beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER Zaaknummers: 200.135.666/01 OK (de zaak 01) en 200.135.666/02 OK (de zaak 02) beschikking van de Ondernemingskamer van 2 november 2015 inzake de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid ABVAKABO FNV, gevestigd te Zoetermeer, VERZOEKSTER in zaak 01 en zaak 02, advocaat: mr. A. van Deuzen, kantoorhoudende te Alkmaar, t e g e n 1. de stichting STICHTING MEAVITA NEDERLAND, gevestigd te Amersfoort, 2. de stichting STICHTING MEAVITAGROEP, gevestigd te ’s-Gravenhage, 3. de stichting STICHTING MEAVITA THUISZORG, gevestigd te ’s-Gravenhage, 4. de stichting STICHTING MEAVITA WOONZORG, gevestigd te ’s-Gravenhage, 5. de stichting STICHTING MEAVITA FLEXWERK, gevestigd te ’s-Gravenhage, 6. de stichting STICHTING MEAVITA DIENSTENCENTRUM, gevestigd te ’s-Gravenhage, 7. de stichting STICHTING MEAVITA VASTGOED, gevestigd te ’s-Gravenhage, 8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MEAVITA HULP B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, 9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EVITA PARTICULIERE ZORG B.V., gevestigd te Rotterdam, 10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MEAVITA SUPPORT SERVICES B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, 11. de stichting STICHTING THUISZORG GRONINGEN, gevestigd te Groningen, 12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid THUISHULPNEDERLAND.NL THUISZORG GRONINGEN B.V., gevestigd te Groningen, VERWEERSTERS in zaak 01, niet verschenen, e n t e g e n 13. de stichting STICHTING SENSIRE, gevestigd te Terborg, gemeente Oude IJsselstreek, VERWEERSTER in zaak 01, advocaat: mr. C.R. Huiskes, kantoorhoudende te Enschede, e n t e g e n 14. de stichting STICHTING VITRAS/CMD, gevestigd te Nieuwegein, VERWEERSTER in zaak 01, advocaat: mr. R.C. de Mol, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage, e n t e g e n 1Mr. Hendrik PASMAN, wonende te Utrecht, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Stichting Meavita Nederland, 2Mr. Willem Adriaan ENTZINGER, wonende te Paterswolde, gemeente Tynaarlo, 3. Mr. Pieter Johannis FOUSERT, wonende te Groningen, elk in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Stichting Thuiszorg Groningen en Thuishulp Nederland.nl Thuiszorg Groningen B.V, 4Mr. Caroline Ada DE WEERDT, wonende te Leiden, 5. Mr. Franciscus Jozef Hubert SOMERS, wonende te Zwammerdam, elk in de hoedanigheid van curator in het faillissement van Stichting Meavitagroep en verweersters sub 3 tot en met 10 voornoemd, BELANGHEBBENDEN in zaak 01, tevens VERZOEKERS in zaak 02, advocaat: mr. E.L. Zetteler, kantoorhoudende te Utrecht, e n t e g e n 6 [A] , wonende te [....] , BELANGHEBBENDE in zaak 01, tevens VERWEERDER in zaak 02, advocaat: mrs. M. Griffiths en D.G.J. Heems, kantoorhoudende te Amsterdam, 7 [B] , wonende te [....] , BELANGHEBBENDE in zaak 01, tevens VERWEERDER in zaak 02, advocaat: mr Y. Borrius, kantoorhoudende te Amsterdam, 8 [C] , wonende te [....] , 9. [D], wonende te [....] , 10. [E], wonende te [....] , 11. [F], wonende te [....] , 12. [G], wonende te [....] , 13. [H], wonende te [....] , 14. [J], wonende te [....] , BELANGHEBBENDEN in zaak 01 (partijen sub 8 tot en met 14), BELANGHEBBENDEN tevens VERWEERDERS in zaak 02 (partijen 8 tot en met 10, 13 en 14) in zaak 02, advocaten: mrs. M.W. Josephus Jitta en U.B. Verboom, kantoorhoudende te Amsterdam, 15 [K] , wonende te [....] , 16. [L], wonende te [....] , 17. [M], wonende te [....] , 18. [N], wonende te [....] , 19. [P], wonende te [....] , 20. [Q], wonende te [....] , 21. [R], wonende te [....] , BELANGHEBBENDEN sub 15 tot en met 21 in zaak 01, tevens VERWEERDERS in zaak 02, advocaten: mrs. M.W. Josephus Jitta en U.B. Verboom, kantoorhoudende te Amsterdam, 22 [S] , wonende te [....] , 23. [T], wonende te [....] , BELANGHEBBENDEN sub 22 en 23 in zaak 01, tevens VERWEERDERS in zaak 02, advocaat: mr. Ch. M. de Ruiter Kardol, kantoorhoudende te Amsterdam, 24 [U] , wonende te [....] , BELANGHEBBENDE in zaak 01, tevens VERWEERSTER in zaak 02, in persoon verschenen, 25 [V] , wonende te [....] , BELANGHEBBENDE in zaak 01, tevens VERWEERDER in zaak 02, niet verschenen, 26 [W] , laatst bekende woonplaats: [....] , BELANGHEBBENDE in zaak 01, tevens VERWEERDER in zaak 02, niet verschenen. 1Het verloop van het geding 1.1 De Ondernemingskamer zal partijen als volgt aanduiden: verzoekster: AAF verweerster sub 1 tot 1 januari 2007: S&TZG verweerster sub 1 vanaf 1 januari 2007: Meavita Nederland (in de citaten van het onderzoeksverslag ook: MNL); in voorkomende gevallen ook aangeduid als S&TZG/Meavita Nederland verweerster sub 2: Meavitagroep (in de citaten van het onderzoeksverslag ook: Meavita West) verweersters sub 2 tot en met 10: Meavitagroep c.s. (in de citaten van het onderzoeksverslag ook: Meavita West) verweerster sub 11: Thuiszorg Groningen verweersters sub 11 en 12: Thuiszorg Groningen c.s. verweersters sub 1 tot en met 12: Meavita c.s. verweeerster sub 13: Sensire verweerster sub 14: Vitras verweersters sub 1 tot en met 14: het Meavita concern belanghebbenden sub 1 tot en met 5: curatoren de natuurlijke personen: bij hun achternaam belanghebbenden sub 15 tot en met 21: [K] c.s. belanghebbenden sub 22 en 23: [S] c.s. belanghebbenden sub 6 tot en met 23: de groep bestuurders en commissarissen Voorts zal de Ondernemingskamer de volgende afkortingen en definities gebruiken, respectievelijk komen in de citaten uit het onderzoeksverslag de volgende afkortingen en definities voor: AC auditcommissie AO/IC Administratieve organisatie en interne controles AWBZ Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten CSZ College Sanering Zorginstellingen E&Y Ernst & Young Accountants LLP of rechtspersonen die met haar verbonden zijn HH product Hulp bij Huishouden (op drie niveaus: HH1, HH2 respectievelijk HH3) HV product Huishoudelijke Verzorging (op twee niveaus: HV1 en HV2) Impact Impact Solutions Netherlands B.V. MDC Stichting Meavita Dienstencentrum NZa Nederlandse Zorgautoriteit NVZD Vereniging van bestuurders in de zorg onderzoeksverslag het verslag van onderzoekers zoals dat ter griffie van de Ondernemingskamer is gedeponeerd (hierna 1.4) PwC PricewaterhouseCoopers Accountants N.V. of rechtspersonen die met haar verbonden zijn RvB raad van bestuur RvC raad van commissarissen RvT raad van toezicht Vita Plaza Vita Plaza B.V. WMO Wet maatschappelijke ondersteuning zelfevaluatie 2007 van de raad van commissarissen: samenvattend verslag van de evaluatie door de raad van commissarissen van Meavita Nederland van de werkzaamheden in het jaar 2007 van 4 februari 2008 (bijlage 3.2 bij het onderzoeksverslag) 1.2 De Ondernemingskamer heeft in de met deze zaak samenhangende zaak met rekestnummer 200.047.070/01 OK beschikkingen gegeven op 14 april 2010, 30 mei 2011, 9 juni 2011, 28 juni 2012, 27 juli 2012, 21 augustus 2013 en 14 november 2013. Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer in de eerste plaats naar die beschikkingen. 1.3 Bij de beschikking van 30 mei 2011 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Meavita c.s., Sensire en Vitras, over de periode 1 januari 2006 tot aan de datum van de surseances van Meavita c.s. en wat betreft Sensire en Vitras tot het moment in februari 2009 dat zij verzelfstandigd zijn. Voorts heeft de Ondernemingskamer bij die beschikking twee nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken personen benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en bepaald dat de kosten van het onderzoek ten laste van Meavita Nederland komen. Bij de beschikking van 9 juni 2011 heeft de Ondernemingskamer mr. C.M. Insinger MBA en mr. P.V. Eijsvoogel als onderzoekers aangewezen. 1.4 De onderzoekers hebben hun onderzoeksverslag op 20 augustus 2013 aan de Ondernemingskamer doen toekomen. Bij de beschikking van 21 augustus 2013 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het op die dag ter griffie neergelegde onderzoeksverslag tezamen met de bijlagen 1.1, 2.1 en 3.1 ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage liggen voor een ieder en dat de overige bijlagen ter inzage liggen voor belanghebbenden. De Ondernemingskamer heeft het voor een ieder ter inzage liggende deel van het onderzoeksverslag ook op www.rechtspraak.nl gepubliceerd, waar dit verslag thans kan worden geraadpleegd. 1.5 Bij de beschikking van 14 november 2013 heeft de Ondernemingskamer de vergoeding van de onderzoekers bepaald op € 1.000.000 (exclusief BTW). 1.6 AAF heeft bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 18 oktober 2013 (zaak 01 en zaak 02), de Ondernemingskamer verzocht de kosten van de procedure en de kosten van het onderzoek ten laste te brengen van "belanghebbenden", subsidiair ten laste van "de curatoren c.q. de failliete boedels" (zaak 02), en voorts om "wanbeleid van het ‘Meavita’ concern vast te stellen, waarbij de gevoegde belanghebbenden alsmede de heren [A] , [B] en [X] de hoofdrol gespeeld hebben" (zaak 01). 1.7 AAF heeft bij brief, eveneens (per fax) ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 18 oktober 2013 (en op 21 oktober 2013 per post) (zaak 01 en zaak 02), een productie vervangen, haar verzoek ten aanzien van de kosten van de procedure en het onderzoek gehandhaafd en het verzoek voor het overige gewijzigd, zodat dat thans aldus luidt: "Abvakabo FNV handhaaft haar verzoek en verzoekt de Ondernemingskamer dan ook vast te stellen dat sprake is (geweest) van wanbeleid bij en van het Meavita concern (waaronder moet worden verstaan alle rechtspersonen die genoemd worden in de beschikking van de Ondernemingskamer van 30 mei 2011), waarbij de Ondernemingskamer tevens vaststelt dat de Raad van Bestuur van Meavita Groep en/of S&TZG en/of Meavita Nederland, in het bijzonder de bestuurders [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] en/of [G] en de Raad van Toezicht van Meavita West en/of de Raad van Commissarissen van S&TZG en/of Meavita Nederland, in het bijzonder de commissarissen [L] en/of [T] en/of [N] en/of [P] en/of [S] en/of [Q] en/of [K] en/of [R] en/of [M] voor het wanbeleid verantwoordelijk zijn te achten, met vernietiging van alle besluiten van de Raad van Toezicht van Meavita West en/of de Raad van Commissarissen van S&TZG en/of Meavita Nederland tot decharge c.q. kwijting van alle hiervoor genoemde bestuurders." Waar de Ondernemingskamer in het navolgende verwijst naar het verzoekschrift wordt daarin de wijziging geacht te zijn verdisconteerd, tenzij uitdrukkelijk of uit de context het tegendeel blijkt. 1.8 Curatoren hebben bij verweerschrift ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 3 februari 2014, het verzoek van AAF ondersteund (zaak 01). Voorts hebben zij in die zaak de Ondernemingskamer verzocht wanbeleid van de door hen genoemde "entiteiten van het Meavita concern" vast te stellen ten aanzien van een aantal hierna op te sommen onderdelen (A tot en met M) en vast te stellen dat uit het onderzoeksverslag, uit het verzoekschrift van AAF en uit het verweerschrift van curatoren blijkt dat (de afzonderlijke leden van) de raden van bestuur, raden van commissarissen en raden van toezicht voor dat wanbeleid verantwoordelijk waren. Curatoren hebben de Ondernemingskamer verder verzocht (zaak 02) te beslissen dat de kosten van het onderzoek – hoofdelijk – ten laste worden gebracht van – naar de Ondernemingskamer begrijpt uit 11.5 in samenhang met 2.2 van dit verweerschrift – [A] , [B] , [C] , [D] , [E] , [T] , [L] , [N] , [P] , [S] , [Q] , [K] , [R] , [M] , [V] , [H] , [W] , [U] en/of [J] , althans ten laste van de door AAF genoemde personen, zoals hiervoor weergegeven onder 1.7. 1.9 Sensire heeft bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 4 februari 2014 (zaak 01), de Ondernemingskamer verzocht de verzoeken van AAF en curatoren – voor zover zij zich ook richten tegen Sensire – af te wijzen. 1.10 Vitras heeft bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 4 februari 2014 (zaak 01), de Ondernemingskamer verzocht het verzoek tot vaststelling van wanbeleid van Vitras af te wijzen en zich ten aanzien van de overige verzoeken van AAF gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer. 1.11 De groep bestuurders en commissarissen hebben bij "algemeen verweerschrift", ondertekend door mrs. Borrius, Griffiths, De Ruiter Kardol en Josephus Jitta, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer per e-mail op 1 april 2014 en per post op 2 april 2014 (zaak 01 en zaak 02, verder: algemeen verweerschrift), gezamenlijk verweer gevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat AAF en curatoren in hun verzoeken niet ontvankelijk zijn althans dat de Ondernemingskamer de verzoeken van AAF en curatoren afwijst met veroordeling van hen in de kosten van het geding. 1.12 [S] c.s. hebben bij "individueel verweerschrift", ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 1 april 2014 (zaak 01 en zaak 02), de Ondernemingskamer verzocht de verzoeken tot het vaststellen van wanbeleid “in de periode januari 2006, dan wel mei 2006, tot en met december 2006 bij S&TZG” en het treffen van voorzieningen af te wijzen met veroordeling van AAF en curatoren in de kosten van het geding. 1.13 [K] c.s. hebben bij "individueel verweerschrift", ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer per e-mail op 1 april 2014 en per post op 2 april 2014 (zaak 01 en zaak 02), de Ondernemingskamer verzocht AAF en curatoren in hun verzoeken niet ontvankelijk te verklaren, althans die verzoeken af te wijzen, met hoofdelijke veroordeling van hen in de kosten van het geding. 1.14 [A] heeft bij "individueel verweerschrift", ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 2 april 2014 (zaak 01 en zaak 02), de Ondernemingskamer verzocht AAF en curatoren in hun verzoeken niet ontvankelijk te verklaren, althans die verzoeken af te wijzen, en "ieder afzonderlijk te veroordelen voor het geheel van de kosten aan de zijde van [A] en (subsidiair) hoofdelijk". 1.15 [B] heeft bij "individueel verweerschrift", ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 2 april 2014 (zaak 01 en zaak 02), de Ondernemingskamer verzocht AAF en curatoren in hun verzoeken niet ontvankelijk te verklaren, althans die verzoeken af te wijzen, met hoofdelijke veroordeling van hen in de kosten van het geding. 1.16 Na onderling overleg tussen partijen en met instemming van de Ondernemingskamer hebben achtereenvolgens curatoren (ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 27 mei 2014, zaak 01 en zaak 02) en AAF (ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer per e-mail op 28 mei 2014 en per post op 2 juni 2014, zaak 01 en zaak 02) een nadere schriftelijke reactie ingediend. Daarin hebben zij hun verzoeken gehandhaafd. 1.17 De verzoeken (zaak 01 en zaak 02) zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 4 en 5 juni 2014. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de door hen vertegenwoordigde partijen nader toegelicht. Telkens hebben onderscheidenlijk mr. van Deuzen (ook repliek), mr. Zetteler (ook dupliek), mr. Huiskes, mr. Griffiths (algemeen en bijzonder deel), mr. Josephus Jitta (algemeen en bijzonder deel, alsmede dupliek) en mr. Borrius (algemeen en bijzonder deel, alsmede dupliek) vooraf aantekeningen van hun toelichting aan de Ondernemingskamer en de andere partijen overgelegd. De Ondernemingskamer neemt deze aantekeningen slechts in aanmerking voor zover zij zijn uitgesproken. Mrs. De Mol en De Ruiter Kardol hebben zich tot enkele opmerkingen beperkt. Mrs. Van Deuzen, Zetteler en Josephus Jitta hebben nadere producties overgelegd. Partijen hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord. [KK] (voorzitter van AAF), [K] , [C] , [A] , [B] , [F] en [G] hebben een persoonlijke toelichting gegeven, met uitzondering van [C] en [KK] telkens aan de hand van aantekeningen die zij (sommigen, met instemming van de andere partijen: naderhand) aan de Ondernemingskamer hebben overgelegd. 1.18 Tenzij uit de context of uitdrukkelijk het tegendeel blijkt, heeft het hierna overwogene betrekking op zowel zaak 01 als zaak 02. 2De feiten Gelet op het onderzoeksverslag en de stellingen van partijen over en weer gaat de Ondernemingskamer uit van de volgende – in zoverre niet of onvoldoende bestreden – feiten. 2.1 De hierna te noemen, bij onderscheiden fusies betrokken rechtspersonen houden zich bezig/hebben zich beziggehouden met de verlening van zorg en thuiszorg ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en, vanaf 2007, ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). 2.2 Op 1 januari 2003 is door fusie een groep rechtspersonen gevormd, aan het hoofd waarvan Meavitagroep stond. Tot die groep rechtspersonen behoorden onder meer Meavitagroep c.s. De groep was actief in de regio Haaglanden. 2.3 In juni 2005 zijn Thuiszorg Groningen, actief in de regio Groningen, en Sensire, actief in Gelderland (Achterhoek), bestuurlijk gefuseerd. Elk van beide rechtspersonen stond aan het hoofd van een groep rechtspersonen. Met het oog op deze fusie is toen S&TZG opgericht. Deze laatste rechtspersoon kwam aan het hoofd van de gefuseerde groep te staan. Tussen de besturen van S&TZG, Thuiszorg Groningen en Sensire bestond vanaf dat moment een personele unie. 2.4 Vanaf december 2005 behoorde Vitras, actief in de regio Utrecht, tot de groep aan het hoofd waarvan Sensire stond. 2.5 Eind 2005 bedroeg het opgetelde eigen vermogen (inclusief de egalisatierekening) van Meavitagroep en S&TZG (de partners bij de aanstonds te noemen fusie) circa € 69 miljoen. 2.6 Op 1 januari 2006 bestond de raad van bestuur van S&TZG uit [Y] , (voorzitter), verder [Y] , en [C] . S&TZG had een raad van commissarissen die toen bestond uit [T] (voorzitter), [N] , [P] en [S] . [T] en [P] waren afkomstig van Thuiszorg Groningen en [N] en [S] waren afkomstig van Sensire. Binnen de raad van commissarissen was een auditcommissie ingesteld. [Y] is op 1 april 2006 afgetreden als voorzitter van de raad van bestuur en als zodanig opgevolgd door [A] . Tot aan na te noemen fusie tussen S&TZG en Meavitagroep zijn er verder geen wijzigingen meer in de raad van bestuur en de raad van commissarissen van S&TZG opgetreden. 2.7 Op 1 januari 2006 bestond de raad van bestuur van Meavitagroep uit [B] (voorzitter), [A] en [D] . Meavitagroep had een raad van toezicht die toen bestond uit [L] (voorzitter), [Q] , [V] , [H] , [W] , [U] en [J] . Binnen de raad van toezicht waren een auditcommissie en een remuneratiecommissie ingesteld. Op 1 februari 2006 is [A] als lid van de raad van bestuur afgetreden. [E] is hem – ad interim – op diezelfde datum opgevolgd. Tot aan de aanstonds te noemen fusie tussen S&TZG en Meavitagroep zijn er verder geen wijzigingen meer in de raad van bestuur en de raad van toezicht van Meavitagroep opgetreden. 2.8 Op 22 juni 2006 hebben de raden van bestuur van S&TZG en Meavitagroep met het oog op de na te melden fusie een fusiedocument getekend althans vastgesteld. 2.9 Op 8 december 2006 is [C] wegens – ernstige – ziekte als bestuurder van S&TZG uitgevallen. De verwachting was dat zij in april 2007 weer terug zou komen. Die verwachting is niet uitgekomen, zij heeft haar werkzaamheden eerst later kunnen hervatten. 2.10 Eind 2006 bedroeg het geconsolideerde eigen vermogen (inclusief egalisatierekening) van de partners bij de aanstonds te noemen fusie circa € 51 miljoen. 2.11 Uit het jaarverslag over 2006 van de bij de hierna te noemen fusie betrokken stichtingen, Meavitagroep en S&TZG/Meavita Nederland, blijkt dat zij de Zorgbrede Governancecode, voor het eerst gepubliceerd op 19 december 2005, hebben aanvaard. 2.12 Per 1 januari 2007 zijn Meavitagroep en S&TZG – feitelijk en kort nadien ook formeel – een bestuurlijke fusie aangegaan. De naam van S&TZG is per 20 maart 2007 gewijzigd in Stichting Meavita Nederland. Deze stichting, Meavita Nederland derhalve, kwam aan het hoofd te staan van de gefuseerde groep, waartoe ook de hiervoor vermelde onder de fusiepartners vallende rechtspersonen behoorden. Aldus ontstond het Meavita concern met Meavita Nederland als "tophoudster". Meavita Nederland dreef geen eigen onderneming en zij had vooral ten doel de andere stichtingen en de vennootschappen van het concern aan te sturen. Twee van de vier "poten" van het Meavita concern waren Meavitagroep c.s. met Meavitagroep als "tussenhoudster" en Thuiszorg Groningen c.s. met Thuiszorg Groningen als "tussenhoudster". De andere twee "poten" waren Sensire en Vitras. De fusie werd gerealiseerd door onder meer een personele unie van de besturen van Meavita Nederland, Meavitagroep, Thuiszorg Groningen, Sensire en Vitras. De onderscheiden rechtspersonen bleven na de fusie de regio bedienen, die zij voordien bedienden. 2.13 Aan de vooravond van de fusie waren – zo volgt uit het voorgaande – besturen en toezichthoudende organen van de fusiepartners als volgt samengesteld. Raad van bestuur S&TZG: [A] (voorzitter) en [C] (wegens ziekte afwezig). Meavitagroep: [B] (voorzitter), [E] en [D] . Toezichthoudend orgaan S&TZG: [T] (voorzitter), [N] , [P] en [S] . Meavitagroep: [L] (voorzitter), [Q] , [V] , [H] , [W] , [U] en [J] . Ter gelegenheid van de fusie zijn [B] en [D] per 1 januari 2007 tot de raad van bestuur van S&TZG/Meavita Nederland toegetreden. [A] is voorzitter gebleven. Per diezelfde datum zijn [T] en [S] uit de raad van commissarissen van S&TZG/Meavita Nederland getreden en zijn [L] (als voorzitter) en [Q] tot die raad toegetreden. De raden van bestuur van Meavitagroep, Thuiszorg Groningen, Sensire en Vitras waren – zoals zojuist overwogen – met ingang van diezelfde datum op dezelfde wijze samengesteld als die van Meavita Nederland (personele unie). Dat betekent derhalve ook dat [E] toen uit het bestuur van Meavitagroep trad. Meavitagroep, Thuiszorg Groningen, Sensire en Vitras hadden (met ingang van die datum) geen toezichthoudend orgaan. Het behoorde tot de taak van de raad van commissarissen van Meavita Nederland om integraal toezicht te houden op de gang van zaken bij de overige leden van het Meavita concern. Meavitagroep was op 1 januari 2007 de bestuurder van verweersters sub 8 en 10. Meavita Participaties B.V., een vennootschap vallende onder Meavitagroep, verder Meavita Participaties, was bestuurder van verweerster sub 9 en Thuiszorg Groningen was bestuurder van verweerster sub 12. Een en ander gold op respectievelijk vanaf het moment van de fusie, 1 januari 2007, en bleef gedurende de verdere onderzoeksperiode ongewijzigd. De overige, in deze paragraaf niet genoemde verweersters deelden met ingang van 1 januari 2007 steeds (vrijwel geheel) in de personele unie. Een en ander leidt per 1 januari 2007 – voor zover verder van belang – tot de volgende samenstellingen raad van bestuur Meavita Nederland, Meavitagroep, Thuiszorg Groningen, Sensire en Vitras: [A] (voorzitter), [C] , [B] en [D] . raad van commissarissen Meavita Nederland: [L] (voorzitter), [Q] , [N] en [P] . [L] en [N] zijn tot het eind van de onderzoeksperiode lid van de raad van commissarissen van Meavita Nederland gebleven, [L] als voorzitter. In de raad van commissarissen van Meavita Nederland waren een auditcommissie en een remuneratiecommissie ingesteld. Er was een concernberaad (vanaf 2008 bestuursraad geheten). Dit beraad bestond uit de leden van de raad van bestuur, de directeuren van de werkmaatschappijen, de directeur innovatie, de concerncontroller alsmede, vanaf 2008, de financieel directeur. 2.14 Tot het moment van de fusie hadden Thuiszorg Groningen, Sensire en Vitras elk een (op een enkele uitzondering na: niet statutaire) algemeen directeur, die verantwoordelijk was voor de operationele aansturing en rapporteerde aan het bestuur van de betrokken stichting. Dat is ter gelegenheid van de fusie niet gewijzigd en de onderscheiden algemeen directeuren hielden hun functie. Zij bleven verantwoordelijk voor de operationele aansturing en bleven rapporteren aan het bestuur van de betrokken stichting, met dien verstande dat die besturen – zo bleek hiervoor – met ingang van de fusie op dezelfde wijze waren samengesteld als het bestuur van Meavita Nederland (personele unie). De onderscheiden algemeen directeuren waren [Z] (Thuiszorg Groningen, verder [Z] ), [AA] (Sensire, verder [AA] ) en [BB] (Vitras, verder [BB] ). Zij hebben deze functie gedurende de gehele onderzoeksperiode behouden. Meavitagroep had tot aan de fusie geen algemeen directeur. Op het moment van de fusie werd ook daar een (niet statutaire) algemeen directeur – ad interim – benoemd en wel [E] , die tot op dat moment zoals hiervoor bleek – ad interim – bestuurder van Meavitagroep was geweest. In juni 2007 is [E] vervangen door [CC] , verder [CC] (zie hierna). 2.15 Het hoofdkantoor van Meavita Nederland is met het oog op de fusie van Hattem naar Amersfoort verhuisd. 2.16 In het Meavita concern waren vanaf 2007 in totaal ongeveer 20.000 personeelsleden werkzaam. Er werd zorg verleend aan ongeveer 100.000 cliënten. Gelet op haar beperkte doel had Meavita Nederland zelf steeds slechts een beperkt aantal werknemers in dienst. 2.17 Per 1 januari 2007 is de WMO ingevoerd. Bij deze wet werd de bekostiging van thuishulp of huishoudelijke hulp ‘uit’ de AWBZ gehaald. De gemeenten werden voortaan verantwoordelijk voor de huishoudelijke hulp, hetgeen meebracht dat gemeenten de huishoudelijke hulp op door haar te bepalen wijze moesten aanbesteden. De gemeente Den Haag heeft bij de aanbesteding een model gebruikt waarbij de aanbieder niet kon inschrijven tegen de prijs waartegen deze de hulp wilde leveren, maar slechts kon mededelen of hij de door de Gemeente voorgestelde prijs accepteerde (het zogeheten Zeeuwse model). Meavitagroep heeft het aanbod van de gemeente Den Haag, dat onder de kostprijs van de door Meavitagroep geboden zorg lag, geaccepteerd. 2.18 Het bekostigingsstelsel van de AWBZ gaat uit van een productieplafond (een maximum aantal klanten dat kan worden geholpen), dat wordt vastgesteld in afspraken tussen de zorgaanbieder en het zorgkantoor of de zorgverzekeraar. Boven dat maximum wordt de productie niet of slechts gedeeltelijk aan de zorgaanbieder vergoed. In het Meavita concern zijn in 2007 en 2008 meer klanten geholpen dan in de productieafspraken als plafond was vastgelegd. Deze overproductie deed zich met name voor in het zorggebied van zorgkantoor Menzis, waar Sensire en Thuiszorg Groningen actief waren. In 2007 bedroeg de overproductie bij Sensire en Thuiszorg Groningen circa € 6 miljoen. Bij Meavitagroep deed zich juist onderproductie voor. 2.19 Op 1 april 2007 is [D] overeenkomstig bij de fusie gemaakte afspraken als bestuurder afgetreden. 2.20 De raad van commissarissen van Meavita Nederland heeft in zijn vergadering van 2 april 2007 de “Governancecode van Meavita” voor het Meavita concern vastgesteld. Deze wijkt – voor zover hiervan belang – niet af van de hiervoor genoemde Zorgbrede Governancecode. 2.21 Per 1 juni 2007 is [CC] tot algemeen (niet statutaire) directeur van Meavitagroep benoemd. [CC] is als zodanig gedurende de gehele onderzoeksperiode aangebleven. [E] is per 8 juni 2007 als algemeen directeur van Meavitagroep vertrokken. 2.22 In verband met de arbeidsongeschiktheid van [C] heeft de raad van commissarissen van Meavita Nederland op 29 mei 2007 besloten tot tijdelijke uitbreiding van de raad van bestuur. In dat verband is [DD] , verder [DD] per 16 juli 2007 benoemd tot lid van de raad van bestuur. 2.23 Op 17 september 2007 heeft [C] haar werkzaamheden gedeeltelijk hervat. 2.24 De raad van commissarissen van Meavita Nederland heeft [A] per 1 oktober 2007 als voorzitter en bestuurder van Meavita Nederland ontslagen. [B] is [A] per 1 oktober 2007 als voorzitter van de raad van bestuur opgevolgd. Hij heeft bij die gelegenheid toegezegd de taak voor een jaar op zich te nemen. 2.25 De raad van commissarissen van Meavita Nederland heeft [DD] in oktober 2007 als bestuurder ontslagen. 2.26 Naar aanleiding van een op 10 juli 2007 van Meavita Nederland ontvangen opdracht in verband met de tegenvallende resultaten van het eerste kwartaal 2007 heeft PwC (onderzoeksverslag 6.107 en volgende alsmede bijlagen 6.2 en 6.3) op 1 november 2007 een brief aan Meavita Nederland geschreven, tussen begin november en begin december 2007 voor elk van de vier onderdelen van het concern een zogeheten early warning rapportage opgeleverd en op 5 december 2007 een interimrapportage opgeleverd. In de brief van 1 november 2007 schrijft PwC onder meer het volgende. "Middels deze brief willen wij u – ondanks dat wij onze werkzaamheden door gebrekkige oplevering van informatie nog niet hebben kunnen afronden – informeren over onze eerste bevindingen naar aanleiding van de door ons uitgevoerde interim-controle en early warning opdracht. De reden om u vooruitlopend op de definitieve rapportages te informeren, betreft de zorgwekkende financiële situatie waarin Meavita Nederland c.s. momenteel verkeert. In onze optiek is op korte termijn actie noodzakelijk om de continuïteit van Meavita te waarborgen. […] Bij ongewijzigd beleid zal het vermogen van Meavita eind 2008 negatief zijn." In de early warning rapportages bespreekt PwC de verschillende problemen bij elk van de werkmaatschappijen, waaronder: onvoldoende AO/IC, de onmogelijkheid om de productieafspraken te checken ten opzichte van de realisatie (bij Thuiszorg Groningen en Sensire), onvoldoende informatievoorziening en de zorgelijke liquiditeit van Meavitagroep (onderzoeksverslag 6.114). In de interimrapportage van 5 december 2007 wijst PwC op de zwaar verlieslatende situatie en de zorgelijke liquiditeitspositie. PwC schrijft (onderzoeksverslag 6.119): "Voornaamste oorzaken van deze cashdaling betreffen de verliesfinanciering en de facturerings- en betalingsachterstand inzake WMO. Indien deze cashontwikkeling zich in de tweede helft van 2007 zo doorzet zal Meavita Nederland c.s. op korte termijn niet meer in staat zijn aan haar verplichtingen te voldoen. Uit voorlopige analyses blijkt dit voor Meavita West reeds ultimo 2007 het geval te zijn." Denkbaar is, aldus PwC, dat een continuïteitsvraagstuk ontstaat (onderzoeksverslag 6.120). 2.27 Op 3 december 2007 heeft E&Y gerapporteerd naar aanleiding van een in opdracht van Meavita Nederland uitgevoerde risico-inventarisatie (onderzoeksverslag, bijlage 5.1). 2.28 Eind 2007 is [Q] als lid van de raad van commissarissen van Meavita Nederland afgetreden. 2.29 In 2007 leed Meavita een verlies van ruim € 32,6 miljoen. 2.30 Eind 2007 bedroeg het geconsolideerd eigen vermogen (inclusief egalisatierekening) van Meavita Nederland € 19,6 miljoen. 2.31 In het eerste halfjaar van 2008 leed Meavita een verlies van € 28 miljoen. 2.32 Op 4 februari 2008 heeft de raad van commissarissen van Meavita Nederland zijn werkzaamheden in het jaar 2007 geëvalueerd. Deze evaluatie is vastgelegd in de zelfevaluatie 2007 van de raad van commissarissen en is door [L] als voorzitter van de raad voor akkoord ondertekend. Deze evaluatie bevat onder meer de volgende passages. "De voorzitter gaat eerst in op de samenstelling van de raad van commissarissen en de raad van bestuur als element in de fusiebesprekingen. Er was geen grote steun vanuit Meavita West voor de heer [A] als voorzitter. Meavita West is daarmee toch akkoord gegaan onder de voorwaarde dat de heer [L] het voorzitterschap van de raad van commissarissen op zich zou nemen en dat mevrouw [Q] lid werd van de auditcommissie. De inhoud van de statuten bood de basis voor het toezicht op de raad van bestuur. Er was instemming bij zowel Sensire/Thuiszorg Groningen als bij de Meavitagroep voor de gekozen opzet. Hij hecht eraan om dat bij de evaluatie te betrekken. (…) De voorzitter schetst vervolgens de gang van zaken tot het terugtreden van de heer [A] per 1 oktober. Op grond van (ook externe) signalen heeft er overleg tussen hem en mevrouw [Q] plaatsgevonden over de positie van de heer [A] . Zij waren er beducht voor dat het aan de orde stellen daarvan, gezien het voortraject, bij de andere leden van de raad van commissarissen weerstanden zou oproepen. (…) De voorzitter zegt dat hij heeft willen wachten met ingrijpen in verband met onzekerheid over de opstelling van de andere commissarissen. Het terugtreden van een deel van de leden van de raad van commissarissen was een reële mogelijkheid en had weer andere problemen opgeleverd. Mevrouw [K] zegt blij te zijn dat de "oude" raad van commissarissen al had besloten tot het terugtreden van Theo [A] . Wel had zij graag wat eerder geïnformeerd willen worden, hoewel ze niet de indruk had dat er sprake was van bewust verzwijgen. In haar perceptie speelde de bloedgroepenproblematiek wel steeds een rol." 2.33 Begin mei 2008 is [F] voor de periode tot 1 oktober 2008 tot lid van de raad van bestuur van Meavita Nederland benoemd. 2.34 Per 1 juli 2008 is [P] afgetreden als lid van de raad van commissarissen van Meavita Nederland. 2.35 Per 1 juli 2008 is [F] benoemd tot interim voorzitter van de raad van bestuur. Per diezelfde datum is [B] als voorzitter en als lid van de raad van bestuur afgetreden. Hij bleef aan als adviseur van Meavita Nederland. 2.36 In juli 2008 is in de openbaarheid gekomen dat zich bij Meavita Nederland financiële problemen voordeden. Vanaf dat moment zijn zowel de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) als het College Sanering Zorginstellingen (CSZ) bij (de ondernemingen van) Meavita Nederland betrokken geweest. 2.37 In verband met de negatieve resultaatontwikkeling zijn onder leiding van [F] herstel- en reorganisatieplannen opgesteld. Op 18 augustus 2008 heeft Meavita Nederland een steunaanvraag (balanssteun) bij de NZa ingediend. 2.38 Per 1 oktober 2008 is [F] teruggetreden als bestuursvoorzitter en is [G] in zijn plaats benoemd. [G] is bestuursvoorzitter gebleven tot en met het eind van de onderzoeksperiode. Eveneens per 1 oktober 2008 zijn drie nieuwe leden tot de raad van commissarissen toegetreden: [K] , [R] en [M] . Zij zijn commissaris gebleven tot het einde van de onderzoeksperiode. 2.39 In november 2008 is het grootste deel van alle in eigendom zijnde onroerende zaken, met uitzondering van de verpleeg- en verzorgingstehuizen, afgestoten. Dit leverde een boekwinst op van € 8 miljoen. 2.40 In november 2008 concludeerde de NZa dat de continuïteit van de zorg niet in het geding was. Zij wees het verzoek om balanssteun af. Zij bood Meavita Nederland de gelegenheid tot het indienen van een verzoek om liquiditeitssteun (versnelde afschrijving). Een dergelijk verzoek is in januari 2009 ingediend. 2.41 Van 2005 tot en met 2008 hebben onderscheidenlijk Meavitagroep, S&TZG en Meavita Nederland gewerkt aan een innovatieproject dat tot doel had om een internetverbinding tot stand te brengen tussen de klant en de zorgverlener, waardoor personeel effectiever kon worden ingezet. Dit zogeheten TVfoon project heeft – na aftrek van subsidies ten bedrage van € 6,2 miljoen – een verlies opgeleverd van in totaal € 14,1 miljoen. Het project is volledig mislukt. 2.42 De omzet van het Meavita concern bedroeg in 2008 circa € 525 mln. Het resultaat over 2008 bedroeg ongeveer € 22 miljoen negatief. Eind 2008 had Meavita Nederland – geconsolideerd – een negatief eigen vermogen. 2.43 In december 2008 is het besluit genomen om Sensire en Vitras, wier perspectieven minder ongunstig waren dan die van Meavitagroep en Thuiszorg Groningen, te ontvlechten. 2.44 Begin 2009 is [C] als bestuurder van Meavita Nederland teruggetreden. 2.45 In een brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 28 januari 2009 heeft de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) onder meer geconstateerd dat "de continuïteit van zorg en van de huishoudelijke hulp geleverd door Meavita op korte termijn in gevaar" was en dat "de juridische (aansprakelijkheids)structuur en financiële huishouding van Meavita uitermate complex" was. 2.46 Op 18 februari 2009 zijn overeenkomsten tot ontvlechting van Sensire en Vitras gesloten. De ontvlechting is geëffectueerd door statutenwijzigingen van 24 februari 2009. 2.47 Teneinde de dienstverlening veilig te stellen zijn de bedrijfsactiviteiten van Meavitagroep en Thuiszorg Groningen in februari 2009 door ingrijpen van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport overgeheveld naar een tweetal nieuwe stichtingen, respectievelijk Stichting continuering uitvoering AWBZ West, handelend onder de naam “Haagse Wijk- en Woonzorg”, en Stichting continuering AWBZ en WMO Groningen e.o., handelend onder de naam “Thuiszorg Groningen”. Bestuurder van beide stichtingen was [EE] , die namens CSZ en de NZa bij het Meavita concern betrokken was, verder [EE] . 2.48 Op 24 februari 2009 is aan Meavitagroep c.s en aan Thuiszorg Groningen c.s. surséance van betaling verleend. Op 9 maart 2009 zijn Meavitagroep c.s. en Thuiszorg Groningen c.s. in staat van faillissement verklaard met benoeming van mrs. De Weerdt en Somers onderscheidenlijk mrs. Entzinger en Fousert tot curatoren. Op 6 april 2009 is aan Meavita Nederland surséance van betaling verleend en op 26 mei 2009 is ook zij in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. Pasman tot curator. 2.49 Begin 2009 bedroeg het eigen vermogen van het Meavita concern € 5 miljoen negatief. Tussen eind 2005 en begin 2009 is het geconsolideerde eigen vermogen van de fusiepartners respectievelijk het Meavita concern met ongeveer € 74 miljoen afgenomen. 2.50 De jaarstukken 2006 van S&TZG respectievelijk 2007 van Meavita Nederland bevatten de geconsolideerde jaarrekeningen van de groepsmaatschappijen. De jaarrekening van Meavita Nederland 2008 is niet meer opgemaakt. 3Het onderzoeksverslag 3.1 De groep bestuurders en commissarissen heeft op onderdelen "fundamentele kritiek" (algemeen verweerschrift 54) geleverd op de onderzoeksmethode en het onderzoeksverslag. In de individuele verweerschriften is deze kritiek (op onderdelen) uitgewerkt. De kritiekpunten luiden als volgt: onvoldoende rekening gehouden met decentrale structuur te grote focus op governance principes hindsight bias bronnen onderzoekers niet kenbaar ontbrekende stukken de rol van derden voorbereiding interviews en gebruik interviews door onderzoekers. De kritiek is in algemene zin geuit. De groep bestuurders en commissarissen heeft aan die kritiek geen consequenties verbonden, althans niet in algemene zin. Daar is naar het oordeel van de Ondernemingskamer ook geen aanleiding voor. In dat verband zij opgemerkt, dat onderzoekers vrij zijn in de uitvoering van de hen opgedragen taak en dat zij het onderzoek en het onderzoeksverslag naar eigen inzicht inrichten. Bovendien hebben onderzoekers tevoren een concept van een plan van aanpak opgesteld en dit aan verweersters en belanghebbenden voor commentaar gezonden. Naar aanleiding van het commentaar hebben onderzoekers het conceptplan aangepast en een definitief plan van aanpak vastgesteld en aan betrokkenen toegezonden. De Ondernemingskamer merkt de kritiek aan als achtergrond bij de door de groep op concrete punten geleverde kritiek. Zij zal waar nodig op die concrete punten ingaan. Reeds nu merkt de Ondernemingskamer in dit verband – derhalve in algemene zin – het volgende op. 3.2 De groep bestuurders en commissarissen wijst op het risico van hindsight bias. Volgens de groep lijken onderzoekers zich onder meer "bij het beoordelen van relevante besluiten en de totstandkoming daarvan, niet te hebben kunnen onttrekken aan de effecten die die besluiten uiteindelijk hebben gehad" (algemeen verweerschrift 61). Het is noodzakelijk – aldus de groep onder verwijzing naar een schrijver over dit onderwerp – "om een 'analyse-tijdens' te maken - wat konden bestuurders die zich in die situatie bevonden, weten en wat konden ze doen?" (algemeen verweerschrift 62). Het is inherent aan de taak van de rechter, dat hij terugblikt: hij beoordeelt nu eenmaal doorgaans handelen uit het verleden. Het risico bestaat inderdaad, dat hij zich laat beïnvloeden door de feitelijke uitkomst van dat handelen. De Ondernemingskamer is er vanzelfsprekend op attent het handelen en nalaten van verweersters, van hun organen en van degenen die daarvan deel uitmaakten te beoordelen naar de maatstaven die golden ten tijde van dat handelen of nalaten en aan de hand van de kennis en ervaring die verweersters, hun organen en degenen die daarvan deel uitmaakten toen hadden of behoorden te hebben. Terzijde merkt de Ondernemingskamer in dit verband het volgende op. Sommige verwijten van AAF en curatoren hebben betrekking op procedurele aspecten, zoals het opstellen van profielen voor functies, het op geregelde tijden houden van functionerings- en beoordelingsgesprekken en het op een open wijze informeren van de zittende en komende commissarissen. De Ondernemingskamer bespreekt deze verwijten hierna en komt in een aantal gevallen tot het oordeel dat het desbetreffende handelen in strijd met wat geacht wordt een juiste procedure te zijn wanbeleid oplevert of aan dat oordeel bijdraagt. Men zou kunnen opmerken, dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat dergelijke procedurele normen niet worden nageleefd. Dat moge zo zijn. In die gevallen waar dat – ondanks het tekort of soms juist dóór dat tekort – tot een gunstig resultaat leidt, zal er doorgaans geen reden zijn om stil te staan bij de vraag of het desbetreffende beleid wegens dat tekort onjuist was. In zekere zin is dàt – ten voordele van de betrokkenen – een toepassing van hindsight bias: de uitkomst is gunstig en niemand klaagt. Dat geldt zelfs in het geval van een "gok"; een gok die goed uitpakt wordt vaak gewaardeerd, maar of het verantwoord beleid was, is een andere vraag. In die gevallen echter waarin de niet naleving van dergelijke normen niet succesvol is en, integendeel, (ernstig) nadeel oplevert, kan dat de verantwoordelijken wel degelijk worden voorgehouden. Dat is – natuurlijk: achteraf kijkend – geen hindsight bias, maar eenvoudig toepassing van de norm. Voor de gegrondheid van het te maken verwijt is het daarbij niet noodzakelijk dat er causaal verband bestaat tussen de niet naleving en het uitblijven van succes of het optreden van nadeel. De niet naleving op zichzelf kan – uiteraard afhankelijk van de omstandigheden – onjuist beleid opleveren, al zullen de concreet optredende gevolgen vaak wel een rol spelen bij de beoordeling van (de ernst van) het verwijt. 3.3 [A] beroept zich er herhaaldelijk op dat hij niet over de "transcripties" van de gesprekken met anderen dan hemzelf beschikt en deze dus niet kan beoordelen (bijvoorbeeld individueel verweerschrift, bladzijde 39 onder i, 44 onder b en 45 onder d). In het algemeen verdient het aanbeveling om gespreksverslagen aan het onderzoeksverslag te hechten, zoals sinds 1 januari 2013 ook is vastgelegd in punt 4.3 van de door de Ondernemingskamer ten behoeve van onderzoekers vastgestelde Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers. Het gaat hier echter niet om een dwingend voorschrift dat afbreuk doet aan voormeld uitgangspunt dat de onderzoekers vrij zijn in de uitvoering van de hen opgedragen taak en dat zij het onderzoek naar eigen inzicht inrichten. Aangenomen moet worden, dat onderzoekers – met het oog op het belang dat te horen personen zich meer in vrijheid zullen uiten, indien het besprokene niet in volle omvang aan anderen bekend zal worden gemaakt – bewust ervoor hebben gekozen de gespreksverslagen niet aan het onderzoeksverslag te hechten. De Ondernemingskamer kan die keuze hier billijken, nu de onderzoekers de gespreksverslagen in concept om commentaar aan de onderscheiden gehoorde personen hebben toegezonden en nu zij voorts ruim uit de gesprekken hebben geciteerd, onder vermelding van vraag en antwoord, terwijl de conclusies steeds berusten op een veelheid van bronnen, zodat de betrokken citaten – voor zover voor deze beschikking van belang – voldoende in hun verband zijn geplaatst. 3.4 De groep bestuurders en commissarissen beklaagt zich er ook over dat de onderzoekers in het onderzoeksverslag slechts in algemene termen naar de door hen geraadpleegde bronnen verwijzen, dat de in de bijlagen bij het onderzoeksverslag genoemde stukken niet zijn bijgevoegd en niet aan verweersters of belanghebbenden ter beschikking zijn gesteld, dat de onderzoekers ondanks verzoek daartoe geen inventaris van geraadpleegde stukken hebben opgesteld en dat zij ook – andere – documenten niet hebben geraadpleegd, terwijl deze wel beschikbaar waren (algemeen verweerschrift 63 ev). Naar het oordeel van de Ondernemingskamer is de herkomst van de bevindingen van de onderzoekers door verwijzing in noten goed te traceren. Uit onderzoeksverslag 1.36 blijkt voorts dat de betrokken bestuurders, commissarissen en – naar de Ondernemingskamer aanneemt – ook de leden van de raden van toezicht voor zover zij dat wensten, volledige toegang hebben gehad tot de administraties en archieven van relevante onderdelen van het Meavita concern en – naar de Ondernemingskamer eveneens aanneemt en voor zover van belang – tot die van haar voorgangsters. Ook de curatoren hebben daaraan hun medewerking verleend. In het licht hiervan kan niet worden gezegd, dat verweersters of belanghebbenden onvoldoende mogelijkheden hebben gehad om stelling te nemen tegen de bevindingen en conclusies van de onderzoekers of om hun visie op de zaak daarvoor in de plaats te stellen. De Ondernemingskamer verwerpt dan ook deze – ook hier in hun algemeenheid gestelde – bezwaren. 3.5 Ten slotte merkt de Ondernemingskamer nog het volgende op. Onder 1.63 van hun verslag schrijven onderzoekers: "Dit verslag is niet bedoeld als een juridisch verslag en onderzoekers hebben zoveel mogelijk geprobeerd om kwalificaties met een specifieke juridische connotatie te vermijden. Onderzoekers hebben het tot hun primaire taak gerekend de feiten te onderzoeken en deze, voor zover relevant, op een systematische manier in dit verslag vast te leggen. Onderzoekers doen in dit verslag geen uitspraken over mogelijk wanbeleid bij Meavita van enig (lid van enig) orgaan van MNL of van aan haar gelieerde rechtspersonen. Dit neemt niet weg dat onderzoekers, daar waar zij daartoe aanleiding zagen, conclusies hebben getrokken met betrekking tot de vastgestelde constellatie van feiten en omstandigheden. Zij achten het echter de taak van de Ondernemingskamer (en niet van onderzoekers) om, indien daartoe een verzoek wordt gedaan, vast te stellen of uit het verslag van wanbeleid bij de betrokken rechtspersonen blijkt (en welke personen daarvoor verantwoordelijk zijn) en om eventueel voorzieningen te treffen." Inderdaad geven onderzoekers in hun verslag geen of nauwelijks expliciete oordelen over de juistheid of onjuistheid van (onderdelen van) het beleid of de gang van zaken. Wel spreken onderzoekers op tal van plaatsen hun bevreemding of verbazing uit of schrijven zij dat een bepaalde omstandigheid of handeling opvallend is. Het gaat daar in het algemeen kennelijk om (omstandigheden die voortvloeien uit) handelingen die naar de opvatting van onderzoekers bij gebreke van afdoende verklaring de toets der kritiek niet kunnen doorstaan dan wel onwenselijk waren, althans op zijn minst om zo’n verklaring vragen. En daar waar onderzoekers schrijven dat zij "hadden verwacht" dat een bepaalde actie zou zijn ondernomen, menen zij doorgaans kennelijk dat zich een nalaten heeft voorgedaan dat naar hun opvatting bij gebreke van afdoende verklaring evenmin de toets der kritiek kan doorstaan dan wel onwenselijk was, althans op zijn minst om zo’n verklaring vraagt. Maar uitdrukkelijke conclusies met een oordeel over de juistheid/onjuistheid, rechtmatigheid/onrechtmatigheid van handelingen of omstandigheden komen niet voor. Zoals volgt uit 4.5 van de hiervoor reeds genoemde Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers bestaat er geen bezwaar tegen dat onderzoekers ook oordelen en meningen geven en conclusies trekken ten aanzien van het beleid of de gang van zaken van de onderzochte rechtspersoon of hun opvatting weergeven met betrekking tot het antwoord op de vraag of zich wanbeleid heeft voorgedaan. De beoordeling van het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon wordt doorgaans mede bepaald door hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (artikel 2:8 BW). Bij de vaststelling van wat dat betekent, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW). In enquêtezaken zullen bij de beantwoording van de vraag of het beleid en/of de gang van zaken strijdig waren met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap veelal juist die rechtsbeginselen, overtuigingen en belangen een belangrijke rol spelen. Onderzoekers zijn doorgaans bij uitstek ingevoerd op deze terreinen, zodat het voor de hand ligt dat zij een bepaald(
- e)handelen, beleid of gang van zaken in het licht van die beginselen, overtuigingen en belangen plaatsen en vervolgens (normatieve) conclusies trekken ten aanzien van de vraag of zich (in de gegeven omstandigheden) strijd heeft voorgedaan met zo’n rechtsbeginsel, overtuiging of belang en of zich mogelijk strijd voordoet met voormelde elementaire beginselen. In dat verband zijn feiten en juridische oordelen vaak moeilijk te (onder)scheiden. Dat het uiteindelijke oordeel zowel ten aanzien van de vaststelling van de feiten als van de kwalificatie daarvan aan de Ondernemingskamer is, doet aan dit een en ander niet af. Het ontbreken van uitdrukkelijke normatieve oordelen in het onderzoeksverslag verhindert niet dat de Ondernemingskamer tot een beoordeling van en beslissing op de verzoeken kan komen. De bevindingen en conclusies van de onderzoekers bieden – mede in het licht van de stellingen van partijen over en weer – voldoende aanknopingspunten voor de Ondernemingskamer om te onderzoeken of uit het onderzoeksverslag blijkt van wanbeleid (het verzoek van AAF op de voet van artikel 2:355 BW) respectievelijk van verantwoordelijkheid van een bestuurder of commissaris voor een onjuist beleid of onbevredigende gang van zaken (het verzoek van curatoren en van AAF op de voet van artikel 2:354 BW). 4De verzoeken De verzoeken tot het vaststellen van wanbeleid (zaak 01) 4.1 AAF richt haar verzoek onder meer tegen “MEAVITA WEST, waaronder de navolgende rechtspersonen ressorteren” waarna zij onder a tot en met g Meavitagroep c.s. opsomt. De Ondernemingskamer begrijpt dit – mede gelet op het gecorrigeerde petitum – aldus dat het verzoek van AAF zich – ook – tegen elk van deze rechtspersonen richt. 4.2 AAF plaatst herhaaldelijk "vraagtekens" of "vraagt zich af" waarom een bestuurder of commissaris gehandeld heeft zoals deze heeft gedaan. Onder 11 kondigt zij aan dat zij "een aantal (vraag)punten (zal) formuleren op grond waarvan (…) wanbeleid vastgesteld kan worden." Antwoorden op de vragen geeft AAF echter veelal niet. Hoewel het verzoekschrift als gevolg hiervan aan vaagheid lijdt, neemt de Ondernemingskamer aan, dat de vragen (doorgaans) als stellingen bedoeld zijn. 4.3 Onder 12 van het verzoekschrift schrijft AAF het volgende. "Uit het verslag volgt dat ten aanzien van in ieder geval de volgende punten sprake is van strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap: a. bij de totstandkoming van het concern en de governance zijn grote fouten gemaakt; b. de sturing van de organisatie was onvoldoende en de AO/IC was niet op orde; c. er heeft op een onverantwoorde wijze overproductie plaatsgevonden; d. er zijn onvoldoende maatregelen genomen naar aanleiding van de invoering van de WMO; e. er is sprake geweest van een verkeerde prioriteitstelling; f. bij de totstandkoming van het TV-Foon project en de uitvoering van dat project zijn grote fouten gemaakt." Hoewel deze indeling in het verzoekschrift verder niet (herkenbaar) terugkeert, neemt de Ondernemingskamer niettemin aan, dat dit de punten zijn waarop AAF wanbeleid vastgesteld wenst te zien. Hoewel de groep bestuurders en commissarissen er terecht op wijst dat AAF haar verzoeken niet duidelijk en te "generiek" heeft geformuleerd (algemeen verweerschrift 39 tot en met 41), hebben zij het voorgaande kennelijk ook wel zo begrepen. 4.4 Onder 11.2 en 11.3 van hun verweerschrift verzoeken curatoren de Ondernemingskamer wanbeleid van de door hen genoemde "entiteiten van het Meavita concern" vast te stellen ten aanzien van een aantal hierna op te sommen onderdelen (A tot en met M) en vast te stellen dat uit het onderzoeksverslag, uit het verzoekschrift van AAF en uit het verweerschrift van curatoren blijkt dat (de afzonderlijke leden van) de raden van bestuur, raden van commissarissen en raden van toezicht voor dat wanbeleid verantwoordelijk waren. Onder het destijds geldende en hier toepasselijke recht zijn curatoren niet bevoegd om een verzoek op de voet van artikel 2:355 BW te doen, zodat zij in zoverre niet ontvankelijk zijn. Voor zover curatoren onder 11.4 van hun verweerschrift en onder 5.19 van hun nadere schriftelijke reactie beogen de Ondernemingskamer te verzoeken om op grond van wanbeleid voorzieningen te treffen als bedoeld in artikel 2:356 BW (vernietiging van decharge-besluiten en het besluit tot verlening van finale kwijting aan [A] ), treft het verzoek hetzelfde lot. Nu echter AAF zich op tal van onderdelen, maar ook meer in het algemeen (nadere schriftelijke reactie 67 en volgende) aansluit bij hetgeen curatoren hebben aangevoerd, moet – welwillend lezende – aangenomen worden, dat AAF de stellingen van curatoren mede ten grondslag heeft gelegd aan haar verzoeken. AAF heeft dat ter terechtzitting desgevraagd uitdrukkelijk bevestigd. Kennelijk hebben verweersters en belanghebbenden dat ook zo opgevat, zodat zij door deze lezing niet in hun verdediging zijn benadeeld. Dit betekent dat de stellingen van curatoren niet alleen betrokken zullen worden bij de beoordeling van hun verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek (zaak 02), maar ook bij de beoordeling van de verzoeken van AAF tot vaststelling van wanbeleid en de verantwoordelijkheid daarvoor en tot het treffen van voorzieningen (zaak 01). 4.5 Volgens curatoren houdt het onderzoeksverslag "vernietigende conclusies" in op de volgende onderdelen (verweerschrift 2.1; in verband met een consequente definiëring heeft de Ondernemingskamer "Meavita West" telkens vervangen door "Meavitagroep" en TZG door Thuiszorg Groningen). De governance binnen het Meavita-concern, waaronder de samenstelling en het functioneren van de diverse raden van bestuur (“RvB”) en van de RvT/RvC, was volstrekt onvoldoende; Het besluit tot de fusie tussen Meavitagroep en S&TZG is niet voorafgegaan [de Ondernemingskamer leest:] door de vaststelling van concrete fusiedoelstellingen, financiële projecties en risico’s. De doelstellingen van de fusie zijn, voor zover die al gedefinieerd waren, niet gehaald; De sturing van de organisatie was zeer gebrekkig. Dat werd veroorzaakt door de spanningen tussen de RvB en de directeuren van Vitras en Sensire, en later ook Thuiszorg Groningen, over de doelstellingen van de RvB. Er was ten aanzien van belangrijke onderwerpen geen sprake van centrale sturing, terwijl die wel vereist was. De RvT/RvC was pas in een veel te laat stadium bekend met die spanningen; Er zijn veel wisselingen geweest op de posities van controllers. Er was tussen de controllers sprake van een gespannen verhouding met als gevolg dat er geen geïntegreerde, tijdige en juiste informatie voor de RvB, de AC en de RvC beschikbaar was; De kwaliteit van de AO/IC van MNL en een aantal van haar werkmaatschappijen was onvoldoende. De kwaliteit en tijdigheid van wat aan managementinformatie door de werkmaatschappijen aan het Meavita-concern werd opgeleverd was niet voldoende om op concernniveau geconsolideerde, betrouwbare stuurinformatie te ontwikkelen voor gebruik door de RvB, de AC en de RvC. Het is tot juli 2008 niet gelukt volledig ingevulde geconsolideerde rapportages te presenteren omdat belangrijke informatie nog steeds ontbrak; Bij verschillende werkmaatschappijen van het Meavita-concern zijn regelmatig liquiditeitsproblemen geweest. Het concern stelde dan liquiditeiten van Sensire beschikbaar. De afspraken rond de forse rekening-courantverhoudingen werden – in weerwil van de aanbevelingen van de accountant – niet vastgelegd in contracten; Het risicomanagementsysteem van MNL was zeer beperkt in opzet. De risico-inventarisatie door Ernst & Young (“E&Y”) werd gebaseerd op een strategienota die niet was vastgesteld en waarvan de RvC had geconcludeerd dat deze beneden de maat was; De integratie van de ICT-systemen na de fusie van 1 januari 2007 is mislukt; I. Gedurende de budgetjaren 2006 tot en met 2008 hebben Sensire en Thuiszorg Groningen gezamenlijk € 10,2 miljoen aan AWBZ-productie gerealiseerd die niet is vergoed vanwege beperkingen in de productieafspraken met zorgkantoor Menzis. De kwaliteit en tijdigheid van de stuurinformatie was bij Sensire en Thuiszorg Groningen in de jaren 2006 en 2007 niet voldoende op de eisen van de nieuwe tijd toegerust en onvoldoende om het ontstaan van overproductie tijdig te constateren, zodat die niet kon worden voorkomen; De maatregelen ter beperking van de kosten, die nodig waren als gevolg van de invoering van de WMO, zijn niet doorgevoerd. Het uitblijven van besluiten en resultaten is het gevolg van de houding (onwil) van bepaalde directeuren, de weerstand van vakorganisaties en het onvermogen van de RvB om besluiten tot stand te brengen en vervolgens te doen uitvoeren; De samenwerking met Accounting Plaza B.V. in de joint venture Vita Plaza was een fiasco. Het project heeft veel geld gekost. De implementatie van dit grote en risicovolle project is door de RvB, RvC en de AC niet goed gevolgd met als gevolg dat het hele jaar 2007 bij Meavitagroep in het teken heeft gestaan van onbetrouwbare of ontbrekende cijfers, zodat er geen goed zicht was op de resultaatsontwikkeling; In strijd met geldende interne procedures voor investeringen van deze omvang (de RvC is niet vooraf om toestemming gevraagd), wordt besloten tot een investering van € 20,3 miljoen voor het TVfoon-project (zorg op afstand door middel van kastjes die op de TV worden aangesloten) dat uiteindelijk tot geen enkel resultaat heeft geleid; De steunaanvraag bij de NZa werd afgewezen omdat deze niet voldeed aan de formele eisen. Het herstelplan was veel te optimistisch. Volgens curatoren heeft zich op elk van deze onderdelen strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap bij verweersters voorgedaan en levert elk van deze onderdelen, op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, wanbeleid op (verweerschrift 2.2). 4.6 De Ondernemingskamer zal deze stellingen, gelet op het voorgaande, tevens als stellingen van AAF aanmerken en ten aanzien van elk van de onderdelen A tot en met M onderzoeken of deze – ieder voor zich of in onderlinge samenhang – toewijzing van de verzoeken van AAF tot het vaststellen van wanbeleid en de verantwoordelijkheid daarvoor, alsmede de gevraagde vernietiging van besluiten rechtvaardigt. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer zullen daarmee ook de hiervoor uit het verzoekschrift van AAF onder 12 aangehaalde punten a tot en met f behandeld zijn. De verzoeken tot het vaststellen van verantwoordelijkheid voor wanbeleid (zaak 01) 4.7 AAF verzoekt de Ondernemingskamer vast te stellen dat voor het wanbeleid verantwoordelijk zijn "de Raad van Bestuur van Meavitagroep en/of S&TZG en/of Meavita Nederland, in het bijzonder de bestuurders [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] en/of [G] en de Raad van Toezicht van Meavita West en/of de Raad van Commissarissen van S&TZG en/of Meavita Nederland, in het bijzonder de commissarissen [L] en/of [T] en/of [N] en/of [P] en/of [S] en/of [Q] en/of [K] en/of [R] en/of [M]" (het gecorrigeeerde petitum). Volgens curatoren zijn voor het door hen gestelde wanbeleid – zo begrijpt de Ondernemingskamer – verantwoordelijk: de raden van bestuur van verweersters, althans de bestuurders [A] , [B] , [C] , [D] en [E] , de raad van commissarissen van S&TZG/Meavita Nederland, althans de commissarissen [T] , [L] , [N] , [P] , [S] , [Q] , [K] , [R] en/of Maarssen van den Brink en de raad van toezicht van Meavitagroep, althans de leden van de raad van toezicht [L] , [Q] , [V] , [H] , [W] , [U] en/of [J] . Afgezien van [G] die wel in het lijstje van AAF voorkomt maar niet in dat van curatoren, heeft het verzoek van curatoren tot het vaststellen van verantwoordelijkheid betrekking op meer organen en meer personen dan het verzoek van AAF. AAF noemt de raad van bestuur van Meavitagroep en van S&TZG/Meavita Nederland, terwijl curatoren de raden van bestuur van alle verweersters noemen. Voorts noemen curatoren [V] , [H] , [W] , [U] en [J] , die in het lijstje van AAF niet voorkomen. De welwillende uitleg van de processtukken die de Ondernemingskamer hiervoor gepast achtte ten aanzien van het toerekenen aan AAF van de stellingen van curatoren met betrekking tot de wanbeleid-onderwerpen kan er niet toe leiden dat verantwoordelijkheid voor wanbeleid wordt vastgesteld van andere organen of personen dan AAF in haar desbetreffende verzoek heeft genoemd. AAF heeft in haar nadere schriftelijke reactie wel verwezen naar het verweerschrift van curatoren onder 2.1 (de onderwerpen-opsomming A tot en met M) maar niet naar 2.2 (de opsomming van verantwoordelijke organen en personen). Belangrijker is echter dat bij de beantwoording van de vraag op wie een verzoek en een daarop te geven beslissing betrekking hebben – de vraag wie partij is – een meer strikte uitleg past. Daarbij komt dat twee van de zojuist genoemde personen niet zijn verschenen, terwijl het niet bij voorbaat onwaarschijnlijk is, dat zij daarvan juist hebben afgezien, omdat zij aannamen dat het verzoek van AAF zich niet tot hen richtte. Zij hebben het tegendeel ook niet behoeven af te leiden uit het gebruik van de woorden "in het bijzonder de commissarissen" met daarachter een aantal namen, nog daargelaten dat de genoemde vier personen – net als enkele van de wel genoemde personen – geen commissaris, maar lid van een raad van toezicht waren. De Ondernemingskamer zal derhalve onderzoeken of de door AAF genoemde organen en personen voor mogelijk vast te stellen wanbeleid verantwoordelijk zijn en zich daartoe moeten beperken. De verzoeken tot het vernietigen van besluiten (zaak 01) 4.8 AAF verzoekt de Ondernemingskamer om op de voet van artikel 2:356 BW te vernietigen "alle besluiten van de Raad van Toezicht van Meavita West en/of de Raad van Commissarissen van S&TZG en/of Meavita Nederland tot decharge c.q. kwijting van alle hiervoor genoemde bestuurders." Curatoren ondersteunen dit verzoek. Voor zover zij beogen zelfstandig te verzoeken besluiten (decharge en het besluit tot het verlenen van finale kwijting aan [A] ) te vernietigen (verweerschrift 2.2), zijn zij – de Ondernemingskamer merkte dat reeds op – daarin niet ontvankelijk. De verzoeken tot verhaal van de onderzoekskosten (zaak 02) 4.9 Het verzoek tot kostenverhaal van AAF richt zich tegen "belanghebbenden", subsidiair ten laste van "de curatoren c.q. de failliete boedels". Het verzoek tot kostenverhaal van curatoren richt zich tegen [A] , [B] , [C] , [D] , [E] , [T] , [L] , [N] , [P] , [S] , [Q] , [K] , [R] , [M] , [V] , [H] , [W] , [U] en/of [J] , "althans ten laste van de door ABVAKABO (…) genoemde personen". Aldus verwijzen AAF en curatoren (subsidiair) naar elkaars verzoeken om te bepalen tot wie het eigen verzoek zich richt. De Ondernemingskamer begrijpt de verzoeken aldus dat zij zich beide richten tegen de in deze alinea bij name genoemde personen. De Ondernemingskamer merkt op dat het verzoek tot kostenverhaal derhalve ook betrekking heeft op personen die buiten het bereik van het verzoek tot vaststelling van verantwoordelijkheid voor wanbeleid vallen. Het moet voor hen duidelijk zijn geweest dat het verzoek tot kostenverhaal ook op hen betrekking had. [G] valt echter niet onder het verzoek tot kostenverhaal. Hij wordt niet genoemd in onder "belanghebbenden en de overige in § 2.2 genoemde personen” (verweerschrift curatoren 11.5) en het feit dat hij onder de subsidiaire verwijzing "de door ABVAKABO in § XII (Conclusie) genoemde personen (zoals weergegeven in § 1.3 van dit verweerschrift)" wel opduikt, is onvoldoende. 4.10 De Ondernemingskamer begrijpt de stellingen van AAF en curatoren aldus dat AAF € 50.000 en curatoren € 950.000, beide bedragen verhoogd met BTW, hebben voldaan en dat de verzoeken op die met BTW verhoogde bedragen betrekking hebben. 4.11 Op een aantal punten bevatten de nadere schriftelijke reacties van AAF respectievelijk curatoren een aanvulling of wijziging van (de gronden van) het verzoek. Deze houden voldoende verband met het gestelde in het verzoekschrift van AAF respectievelijk dat van curatoren, zodat – er is, voor zover voor de beoordeling en beslissing van belang, geen bezwaar tegen gemaakt – de verzoeken op die basis beoordeeld en beslist kunnen worden. 5De gronden van de beslissing (inleidende opmerkingen) 5.1 De Ondernemingskamer zal thans het verzoek van AAF tot vaststelling van wanbeleid behandelen en daartoe – zoals overwogen – ten aanzien van elk van de door curatoren genoemde onderdelen A tot en met M onderzoeken of zich – op zichzelf dan wel in onderling verband gezien – wanbeleid heeft voorgedaan. De Ondernemingskamer zal telkens relevante passages uit (de conclusies van) het onderzoeksverslag weergeven (de Ondernemingskamer heeft de in het verslag vermelde voetnoten, zonder dit ter plaatse te vermelden, weggelaten), vervolgens samenvattend de belangrijkste punten van de toelichting van AAF en/of curatoren respectievelijk de verweren weergeven. Daarbij zullen de verweren die in onderscheiden verweerschriften – zakelijk – overeenstemmen veelal maar één maal worden weergegeven. De Ondernemingskamer heeft er rekening mee gehouden dat de verweerschriften op onderdelen volstaan met verwijzing naar andere verweerschriften, zoals in het individuele verweerschrift van [B] onder 4 naar dat van [A] . Waar nodig zal de Ondernemingskamer nadere feiten vaststellen in aanvulling op de vaststellingen onder 2. Na behandeling van de onderdelen A tot en met M zal de Ondernemingskamer in een volgend hoofdstuk beoordelen of het gestelde al dan niet de conclusie van wanbeleid rechtvaardigt, daaraan bijdraagt of een ander (daarmee samenhangend) oordeel rechtvaardigt en beoordelen wie daarvoor verantwoordelijk is. Aan het slot van dat hoofdstuk zal de Ondernemingskamer ook enkele overwegingen wijden aan het beroep dat de groep bestuurders en commissarissen doet op de moeilijke omstandigheden waaronder zij moesten opereren. Ten slotte zal de Ondernemingskamer de verdere verzoeken en verweren beoordelen. 5.2 De Ondernemingskamer zal bij haar overwegingen regelmatig verwijzen naar vindplaatsen in de processtukken, de producties en (de bijlagen bij) het onderzoeksverslag. Die verwijzingen dienen niet in beperkende zin te worden opgevat. Ook de relevante passages waarnaar niet is verwezen, zijn vanzelfsprekend in de beoordeling van verzoek en verweer betrokken. Doorgaans volstaat de Ondernemingskamer met de vermelding van één verwijzing. Ten slotte merkt de Ondernemingskamer in dit verband nog op dat voor stellingen en verweren die niet (uitdrukkelijk) zijn behandeld geldt dat zij – indien juist – de beslissing en de gronden waar zij op berust niet relevant anders zouden maken. 6Beoordeling van onderdelen A en B 6.1 Deze onderdelen luiden als volgt. "De governance binnen het Meavita-concern, waaronder de samenstelling en het functioneren van de diverse raden van bestuur (“RvB”) en van de RvT/RvC, was volstrekt onvoldoende. Het besluit tot de fusie tussen Meavitagroep en S&TZG is niet voorafgegaan door de vaststelling van concrete fusiedoelstellingen, financiële projecties en risico’s. De doelstellingen van de fusie zijn, voor zover die al gedefinieerd waren, niet gehaald." 6.2 Gelet op de onderlinge samenhang zal Ondernemingskamer de onderdelen A en B tezamen behandelen. Uit het onderzoeksverslag 6.3 Het onderzoeksverslag houdt met betrekking tot het beleid en de gang van zaken ten aanzien van de samenstelling en het functioneren van bestuur en toezicht (van de onderdelen) van het Meavita concern voor en na de fusie (onderdeel A) onder meer het volgende in. "3. DE TOTSTANDKOMING VAN HET CONCERN EN DE GOVERNANCE (…) D. De samenstelling en het functioneren van de RvB’s (…) (
- p)Conclusie 3.189 Zowel S&TZG als Meavitagroep hebben in hun jaarstukken 2006 verklaard dat zij de Zorgbrede Governancecode toepasten. Na de fusie werd de Meavita Governancecode vastgesteld die grotendeels dezelfde tekst bevatte als de Zorgbrede Governancecode. 3.190 In de reglementen van de RvT van Meavita West en van de RvC van MNL is niet vastgelegd welke procedures worden gehanteerd bij de aanstelling van nieuwe bestuurders. Onderzoekers hadden (op basis van hun persoonlijke ervaringen met dergelijke processen) verwacht dat er bij de vorming van een nieuw concern profielen zouden zijn gemaakt waarin de gewenste competenties en ervaring van de leden van de nieuwe RvB zouden zijn gedefinieerd. De nieuwe RvB stond namelijk voor een forse opgave aangezien: • de nieuwe fusieorganisatie een stuk omvangrijker zou zijn dan elk van de twee bestaande organisaties en er ambitieuze, concern overstijgende, doelstellingen waren gedefinieerd in het fusiedocument; • er met de invoering van de WMO belangrijke uitdagingen waren voor alle onderdelen van het concern; • er binnen S&TZG nog beperkt resultaat was geboekt met het implementeren van de fusie uit 2005; en • ook binnen Meavita West de onderdelen Thuiszorg en Woonzorg erg zelfstandig opereerden en ook bijvoorbeeld IT-systemen nog weinig geïntegreerd waren. 3.191 Niet alleen wilde MNL gebruik maken van de nieuwe technologische mogelijkheden, ook was men van plan een fors deel van de back-offices en de IT in elkaar te schuiven. Dat dit niet eerder op grote schaal succesvol gebeurd was binnen de verschillende onderdelen van MNL en dat daarmee bij de leden van de nieuwe RvB geen ervaring bestond, maakte dit, in de ogen van onderzoekers, tot een fors risico. 3.192 Betrokkenen schrijven het hiermee oneens te zijn, aangezien het niet de bedoeling was een veel meer complexe organisatie te creëren, de organisaties nagenoeg ongewijzigd zouden blijven, de holding een beperkte taakopvatting had, de WMO vooral een opgave was voor de verschillende werkmaatschappijen en er binnen Meavita West wel een paar zaken waren geïntegreerd (Treasury, MDC en Flexwerk). Zij geven aan dat de benoemde bestuurders succesvolle bestuurders waren van grote zorgorganisaties die een nieuwe grote zorgorganisatie gingen besturen. Daarnaast geven zij aan dat het creëren van het shared service centre een opdracht voor langere termijn was. 3.193 Onderzoekers stellen vast dat er in de fusie-doelstelling wordt gesproken over doelstellingen te bereiken 'binnen afzienbare termijn'. Daarnaast wordt in hoofdstuk 5, onderdeel N van dit verslag vastgesteld dat er ambitieuze ICT-doelstellingen zijn gedefinieerd waarbij het nodige aan integratie binnen een jaar gerealiseerd moest zijn. Ook het TVfoon-project (beschreven in hoofdstuk 10) en de voorgenomen inrichting van een landelijke thuishulporganisatie (beschreven in hoofdstuk 8) zijn activiteiten waarmee, kort na de fusie, al getracht werd concernbrede resultaten te bereiken. 3.194 Ook gelet op de felle discussie die is gevoerd over de te benoemen bestuurders, had het volgens onderzoekers voor de hand gelegen te werken aan de hand van profielen. 3.195 De RvB van MNL is onvoldoende stabiel geweest om de forse problemen waar Meavita mee geconfronteerd werd (die in de volgende hoofdstukken worden besproken) het hoofd te bieden. Het aantal wisselingen was groot (vier voorzitters in een periode van minder dan twee jaar) en de samenstelling, vanwege onder meer de langdurige ziekte van een lid en het ontbreken van een CFO, niet optimaal. 3.196 Het functioneren van [A] heeft niet bijgedragen aan het realiseren van een succesvolle fusie omdat hij het vertrouwen van de directeuren, en later ook zijn medebestuurslid [B] , al snel na de fusie is verloren. 3.197 [L] heeft in april/mei 2007 van externen meerdere signalen ontvangen over het gedrag van [A] . [N] heeft in april grote vraagtekens gesteld bij het door [A] gepresenteerde strategiestuk en tussen juli en september 2007 liep de irritatie bij de AC op over de onheldere en tegenvallende cijfers. 3.198 In de zelfevaluatie van de RvC over 2007 (bijlage 3.2) noemen [Q] en [L] dat zij (ook externe) signalen over [A] hadden ontvangen en daarover samen overleg hebben gevoerd. En dat zij er beducht voor waren dat het aan de orde stellen daarvan, gezien ook het voortraject, bij de andere leden van de RvC weerstanden zou oproepen. [L] zegt in dit document "dat hij heeft willen wachten met ingrijpen in verband met onzekerheid over de opstelling van andere commissarissen. Het terugtreden van een deel van de commissarissen was een reële mogelijkheid en had weer andere problemen opgeleverd." Betrokkenen geven in hun reactie op het Conceptverslag aan dat de betrokken RvC-leden van mening zijn dat geen uitstel over het ontslag van [A] heeft plaatsgevonden. Onderzoekers maken uit het document zelfevaluatie RvC 2007 echter iets anders op. 3.199 Bij de benoeming van [DD] (in juni 2007) was er sprake van een zeer beknopt profiel en slechts één kandidaat. De RvC was met dat laatste niet gelukkig. 3.200 De zorgelijke financiële situatie van MNL op 1 oktober 2007 was onder andere het gevolg van forse problemen bij Meavita West, die onder het voorzitterschap van [B] (tot eind 2006) zijn ontstaan. De RvC hield hiervoor echter [E] verantwoordelijk en niet [B] . 3.201 Commissarissen hebben verklaard dat er binnen de RvC uitvoerig en indringend is gesproken over de geschiktheid van [B] om de snelle en doortastende acties te ondernemen die er nodig waren om het tij te keren. De RvC heeft verklaard unaniem en bewust gekozen te hebben voor benoeming van [B] voor een periode van maximaal een jaar om rust in de organisatie te houden en in die periode uit te kunnen kijken naar een opvolger. Uit de tekst van de zelfevaluatie van de RvC over 2007 blijkt dat [N] in januari 2008 heeft verklaard liever een andere voorzitter te hebben benoemd. 3.202 Enkele algemeen directeuren hebben in hun interview aangegeven verbaasd te zijn geweest over de benoeming van [B] en deze niet te steunen. Het is onderzoekers echter duidelijk geworden dat de directeuren aan de voorzitter van de RvC en de leden van de RvB hun steun voor dit besluit hebben geuit. 3.203 [B] werd benoemd in een situatie waarin de andere bestuurder herstellende was van een ernstige ziekte en zonder de financiële versterking van het bestuur waarop de accountant had aangedrongen. De financiële ondersteuning van de RvB werd door de aanstelling van Marring en Meij wel versterkt. 3.204 De RvC had de overtuiging de juiste voorzitter te benoemen. Commissarissen hebben in dit verband aangegeven dat bij de benoeming van [B] de continuïteit en zijn verbindende persoonlijkheid de doorslag hebben gegeven. Onderzoekers concluderen dat velen hem inderdaad een bindende persoonlijkheid hebben genoemd. Achteraf is te constateren dat hij er niet in is geslaagd om de directeuren te laten samenwerken langs de door de RvB uitgezette lijnen om de nodige belangrijke ombuigingen te realiseren. 3.205 Hoewel de RvC meerdere malen de noodzaak tot aanstelling van een CFO heeft vastgesteld, het besluit tot benoeming van een CFO in de RvC en de RvB is genomen en accountant PwC daartoe heeft opgeroepen, heeft de RvC wegens krapte op de arbeidsmarkt van financiële zorgbestuurders in plaats daarvan een financieel directeur aangesteld die aan de RvB rapporteerde. Onderzoekers vinden dat, gezien de beperkte financiële expertise van [B] en [C] en de opstelling van de directeuren van de werkmaatschappijen, opvallend. 3.206 Bovendien werd een financieel directeur benoemd die geen ervaring in de zorg had, zij het dat dit gedeeltelijk gecompenseerd werd door de gelijktijdige benoeming van een controller met een ruime zorgervaring. Tenslotte werd niet vastgelegd wat de positie van de financieel directeur en de concerncontroller was ten opzichte van de directeuren en controllers van de werkmaatschappijen. Hiervan stellen onderzoekers vast dat dit het functioneren van de financieel directeur, in elk geval in haar eigen beleving, heeft gehinderd. Pas eind 2008 werd er besloten een CFO te benoemen maar dat is in verband met de ontvlechting van het concern niet meer gerealiseerd. 3.207 De benoeming van interim-manager [F] voor een periode van 4,5 maand (waarvan de eerste anderhalve maand formeel als lid RvB en niet als voorzitter) in een periode waarin duidelijk was dat er zeer rigoureus moest worden ingegrepen, gaf hem slechts een beperkte periode om zaken te realiseren. Daarbij stellen onderzoekers vast dat de opdracht aan [F] in het contract met Twijnstra Gudde (het aansturen op een financieel resultaat van € 0 in 2008) wel zeer ambitieus was voor een zo korte periode. 3.208 Door de beperkte duur van de benoeming van [F] , zijn aanstelling als lid van de RvB in plaats van voorzitter en daarna de focus op het ontwerpen van een nieuwe strategie van [G] zijn er volgens de financieel directeur kostbare maanden verloren gegaan in een voor MNL zeer cruciale periode. (…) E. De samenstelling en het functioneren van de RvT/RvC (
- b)Conclusie 3.219 Op basis van de agenda's en samenvattende verslagen concluderen onderzoekers dat de RvC van S&TZG gedurende 2006 gefunctioneerd heeft met een duidelijke agenda en besluitvorming. De RvC beschikte (…) echter slechts zeer beperkt over informatie over de operationele gang van zaken. (…) (…) (
- d)Conclusie 3.228 Onderzoekers hebben, op basis van bestudering van de agenda's en samenvattende verslagen 2006 van de RvT van Meavitagroep, vastgesteld dat in de vergaderingen de relevante onderwerpen aan de orde [zijn] geweest. Ook is er gedurende het jaar 2006 veel aandacht besteed aan de voorbereiding van de fusie met S&TZG. De RvT beschikte (…) niet over de juiste informatie over de operationele gang van zaken. (…) (…) (
- f)Conclusie 3.267 De RvC en de AC van MNL werkten op basis van een vastgesteld reglement. 3.268 In de Zorgbrede Governancecode, die zowel bij Meavitagroep als S&TZG van toepassing is geweest, is opgenomen dat bij de werving selectie en benoeming van nieuwe leden van de RvC gebruikt moet worden gemaakt van een profielschets. Onderzoekers vinden het opvallend dat bij de samenstelling van de RvC na de fusie niet traceerbaar is gesproken over het feit dat de nieuwe RvC zou moeten worden samengesteld in het licht van de nieuwe context, de grotere omvang, de toegenomen complexiteit van de nieuwe organisatie en de uitdagingen bij de invoering van de WMO. 3.269 Ook de felle discussie die is gevoerd over de te benoemen commissarissen maakte het eens te meer noodzakelijk te werken aan de hand van profielen. 3.270 In januari 2007 heeft de RvC van MNL, ten behoeve van de werving van nieuwe leden, functieprofielen opgesteld en deze zijn op basis van deze profielen geselecteerd. 3.271 In dit profiel was gedefinieerd dat de RvC van MNL feitelijk toezicht hield op de RvB, die op zijn beurt weer toezicht hield op de verschillende werkmaatschappijen, hetgeen 'Metatoezicht' is genoemd. Onderzoekers merken op dat de leden van de RvB waren benoemd als bestuurder van de verschillende werkmaatschappijen, alwaar een bestuur/directie-model bestond en geen raad van toezichtmodel. 3.272 De drie nieuwe commissarissen die per 1 oktober 2007 zijn aangetreden, zijn bij hun benoeming niet goed op de hoogte geweest van het zware weer waarin de organisatie verkeerde. 3.273 Hoewel er binnen de RvC van MNL een remuneratiecommissie heeft bestaan, is die niet formeel vormgegeven door middel van een reglement of bijvoorbeeld een jaaragenda. Ook zijn vergaderingen niet genotuleerd. Onderzoekers hebben vastgesteld dat deze commissie bij de werving en ontslag van bestuurders de benodigde gesprekken heeft gevoerd en daarvan (via e-mail of in vergaderingen) verslag heeft gedaan aan de rest van de RvC. 3.274 Onderzoekers hebben vastgesteld dat er niet conform de van toepassing zijnde Governancecode ten minste jaarlijks door de RvC van MNL met elk van de leden van de RvB een functionerings- en beoordelingsgesprek is gevoerd. Hoewel de criteria in het beoordelingskader van de RvB wel waren gedefinieerd, vinden onderzoekers het vreemd dat er, vanaf 1 januari 2007 tot aan het einde van de onderzoeksperiode in begin 2009, geen afzonderlijke functioneringsgesprekken zijn gepland, uitgevoerd of vastgelegd. Dit is, gezien het zware weer waarin het concern verkeerde, opmerkelijk. [L] heeft aangegeven dat het ontslag van [A] en de benoeming van [B] per 1 oktober 2007 feitelijk een beoordeling was. Daarnaast hebben zij aangegeven "dat er tijdens de vele RvC- en AC-vergaderingen kritiek en (soms) ook positieve geluiden met de RvB-leden zijn gedeeld." 3.275 Gezien het feit dat er (
- i)in de aanloop naar de benoeming van [A] als voorzitter intensief gesproken was over de toekomst van [B] , (
- ii)hij benoemd was om de countervailing power van [A] te zijn, (iii) er zich tussen januari 2007 en oktober 2007 steeds meer problemen opstapelden en (
- iv)[L] voor de zomer van 2007 van externen verschillende signalen kreeg over het gedrag van [A] , vinden onderzoekers het opvallend dat commissarissen geen rechtstreeks contact hebben gehouden met [B] . 3.276 Onderzoekers hebben vastgesteld dat de RvC en AC van MNL over het jaar 2007 zelfevaluaties hebben uitgevoerd. Over de jaren 2008 en 2009 is dit niet meer gebeurd. 3.277 In de zelfevaluatie 2007 hebben drie leden van de RvC uitgesproken dat er sprake is geweest van een bloedgroependiscussie binnen de RvC. In het verslag van de zelfevaluatie van de RvC geeft de voorzitter van de RvC aan dat hij de discussie in de RvC over de beëindiging van het dienstverband van [A] hierom heeft uitgesteld." 6.4 Het onderzoeksverslag houdt met betrekking tot het beleid en de gang van zaken ten aanzien van de totstandkoming en de verwezenlijking van de fusie (onderdeel B) onder meer het volgende in. "4. DE FUSIE TUSSEN MEAVITAWEST EN S&TZG A. De eerste contacten 4.14 In [een gemeenschappelijke vergadering van de Raden van Bestuur van Meavitagroep en S&TZG] van 20 maart 2006 wordt genotuleerd dat in essentie de wens van beide partijen is te groeien naar een speler van formaat. Met name de synergie en de versterking van (innovatieve) krachten zijn de motivatie. De meerwaarde voor klant én medewerkers dient duidelijk aangetoond te worden. (…) (…) B. De afkoeling en de hernieuwde contacten 4.22 Tussen half april en half juni 2006 ontstaat er tussen de beide organisaties onenigheid, enerzijds over de persoon die als voorzitter van de nieuw te vormen RvB zal worden benoemd en ook over de samenstelling van de nieuwe RvC. Dit leidt tot een tijdelijke stopzetting van de fusiebesprekingen. (…) 4.30 Op 10 juni 2006 wordt in een gesprek tussen [L] en [A] een compromis bereikt. Dit wordt vastgelegd in een document ondertekend door beide voorzitters RvB ( [A] en [B] ) en de voorzitters van respectievelijk de RvC en RvT ( [T] en [L] ): De Raad van Bestuur zal bestaan uit: Mevrouw J. [C] De heer D. [B] (tot 1.1.2008) De heer Th. [A] , voorzitter Mevr. S. [D] (tot 1.4.2007) Na het vertrek van mevrouw [D] zal de raad bestaan uit 3 personen […] De Raad van Commissarissen zal bestaan uit 5 personen. Twee van de huidige Raad van Toezicht van Meavita en twee van de huidige Raad van Commissarissen van Sensire/Thuiszorg Groningen gaan over naar de te benoemen nieuwe Raad van Commissarissen. Door deze vier commissarissen zal een vijfde lid worden gezocht. Indien bij de voorkeur voor de meest geschikte kandidaat er geen eenstemmigheid kan worden bereikt en bij de stemming de stemmen staken, zullen de stemmen van de leden vanuit Sensire/TZG beslissend zijn. Er wordt gestreefd naar een geleidelijke vervanging van de Raad van Commissarissen, waarbij er een evenwicht dient te worden gezocht tussen vernieuwing en continuïteit. Daartoe zal in een preconstituerend beraad van de raad een rooster van aftreden worden opgesteld waarbij op 1 juli 2007 het eerste lid zal aftreden. Dit lid zal afkomstig zijn uit de oorspronkelijke Raad van Meavita. 4.31 Betrokkenen merken in hun reactie op het Conceptverslag op dat bewust is gekozen voor een RvB van drie in plaats van twee leden om voldoende countervailing power te creëren voor [A] . 4.32 Op 19 juli 2006 wordt in een kennismakingsbijeenkomst van de aanstaande leden van de RvC van MNL het proces van de maanden daarvoor geëvalueerd. Er wordt uitgesproken dat men [A] niet in diskrediet heeft willen brengen. (…) (…) Conclusie 4.35 De doelstelling van de fusie tot MNL is met name schaalvergroting geweest, hiermee zou meer slagkracht kunnen worden ontwikkeld ten opzichte van zorgverzekeraars. Andere overwegingen zijn gezamenlijk innovatie en het omlaag brengen van de gemiddelde kostprijs geweest. 4.36 Tussen de RvC van S&TZG en de RvT van Meavitagroep heeft veel onenigheid bestaan over de gewenste persoon als voorzitter RvB en de gewenste samenstelling van de RvC van het nieuwe concern. 4.37 Voor de nieuw in te richten RvC zijn, in afwijking van de bepalingen opgenomen in de Governancecodes van de fusiepartners, geen formele functieprofielen opgesteld. Verschillende commissarissen hebben verklaard dat er bij de samenstelling per 1 januari 2007 wel is gekeken naar de benodigde competenties en dat snel een vijfde commissaris geworven zou worden om het team te versterken. 4.38 Op basis van de discussies concluderen onderzoekers dat de RvT van Meavitagroep een sterke voorkeur had om [B] te benoemen als voorzitter. 4.39 Op basis van de zeer scherpe toon in e-mailwisselingen binnen de RvB en de RvC van S&TZG concluderen onderzoekers dat de weerstand tegen [L] , [Q] en [B] bij de commissarissen van S&TZG aanzienlijk was. (…) C. Stand van zaken van de fusiepartners in 2006 4.41 In de vergadering van de RvB’s van Meavitagroep en S&TZG van 20 maart 2006 worden afspraken gemaakt over "het tijdpad en de inrichting van het vormingsproces". Vastgesteld wordt dat E&Y (de accountant van Meavita West) het due diligence-onderzoek bij S&TZG, Sensire en Vitras uit zal voeren en dat PwC (de accountant van S&TZG) dit onderzoek bij Meavita West en TZG zal uitvoeren. Dit heeft geleid tot [een aantal] rapporten (…) 4.42 Onderzoekers merken op dat de scope van de due diligence beperkt is geweest tot een verzoek om een rapport van financiële bevindingen, risico's en een fiscale scan (…) (…) Conclusie 4.65 De RvB en de RvT van Meavitagroep waren op het moment van het besluit tot fusie met S&TZG op de hoogte van de punten waaraan binnen Meavita West in het vervolg bijzondere aandacht moest worden besteed. Dit betrof bijvoorbeeld noodzakelijke verbetering van de stuurinformatie en de inzetmix, voor een aantal risicovolle projecten, de verslechtering van de financiële resultaten en de gevolgen van de WMO. 4.66 Onderzoekers vinden het opvallend dat bij de bespreking van het due diligence-onderzoek naar Meavita West door de RvB met de RvC gesproken is over positieve operationele resultaten, terwijl het operationele resultaat van Meavita West in het jaar 2005 slechts zeer klein was (€ 0,9 mln) en voor 2006 een negatief bedrijfsresultaat van € 2,6 mln werd begroot. 4.67 Binnen Meavita Thuiszorg bestond duidelijkheid over het feit dat de productiviteit gedurende Q4 2006 terugliep, maar deze informatie heeft de RvB en de AC pas na de jaarafsluiting 2006 bereikt. 4.68 De leden van de RvT van Meavitagroep hebben door hun gesprek met de accountant van E&Y over de uitkomsten van de due diligence het gevoel gekregen dat Meavita West ver op S&TZG voorliep. [B] heeft verklaard dat hij wist dat de situatie bij S&TZG minder ver achterliep dan de accountant tijdens de RvT-vergadering verklaarde. 4.69 De RvB en de RvC van S&TZG waren op het moment van fusie op de hoogte van de punten waaraan binnen S&TZG aandacht moest worden besteed. Dit betrof een aantal risicovolle zaken die, met het oog op veranderende marktomstandigheden, spoedig zouden moeten worden opgepakt omdat ze cruciaal waren voor de organisatie. Het betreft hier met name de inzetmix van het personeel, de AO/IC van Sensire, de overproductie en de tijdigheid en kwaliteit van de managementinformatie. D. Het fusiedocument met doelstellingen 4.70 Op 22 juni 2006 wordt het fusiedocument Meavita Sensire TZG Vitras vastgesteld door de RvB's van Meavitagroep en S&TZG. Het betreft een document van 13 pagina's waarin de intentie en de doelstellingen worden beschreven. Er wordt meerwaarde vanuit de maatschappelijke dimensie en meerwaarde vanuit de bedrijfseconomische dimensie gedefinieerd. Vanuit de maatschappelijke dimensie: het volledig afstemmen van het aanbod op de (zorg)vraag en keuze van de klant; het interesseren van voldoende personeel om te werken in onze sectoren; het voldoen aan de groeiende zorgvraag met een geringere groei van collectieve middelen; ontwikkeling en ontsluiting van nieuwe technologische toepassingen in de zorg; […] Vanuit bedrijfseconomisch perspectief zijn de volgende aanmerkelijke voordelen met de voorgenomen fusie te realiseren: versterking van het innovatievermogen en gezamenlijke eigendom van alle ontwikkelde innovaties en daarmee de toegankelijkheid voor elkaars complementaire competenties; het bundelen van best practices en innovaties uit beide organisaties biedt meerwaarde aan klanten en medewerkers en verhoogt de doelmatigheid; de vestiging van een niet vrijblijvende en solide basis voor het uitvoeren van een gezamenlijke (markt-)strategie en versterking van de strategische slagkracht; de versterking van de bestuurlijke en financiële slagkracht teneinde een interessante partij te zijn voor de landelijke zorgverzekeraars; de vorming van een grondstructuur en een krachtige landelijke organisatie, die zodanig is ingericht dat maximale aansluiting blijft bestaan op de lokale markten en openingen biedt voor eventuele nieuwe toetredende participanten; schaalgrootte, waarmee voordelen te behalen zijn in de inkoop, de organisatie van backoffice activiteiten, in de ICT en het vastgoed, in de marketing, en productontwikkeling, de klantenservice, de verkoop en innovatie. 4.71 In dit document worden op basis van deze analyse vervolgens de fusiedoelen gedefinieerd: Met de fusie kunnen binnen afzienbare tijd de volgende doelen worden gerealiseerd: I. het realiseren van de continuïteit en uitbreiding van de dienstverlening aan klanten van beide organisaties en van regionale entiteiten die geworteld zijn in de regionale cultuur. II. het ten gunste van klanten optreden als 'uitvinder van mogelijkheden' en (technologische) innovaties voor hen te ontsluiten en daartoe het vermogen van partijen om innovaties snel te integreren en te implementeren. Het behoud van toegankelijkheid van zorg staat hierbij hoog in het vaandel. III. het voor meer klanten beschikbaar stellen van ontwikkelde competenties en daarmee de ambitie verder uit te groeien tot een landelijke speler en daartoe:
- a)de uitbreiding van de klantenservice en een gezamenlijke marketingstrategie;
- b)de uitontwikkeling, implementatie en uitrol van een landelijk 24-uurs full-service concept op basis van moderne communicatie-technieken;
- c)de gezamenlijke investering in marketing en innovatie. IV. het realiseren van gezamenlijke verkoopkracht en daarmee het vermogen een gezonde balans te bereiken in het zorginkoopproces. V. het concernbreed toepassen van de complementaire kennis van ambitiemanagement van Meavita en de teambased personeelsconcepten van Sensire/TZG. VI. behoud regionale entiteiten die geworteld zijn in de regionale cultuur. VII. realisatie van kostenvoordelen en kwaliteitsverbetering en daartoe opschaling van de backoffice activiteiten, met als eerste aandachtspunten inkoop en de (financieel-) administratieve processen. VII. de continuïteit van de opbrengsten en van de 'return' op in het verleden gedane investeringen. Het behoud van werkgelegenheid. 4.72 Onderzoekers hebben commissarissen bevraagd over de manier waarop de RvC zicht zou houden op de voortgang van realisatie van de doelstellingen. Duidelijk is dat men daarover geen afspraken heeft gemaakt. [Q] zegt in haar interview: We gaan eerst de budgets afmaken, dan wordt het een consolidatie en zodra er een nieuw strategisch plan, wat gezamenlijk is gemaakt, ook met die algemeen directeuren, is, begin 2007, dan hoort daar op basis daarvan een nieuwe financiële paragraaf te worden gecreëerd. [P] zegt in zijn interview: […] daarom hebben we gezegd: dat doen we op het moment dat we gefuseerd zijn. Dat gaat zich tonen, en het gaat gematerialiseerd worden op het moment dat we gefuseerd zijn. [L] zegt in zijn interview: Die zouden zij gaan melden bij ons, bij de Raden van Toezicht hebben wij daar natuurlijk naar gekeken, maar ze hadden natuurlijk […] daar begin je niet na de eerste drie maanden al mee, want dat gaat natuurlijk niet lukken, maar natuurlijk na een half jaar tot een jaar hadden wij afgesproken dat we een evaluatie zouden doen van de voortgang van de fusie. 4.73 Interim-bestuurder [F] , die in mei 2008 is benoemd, zegt in zijn interview over de definitie van de fusie-doelstellingen: Er waren wel doelen geformuleerd, dat is ook niet zo ingewikkeld. Maar de manier waarop de doelen gerealiseerd zouden moeten worden, daar heb ik in het archief niks van aangetroffen. 4.74 Betrokkenen schrijven in hun reactie op het Conceptverslag meermalen dat de bestuurlijke fusie geen snelle integratie en geen directe, maar juist een geleidelijke effectuering van doelen en de te behalen voordelen beoogde. Zoals ook al eerder genoemd in hoofdstuk 3, onderdeel D hebben onderzoekers echter vastgesteld dat er kort na de fusie al de nodige werkmaatschappij-overstijgende activiteiten zijn gestart zoals het TVfoon-project en de voorgenomen inrichting van een landelijke Hulp-organisatie. Daarnaast zijn er kort na de fusie ambitieuze ICT-doelstellingen gedefinieerd waarbij het nodige aan integratie binnen een jaar gerealiseerd moest zijn. Conclusie 4.75 Het is gebruikelijk om in voorstellen tot fusie in de toelichting concrete doelstellingen van de fusie te expliciteren, financiële projecties te maken en aandacht te besteden aan de risico's. Vaak wordt ook, waar mogelijk, vastgelegd hoe die risico's zullen worden beperkt. 4.76 Onderzoekers constateren dat de doelstellingen van de fusie van 1 januari 2007 slechts op hoofdlijnen waren gedefinieerd. Ook waren geen afspraken gemaakt over de wijze waarop de realisatie van de gedefinieerde doelstellingen zouden worden gevolgd door de toekomstige RvB en RvC. De RvC van S&TZG en de RvT van Meavita West zijn ervan uitgegaan dat de gedetailleerde invulling van de beoogde fusieresultaten en van de wijze van implementatie daarvan zou gaan plaatsvinden na vorming van het concern. Voor zover onderzoekers hebben kunnen nagaan, is het tot een concrete invulling niet gekomen. 4.77 Het fusiedocument bevat geen financiële paragraaf. Gezien het feit dat als fusiedoelstellingen schaalvoordelen en verkoopmacht naar zorgverzekeraars waren gedefinieerd, er een bestuurscentrum zou worden ingericht en verschillende onderdelen van het concern in het voorafgaande jaar in verlieslatende situaties terecht waren gekomen, hadden onderzoekers verwacht dat er afspraken zouden zijn gemaakt, althans zou zijn gesproken over de financiële dimensie van de doelstellingen en over de manier waarop de kosten van het bestuurscentrum en de lopende en voorgenomen omvangrijke projecten (bijvoorbeeld shared services, ICT en de TVfoon) gedragen zouden gaan worden. 4.78 Het fusiedocument bevat geen risicoparagraaf. Het beschrijven van de risico's in het fusiedocument zou de organisatie wellicht beter hebben voorbereid op de zaken die zich ten tijde van de totstandkoming van het concern reeds materialiseerden (de noodzaak tot verbetering van de managementinformatie, de invoering van de WMO, de overproductie van AWBZ-zorg, de moeizame uitrol van de TVfoon en de implementatie van Vita Plaza) en waarvan duidelijk was dat die vermoedelijk grote impact zouden gaan hebben. In de verschillende due diligence-rapportages is wel aandacht besteed aan de individuele risico’s per werkmaatschappij en die van S&TZG. E. Realisatie van de doelstellingen 4.79 In de steunaanvraag aan de NZa heeft [F] de resultaten van de fusie als volgt samengevat. In het jaar 2007 heeft de concernvorming te weinig gestalte gekregen. Teneinde van de beoogde synergievoordelen te profiteren zou gebruik worden gemaakt van schaalvoordelen ten aanzien van inkoop en op het terrein van IT. Ook fusievoordelen op het terrein van het onderling uitwisselen van kennis en kunde op het gebied van zorg en zorginnovaties zouden worden nagestreefd. Tenslotte zou ook het financieel beleid centraal worden gevoerd. Helaas heeft dit alles niet plaatsgevonden. Conclusie 4.80 Vanwege het feit dat twee van de vier werkmaatschappijen en de moederstichting zijn gefailleerd, een andere werkmaatschappij (Sensire) met aanzienlijke vorderingen op de boedels en een sterk verzwakte vermogenspositie zelfstandig verder is gegaan en met de omvangrijke projecten geen resultaten zijn bereikt, concluderen onderzoekers (achteraf) dat de doelstellingen van de fusie, voor zover gedefinieerd, niet zijn behaald. In de periode tussen eind 2005 en genoemde faillissementen is het eigen vermogen van de betrokken organisaties in totaal met ongeveer € 80 mln afgenomen." Toelichting AAF/curatoren onderdelen A en B 6.5 AAF en curatoren hebben ten aanzien van onderdelen A en B onder meer het volgende aangevoerd. 6.6 AAF vindt de gedachte achter de fusie tussen Meavitagroep en S&TZG "een prachtig verhaal", maar vraagt zich af: "waarom heeft men de voordelen van het schaalvoordeel en/of de fusie dan niet geconsumeerd?" (verzoekschrift 13 en volgende). Men heeft de inkoop decentraal gehouden en daardoor een groot bedrag aan besparingen gemist (verzoekschrift 14). De integratie van de organisatie en automatisering was gebrekkig. Dit heeft "onnodig veel tijd, energie en geld gekost" (verzoekschrift 15). Het Meavita concern was "een eilandenrijk, waarvan de (fusie)voordelen niet genoten werden". Er bleven "bloedgroepen" bestaan en bestuur en toezichthouders hebben weinig of niets daartegen ondernomen. Ook is er "geen paal en perk gesteld aan de eigengereidheid van de Directeuren, die dachten dat zij koning waren in hun eigen koninkrijk en besluiten van het concern niet hoefden op te volgen" (verzoekschrift 17). De fusie is "krakkemikkig" voorbereid (verzoekschrift 19). Volgens AAF heeft het functioneren van [A] en [B] "niet bijgedragen aan het succes van de fusie" en heeft de vervanging van [A] door [B] "dan ook niet veel aan de situatie" veranderd. De raad van bestuur was "op onzorgvuldige wijze" samengesteld (verzoekschrift 37). Er werd niet op "een gestructureerde manier over de financiële problemen (...) gesproken" en er werd onvoldoende actie genomen op de "desastreuze cijfers” die de concerncontroller medio 2007 verschafte. Dit een en ander getuigt van "slecht beleid" (verzoekschrift 38). Wat betreft het beleid ten aanzien van de WMO: men had "scherper moeten offreren". Het voor lief nemen van de hoge verliezen in Den Haag was "bedrijfseconomisch onverantwoord" (verzoekschrift 39). Er werd te weinig ingegrepen, de benoeming van [F] kwam te laat (verzoekschrift 41). De raad van commissarissen was op de hoogte van "de chaos", maar deed niets. [L] , de voorzitter van de raad van commissarissen, verenigde te veel functies in zich en nam zijn taak bij Meavita Nederland niet voldoende serieus (verzoekschrift 44 en volgende). De raad van commissarissen was op de hoogte van het disfunctioneren van [A] , maar greep niet in (verzoekschrift 52 en volgende). Functioneringsgesprekken van de leden van de raad van commissarissen werden niet gevoerd, nieuwe commissarissen werden onvoldoende geïnformeerd (verzoekschrift 57). Bij verschillende gelegenheden ging de raad van commissarissen van onjuiste informatie uit (verzoekschrift 58 en volgende). Aldus nog steeds AAF. 6.7 Volgens curatoren was voorafgaande aan de fusie bekend "dat zowel bij Meavita West als bij S&TZG het nodige niet op orde was. Daar hebben de RvB, de RvT en de RvC niets, althans onvoldoende mee gedaan en dat is verwijtbaar" (verweerschrift curatoren 4.2). Na onderzoek bij Meavitagroep heeft PwC op 31 mei 2006 gewezen op "de ontbrekende business case van TVfoon, de noodzakelijke verbetering van stuurinformatie, outsourcing van administraties naar Vita Plaza, plus het risico van de naderende WMO en de verslechtering van de financiële resultaten" (verweerschrift 4.3). De informatievoorziening binnen de fusiepartners was onvoldoende (verweerschrift 4.4 en 4.8). Medio 2006 constateert de raad van commissarissen van S&TZG dat de administratie van Sensire niet op orde is. Er is overproductie (verweerschrift 4.6 en 4.7). De raad van bestuur van Meavita Nederland heeft zich niet of onvoldoende beziggehouden met de voortgang van de realisatie van de doelstellingen en de raad van commissarissen heeft daarop onvoldoende toezicht gehouden. De doelstellingen van de fusie zijn "totaal niet (...) bereikt" (verweerschrift 4.9). Het fusiedocument bevat geen financiële paragraaf. Dat is "onbegrijpelijk, gelet op o.a. de lopende en voorgenomen omvangrijke projecten." Het fusiedocument bevat ook geen risicoparagraaf, "terwijl dat wel voor de hand had gelegen" (verweerschrift 4.10). De samenstelling van de raad van bestuur van Meavita Nederland "deugde niet". Er waren geen profielen voor nieuwe bestuurders vastgesteld en dat had bij de vorming van een nieuw concern natuurlijk wel hebben moeten gebeuren. Gelet op "de forse opgave waarvoor de nieuwe RvB stond en (…) de felle discussie die is gevoerd over de benoeming van [A] en [B] " was de raad van bestuur van Meavita Nederland "onvoldoende stabiel om de forse problemen waar Meavita mee geconfronteerd werd het hoofd te bieden" (verweerschrift 4.11). Ook de samenstelling van de raad van commissarissen van Meavita Nederland "deugde niet, gelet op de bloedgroependiscussie en alle nadelige gevolgen daarvan." Ook hier zijn ten onrechte en in strijd met de Governancecodes van de fusiepartners geen "formele profielschetsen" opgesteld. Er is geen aandacht aan besteed "dat de nieuwe RvC zou moeten worden samengesteld in het licht van de nieuwe context, de grotere omvang, de toegenomen complexiteit van een nieuwe organisatie en de uitdagingen van de invoering van de WMO" (verweerschrift 4.12). Volgens curatoren is de benoeming van [A] tot bestuursvoorzitter een fout geweest, hetgeen zowel de leden van de raad van toezicht van Meavitagroep als de commissarissen van S&TZG valt te verwijten. De leden van de raad van toezicht van Meavitagroep hebben ten onrechte hun grote bezwaren tegen de benoeming opzij gezet. De commissarissen van S&TZG wisten hoe [A] als bestuurder functioneerde en zij kenden ook de gang van zaken met betrekking tot TVfoon (verweerschrift curatoren 3.5). Niet alleen had [A] nooit benoemd mogen worden, maar hij had ook eerder ontslagen moeten worden (verweerschrift 3.6). De benoeming van [B] als opvolger van [A] was "onbegrijpelijk en verwijtbaar". Het was bekend dat het bij Meavitagroep "een financiële en administratieve chaos was, waarvoor [B] in ieder geval medeverantwoordelijk was" (verweerschrift 3.11). Hoewel bij de commissarissen [L] en [Q] bekend was dat de financiële cijfers binnen de raad van bestuur niet meer werden besproken en [B] dat "gewoon (heeft) laten gebeuren", werd hij toch tot voorzitter van de raad van bestuur van Meavita Nederland benoemd (verweerschrift 3.12). Over het profiel van de nieuwe voorzitter was niets vastgelegd (verweerschrift 3.13). Ondanks de door de raad van commissarissen van Meavita Nederland vastgestelde noodzaak daartoe en ondanks het desbetreffende advies van PwC werd geen CFO benoemd – naar de Ondernemingskamer begrijpt: – als derde lid van de raad van bestuur van Meavita Nederland. De benoeming van C. Marring tot financieel directeur van Meavita Nederland kwam "pas" half januari 2008 en daarmee "veel te laat". Bovendien had zij geen ervaring in de zorg en was zij in het licht van de ernst van de situatie "te licht" (verweerschrift 3.15 en volgende). Ook de informatie die de raad van toezicht van Meavitagroep ontving was zeer beperkt en bovendien niet steeds juist (verweerschrift 3.20). De drie op 1 oktober 2007 toegetreden commissarissen werden niet voldoende geïnformeerd over de ernst van de situatie waarin zij terechtkwamen (verweerschrift 3.21 en 3.31). De raad van commissarissen van Meavita Nederland had "kennelijk geen benul van wat er echt aan de hand was" en was daardoor "niet in staat om adequaat in te grijpen" (verweerschrift 3.22). Het is "onbegrijpelijk dat er met zowel [A] tussen april 2006 en oktober 2007 als met [B] in de periode januari 2007 tot juni 2008 geen formele beoordelingsgesprekken zijn gevoerd." Dat was in strijd met het eigen reglement van de raad van commissarissen (verweerschrift 3.26). Over de jaren 2008 en 2009 hebben geen evaluaties (de Ondernemingskamer vult aan: zoals voorgeschreven in de Meavita Governancecode, onderzoeksverslag 3.243) plaatsgevonden. Verweren onderdelen A en B 6.8 Bestuurders en commissarissen hebben in hun onderscheiden (algemene en individuele) verweerschriften ten aanzien van onderdelen A en B onder meer het volgende aangevoerd. 6.9 S&TZG en Meavitagroep zijn volgens de groep bestuurders en commissarissen per 1 januari 2007 een bestuurlijke fusie aangegaan, omdat de AWBZ ingrijpend zou worden gewijzigd en de in het kader van de AWBZ verleende zorg volledig bij de zorgverzekeraars zou worden ondergebracht. Daardoor ontstond behoefte aan landelijk werkende zorgorganisaties (algemeen verweerschrift 81). Ook andere zorgorganisaties fuseerden destijds en ook om dezelfde redenen (algemeen verweerschrift 82). Het paste in de destijds heersende opvattingen. Met de fusie beoogden S&TZG en Meavitagroep een countervailing power te vormen tegenover de verzekeraars en zorgkantoren en om ten behoeve van cliënten en medewerkers tot een betere vorm van zorg, hulpverlening en werkomstandigheden te komen (algemeen verweerschrift 83). Na de fusie vormden Meavitagroep, Sensire, Thuiszorg Groningen en Vitras de werkmaatschappijen (de "Werkstichtingen") van Meavita Nederland. Dit is een veel toegepaste vorm om samenwerking tot stand te brengen in de non profit sector en berustte mede op adviezen met het oog op de eerdere fusies die hadden geleid tot het ontstaan van S&TZG (algemeen verweerschrift 85 en 86). Zowel binnen S&TZG als binnen Meavitagroep maakten het uitvoeren van risico-analyses en interne procedures voordat overeenkomsten werden aangegaan een geïntegreerd onderdeel uit van de organisatie (algemeen verweerschrift 90). Met het oog op de fusie hebben PwC en E&Y in het tweede kwartaal van 2006 due diligence onderzoeken uitgevoerd. E&Y, de accountant van Meavitagroep, deed onderzoek bij S&TZG, Sensire en Vitras; PwC, de accountant van S&TZG, deed dit bij Meavitagroep en Thuiszorg Groningen (algemeen verweerschrift 92 en volgende alsmede producties 8a-c bij dat verweerschrift). PwC en E&Y hebben in mei 2006 aan S&TZG respectievelijk Meavitagroep gerapporteerd. Zij hebben "geen structurele problemen" geconstateerd op grond waarvan S&TZG of Meavitagroep van de voorgenomen fusie zouden hebben moeten afzien (algemeen verweerschrift 92). PwC en E&Y hadden een grote kennis van de branche en zij hebben geen van beide op enig moment te kennen gegeven dat de opdrachten onvoldoende waren om inzicht te krijgen in de aard van de onderzochte organisaties en de daaraan inherente risico's (algemeen verweerschrift 92 en 93). Naar aanleiding van de rapportages van PwC en E&Y hebben de raden van bestuur van S&TZG en Meavitagroep aan de onderscheiden toezichthoudende organen bericht dat de ophanden zijnde overheidsmaatregelen op het gebied van AWBZ en WMO reële risico's inhouden, maar dat deze maatregelen alle organisaties in de sector treffen en dat S&TZG en Meavitagroep ook zonder fusie met die maatregelen en de bijbehorende risico's geconfronteerd zouden worden. Op die grond "(zien wij) in de rapporten geen aanwijzingen dat de voorgenomen fusie deze risico’s vergroot." De "tevredenheid over de financiële gezondheid van beide organisaties (domineert)". Er zijn volgens de beide raden van bestuur dan ook "geen belemmeringen (…) om het fusieproces voort te zetten" (algemeen verweerschrift 95). Vóór de fusie heeft de auditcommissie van Meavitagroep in aanwezigheid van E&Y de resultaten van de due diligence die E&Y had uitgevoerd bij S&TZG en in het bijzonder de onderkende risico's besproken en heeft [B] ten behoeve van de besluitvorming door de raad van toezicht een analyse gegeven van onder meer de financiële en organisatorische risico's (algemeen verweerschrift 98). De fusiepartners zijn zich derhalve bij de besluitvorming bewust geweest van de risico's en hebben onderzoek doen uitvoeren door E&Y en PwC, die de financiële risico's hebben geïnventariseerd, terwijl die risico's niet zouden wijzigen als gevolg van de fusie, zodat de fusiepartners "op redelijke gronden tot de conclusie konden komen dat de fusie zou leiden tot een financieel gezonde groep die, gelet op haar vermogenspositie en het track record van de samenstellende delen, (de Ondernemingskamer leest:) die risico's zou kunnen dragen" (algemeen verweerschrift 99). S&TZG en Meavitagroep hebben "vol overtuiging (…) gekozen voor een bestuurlijke fusie met een ‘lichte’ holding in de vorm van Meavita Nederland boven de Werkstichtingen, een wijze van samenwerking die eerder aan Sensire en Thuiszorg Groningen was geadviseerd (…) en waar zij goede ervaringen mee hadden” (algemeen verweerschrift 100). Uitgangspunt daarbij was onder meer dat de raad van bestuur zou worden gevormd door degenen "die reeds op holding niveau leiding gaven aan respectievelijk Sensire & TZG en Meavita West", dat [B] zich na een jaar zou terugtrekken, dat de raad van commissarissen zou bestaan uit vier leden, twee afkomstig van S&TZG en twee afkomstig van Meavitagroep en dat deze vervolgens getrapt zouden aftreden en aldus een geheel nieuwe raad van commissarissen zou worden gevormd, dat de werkstichtingen – afgezien van Meavitagroep – onder leiding bleven staan van de zittende algemeen directeuren, en dat de raad van bestuur toezicht zou houden op de dagelijkse leiding van de algemeen directeuren en de raad van commissarissen op het functioneren van de raad van bestuur (algemeen verweerschrift 101). Met het oog op de vervanging van de leden van de raad van commissarissen zijn in januari 2007, direct na de fusie, profielen voor nieuwe leden van de raad van commissarissen opgesteld. Deze procedure heeft geleid tot het aantreden van drie nieuwe leden begin oktober 2007 en het aftreden van een van de leden eind 2007. Gelet op de problemen waarmee Meavita Nederland inmiddels werd geconfronteerd, is de verdere vernieuwing van de raad van commissarissen toen getemporiseerd (algemeen verweerschrift 105). De fusie werd breed gesteund, ook door de algemeen directeuren, de ondernemingsraden en de cliëntenraden (algemeen verweerschrift 77 en 107). De decentrale aansturing past goed bij een grote professionele organisatie als die van Meavita Nederland. Dat [F] later – toen zich ernstige acute problemen voordeden – concludeerde dat een andere wijze van aansturing geboden was, "betekent niet dat de fusiepartners niet op redelijke gronden tot de door hen gekozen organisatiestructuur hebben kunnen besluiten" (algemeen verweerschrift 106 en 108). De leden van de raad van bestuur vormden tevens de besturen van (de Ondernemingskamer leest:) de meeste rechtspersonen die deel uitmaakten van het Meavita concern. "In materiële zin hielden zij toezicht op de dagelijkse operationele werkzaamheden van de algemeen directeuren." Het toezicht van de raad van commissarissen was derhalve een "tweedelijns toezicht", ook wel "metatoezicht". In dat licht is het verwijt van onderzoekers en curatoren dat de toezichthoudende organen "slechts op hoofdlijnen" beschikten over informatie met betrekking tot de operationele gang van zaken dan ook niet terecht (algemeen verweerschrift 110). Dat verwijt miskent de gekozen structuur en miskent ook dat E&Y en PwC bij de controle van de jaarrekeningen 2006 geen opmerkingen hebben gemaakt over het niveau van de informatievoorziening; deze was "voldoende op orde" (algemeen verweerschrift 111). Als gevolg van de gekozen – op de statuten berustende – decentrale structuur bleef "de verantwoordelijkheid voor het primaire (zorg)proces op het niveau van de lokale Werkstichtingen (…) rusten." Dat was bij S&TZG voor de fusie ook al zo en werd bij Meavitagroep bij de fusie ingevoerd (algemeen verweerschrift 113 en volgende). Tussen de raad van commissarissen en de algemeen directeuren bestond "geen directe (gezags)lijn". Dit valt te vergelijken "met de overlegstructuren tussen de raad van commissarissen en een ondernemingsraad waarbij het eveneens ongebruikelijk is dat overleg plaats vindt zonder de aanwezigheid van de raad van bestuur" (algemeen verweerschrift 118). Meavita Nederland had gekozen voor "het principe van beleidsarme allocatie; de middelen die bij Meavita Nederland binnen kwamen voor de zorg gingen zoveel mogelijk door naar de zorg, met dien verstande dat de Werkstichtingen overstijgende projecten (zoals TVfoon, "naar 1 ICT" en de "Zo mogelijk projecten") op het niveau van Meavita Nederland plaatsvonden" (algemeen verweerschrift 119). Bij een "beleidsrijke allocatie" bestaat het gevaar van bureaucratie en "verlies aan legitimiteit", terwijl het de vraag is "of een raad van bestuur in de eerste jaren na een fusie al over de deskundigheid en het gezag beschikt om beleidsrijk te alloceren." Onderzoekers hebben zich die vraag ten onrechte niet gesteld (algemeen verweerschrift 119). Onderzoekers miskennen dat een fusie nooit "klaar" is. In de eerste plaats moeten "de primaire processen – in dit geval het verlenen van zorg – gecontinueerd (…) worden." In het fusiedocument zijn algemene doelstellingen geformuleerd, "die vervolgens steeds concreter op verschillende niveaus werden uitgewerkt, allereerst in het stappenplan zoals dat in oktober 2006 werd geformuleerd" (algemeen verweerschrift 120). Hetzelfde geldt voor de governance. De beoogde raad van bestuur en raad van commissarissen heeft al voor de fusie geleidelijk taken overgenomen. Hoewel juridisch de fusie nog niet was afgerond werd deze per 1 januari 2007 wel al operationeel (algemeen verweerschrift 121). Het is juist, dat "geen als 'functioneringsgesprek' geagendeerde besprekingen hebben plaatsgevonden". Dat mag echter geen onjuiste indruk wekken (algemeen verweerschrift 203). [A] is op 1 april 2006 in dienst getreden van S&TZG en gelet op de korte periode tot de fusie op 1 januari 2007 en het feit dat "de inspanningen gericht waren op de fusie, lag een functioneringsgesprek in die periode niet voor de hand." In april 2007 heeft de raad van commissarissen een beoordelingskader voor de leden van de raad van bestuur vastgesteld, maar op grond van "het oordeel dat de Raad van Commissarissen zich inmiddels had gevormd over het functioneren van [A] , heeft de Raad van Commissarissen eind september 2007 besloten de relatie met [A] te verbreken en is het niet tot een formele beoordeling gekomen" (algemeen verweerschrift 204). Met [B] was in september 2006 afgesproken dat hij per 1 januari 2008 uit de raad van bestuur zou treden en in het licht daarvan lag een functioneringsgesprek niet voor de hand (algemeen verweerschrift 204 en 205). [B] is gevraagd per 1 oktober 2007 het voorzitterschap van de raad van bestuur op zich te nemen voor de periode tot uiterlijk 31 december 2008. Vervolgens heeft de raad van commissarissen in zijn vergadering van 4 februari 2008 geconcludeerd "dat het gelet op deze ontwikkeling niet voor de hand lag op dat moment het functioneren van [B] te toetsen aan het beoordelingskader" (algemeen verweerschrift 205). [C] heeft door ziekte haar werkzaamheden van december 2006 tot eind september 2007 niet kunnen verrichten. Nadien heeft zij haar werkzaamheden geleidelijk hervat. In voormelde vergadering van 4 februari 2008 oordeelde de raad van commissarissen dat "een functioneringsgesprek op grond van het beoordelingskader (…) op dat moment evenmin zinvol (was)" (algemeen verweerschrift 205). De verwijten ten aanzien van de overeengekomen arbeidsvoorwaarden en beëindigingsvergoedingen zijn ongegrond (algemeen verweerschrift 206 en volgende en individueel verweerschrift [K] c.s. 38 en volgende). 6.10 [A] heeft aangevoerd dat in het verslag een heldere analyse van de reden voor zijn ontslag ontbreekt (individueel verweerschrift 3.4 en volgende). Volgens [A] concluderen onderzoekers ten onrechte "dat sprake was van terechte ‘irritatie’ of ‘verwarring’ bij de AC over ‘onheldere’ cijfers.” Er werd in die periode “consequent eenzelfde netto jaarverlies gepresenteerd”. Niet blijkt dat de raad van bestuur van Meavita Nederland, “laat staan [A] persoonlijk” erop kon worden afgerekend dat de cijfers mogelijk tegenvielen (individueel verweerschrift 3.23). De ontslagvergoeding van [A] berustte op verworven rechten en was lager dan de adviesregeling van de NVZD (individueel verweerschrift 3.24). 6.11 Volgens [B] hebben onderzoekers onvoldoende oog gehad voor “de impact van de snel veranderende context waarin Meavita moest zien te opereren en te overleven” (individueel verweerschrift 13). Hij zet dat uiteen onder meer ten aanzien van marktwerking en de effecten van de AWBZ en de WMO (individueel verweerschrift 2.1.1, 2.1.2 en 2.1.3), maar ook aan de hand van interne factoren, de eigen koers van de algemeen directeuren en de tegenvallende projecten. Sinds de start van de fusie hebben "inzicht in en denkwijze over bestuur en toezichthouders van (onder meer) semipublieke instellingen" zich sterk ontwikkeld. In de onderzoeksperiode "stond voor bestuurders en toezichthouders de kwaliteit van de zorg nog overwegend voorop" en die kwaliteit was "binnen Meavita (…) uitstekend" (individueel verweerschrift 45). Het is noodzakelijk "om voldoende oog te hebben voor het specifieke (wettelijke) kader van semipublieke instellingen in de vorm van stichtingen (…) en om waakzaam te zijn voor de bekende valkuil van hindsight bias” (individueel verweerschrift 48). [B] wijst er ook op, dat "Belanghebbenden zowel preventief als ad hoc talrijke acties en maatregelen hebben genomen om de vloot bij te sturen" (individueel verweerschrift 52 en volgende). [B] wijst er nog eens op "dat de onderhavige fusie work in progress was" en dat de in eerste instantie algemeen geformuleerde doelstellingen "vervolgens steeds concreter op verschillende niveaus werden uitgewerkt" in de Strategienota 2008 en de Kaderbrief 2008, maar dat eind 2007 "de prioriteit (was) komen te lig