegenheid van een door een man met een medewerker van de bank gevoerd telefoongesprek. Waar het de door advocaat-generaal aangehaalde stemherkenningen betreft heeft overigens te gelden dat niet is gebleken dat degenen die stellen de stem van de verdachte te hebben herkend – de ex-partner en een politieambtenaar – ieder voor zich beschikken over voor een betrouwbare herkenning noodzakelijke deskundigheid. Nu vrijspraak dient te volgen dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat, omdat er slechts een foto is van één van de pintransacties, de diefstal van uitsluitend dit bedrag, namelijk €2000,00 bewezen kan worden verklaard. Het hof verwerpt de gevoerde verweren en overweegt daartoe als volgt. Het hof stelt voorop dat het enkele feit dat de even genoemde [slachtoffer 2] in het verleden met de verdachte een relatie heeft gehad niet meebrengt dat reeds daarom haar verklaring wegens de onbetrouwbaarheid daarvan niet voor de bewijslevering in aanmerking komt. Feiten of omstandigheden die overigens meebrengen dat het hof bij dat bewijsgebruik een bijzondere behoedzaamheid heeft te betrachten zijn niet gesteld noch aannemelijk geworden. Met betrekking tot de bewijswaarde van processen-verbaal waarin een stemherkenning is gerelateerd stelt het hof voorop, dat voor het kunnen herkennen van een stem geen bijzondere kennis of kunde nodig is. Hetgeen door getuigen – in casu: [slachtoffer 2] als ex-partner van de verdachte en een met het verhoor van de verdachte belaste politieambtenaar – over hun onderscheiden herkenningen in processen-verbaal is gerelateerd betreft mededelingen aangaande hun eigen waarneming en ondervinding. Daarbij komt, dat deze herkenningen verankering vinden, niet alleen over en weer, maar ook in de inhoud van de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen. De betwisting van de herkenning door [slachtoffer 2] van de verdachte aan de hand van beeldmateriaal – [slachtoffer 2] maakt gewag onder meer van herkenning aan de hand van een neus – berust kennelijk op verkeerde lezing van het dossier. Uit het van die herkenning opgemaakte proces-verbaal (proces-verbaal van 29 maart 2012, doorgenummerd blz. 12 e.v.) volgt, dat zij die waarneming niet heeft gedaan aan de hand van de door de raadsvrouw bedoelde enkele foto, maar aan de hand van aan haar getoonde, met behulp van een met een (pinautomaat-)camera vastgelegde bewegende beelden. Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat die herkenning niet controleerbaar is op de grond dat de van vastgelegde bewegende beelden gemaakte afdruk geen neus zichtbaar is, faalt het verweer eveneens. Immers, zoals overwogen is de herkenning de vrucht van haar waarneming van bewegende beelden, terwijl dié herkenning niet gemotiveerd is betwist. Het hof bezigt het proces-verbaal, voor zover inhoudend de herkenning van een hand van de verdachte op grond van een daarop aanwezige bobbel niet voor het bewijs, zodat dit onderdeel van het gevoerde verweer geen nadere beoordeling behoeft. Ten overvloede overweegt het hof dat het in de herkenning van de aan de verdachte toegeschreven hand op grond van een daarop waargenomen bobbel geen contra-indicatie ziet, te minder nu op of nabij de plaats van die bobbel door de verbalisant de aanwezigheid van een litteken is vastgesteld. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt, dat de verdachte verantwoordelijk is voor meer pintransacties en derhalve voor de diefstal van 68.000 euro. Daartoe overweegt het hof dat de verdachte in ieder geval op drie momenten contact heeft opgenomen met de ABN AMRO. Tijdens deze gesprekken was hij kennelijk in het bezit van de betaalpas en beschikte de verdachte over persoonlijke informatie over het slachtoffer [slachtoffer 2] en haar vader. Aangezien de verdachte op het moment van de gesprekken een relatie had met het slachtoffer [slachtoffer 2], moet het ervoor worden gehouden dat de verdachte toegang had tot de betaalpas en de daarop betrekkelijke gegevens en kennis droeg van de rekeninghouder betreffende persoonlijke informatie. Er is geen begin van een aanwijzing dat dit ook voor een ander zou hebben gegolden. Bewijsmiddelen Het hof neemt over uit het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep, de bewijsmiddelen 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.