GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.150.738/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 1332539/HA EXPL 12-411 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 november 2015 inzake [APPELLANTE] wonend te [woonplaats], appellante, advocaat: mr. R.J.B. Baarspul te Amsterdam, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LINNEKAMP BELASTINGADVISEURS B.V., gevestigd te Mijdrecht en kantoorhoudende te Amstelveen, geïntimeerde, advocaat: mr. G.C. Endedijk te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellante] en Linnekamp genoemd. [appellante] is bij dagvaarding van 7 maart 2014 in hoger beroep gekomen van de vonnissen d.d. 13 maart 2013 en 11 december 2013 van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), gewezen tussen Linnekamp als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [appellante] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - akte inbrenging producties zijdens [appellante], met producties; - memorie van grieven tevens inhoudende eiswijziging in reconventie, met producties; - memorie van antwoord. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellante] heeft geconcludeerd dat het hof in conventie en reconventie de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad – in reconventie vanwege het niet vermelden van het negatieve vermogen Linnekamp zal veroordelen tot een schadeloosstelling van € 155.744,- althans een in goede justitie te bepalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2011 en vanwege de BTW-problematiek voor recht zal verklaren dat Linnekamp niet gehandeld heeft zoals een redelijk handelend en bekwaam adviseur betaamt en aansprakelijk is voor de door [appellante] daardoor te lijden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met beslissing over de proceskosten. Linnekamp heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 13 maart 2013 onder 1.1 tot en met 1.9 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Met de grieven 1 tot en met 5 komt [appellante] op tegen een aantal feiten die zij als onjuist dan wel onvolledig kwalificeert. Het hof zal – voor zover terecht – met de geuite bezwaren bij de vaststelling van de feiten rekening houden zodat in zoverre voormelde grieven geen verdere bespreking meer behoeven. Voor het overige zijn deze feiten in hoger beroep niet in geschil en dienen zij derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen die feiten neer op het volgende. 2.1 [appellante] is weduwe van de op 2 januari 2011 overleden heer [X] (hierna: [X]). [X] was bij leven eigenaar van de eenmanszaak [X], Elektrotechniek + Zwembadtechniek (hierna: de eenmanszaak). 2.2 Linnekamp is een belastingadvieskantoor. Linnekamp verzorgde de begeleiding van de administratie van de eenmanszaak. Haar werkzaamheden hielden in elk geval in het opstellen van de jaarstukken, het verzorgen van de aangiften inkomstenbelasting, de aangiften loonbelasting en de loonadministratie. 2.3 Op 18 januari 2011 is [appellante], na een gesprek op diezelfde dag met de notaris, bij Linnekamp langs gegaan om advies in te winnen over voortzetting van de eenmanszaak en de mogelijke financiële risico's verband houdende met de nalatenschap. Bij de bespreking ten kantore van Linnekamp waren aanwezig [appellante], haar zwager [Y], [Z] en een medewerkster van Linnekamp,[A]. 2.4 Na de bespreking ten kantore van Linnekamp en nadat Linnekamp diverse zaken had opgepakt, heeft [appellante] op 30 maart 2011 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel laten registreren dat de eenmanszaak met ingang van 2 januari 2011 is voortgezet door [appellante] Zwembadtechniek, van welke onderneming [appellante] met ingang van 2 januari 2011 eigenaar geworden is. 2.5 Na verloop van enkele maanden ontstonden bij [appellante] vragen over declaraties van Linnekamp en over problemen waarmee de eenmanszaak te maken kreeg. [appellante] heeft administratiekantoor Fazet B.V. en later Adfiscass B.V. om hulp verzocht. 2.6 Adfiscass B.V. heeft in oktober 2011 aan [appellante] gerapporteerd dat de eenmanszaak op papier technisch failliet is. 2.7 Bij email van 4 november 2011 heeft [appellante] Linnenkamp dringend om een antwoord verzocht. Met betrekking tot de vragen waarop [appellante] dringend een antwoord wenste, heeft zij in haar email van 4 november 2011 haar daaraan voorafgegane emails van 25 oktober 2011 en 27 oktober 2011 ingekopieerd. In de email van 4 november 2011 staat – voor zover thans van belang – het volgende: "Ik memoreer mijn 2 mails nogmaals en verzoek je nu dringend met een antwoord te komen. Mail 25-10 […] Sinds het overlijden van [X] in januari van dit jaar ben ik opeens eigenaar van een bedrijf waarvan jij al jaren de accountant bent. Begin dit jaar vroeg ik op het voor mij wel zin had om het bedrijf voort te zetten en of ik dat zou kunnen. Volgens jou zou dat allemaal geen probleem moeten zijn. Daarom heb ik het bedrijf voortgezet, in het vertrouwen dat ik een gezond bedrijf zou hebben. De jaarstukken 2009 en 2010 zijn door jou verzorgd in april dit jaar. Snappen doe ik die cijfers niet. Je hebt me gewaarschuwd dat ik nog € 35.000 BTW zou moeten betalen en dat er een boete zou kunnen komen van 100%. Ik begrijp dat niet. Ik zie nergens € 35.000 in die stukken staan. Wanneer is die aangifte van € 35.000 dan gedaan en wanneer had ik die moeten betalen dan? Waarom zou ik een boete moeten betalen? Het gaat hier wel even om € 70.000 en dat is er niet. […] Mail 27-10 […] Klopt het dat [X] een schuld aan zijn eigen bedrijf had in 2008 van € 254.862 en dat die schuld eind 2010 is opgelopen tot € 324.487? Moet ik dat bedrag terug betalen? Zo ja, hoe moet ik dat doen? Klopt het dat er een BTW schuld is die al jaren aan de gang is en eind 2009 € 92.413 was en eind 2010 € 98.885? Heeft dat te maken met die € 35.000 met 100% boete? Hoe is het bedrag van € 98.885 tot stand gekomen? Hoe moet ik dat betalen? Er zouden ook schulden aan pensioenpremie zijn € 10.000 en loonheffing € 3.500? Klopt dat? Als het bedrijf zoveel schulden heeft en geen geld op de bankrekening, hoe kon je mij adviseren om die zaak door te zetten? Nu heb ik een zaak met alleen maar schulden op mij genomen zonder dat ik dat wist. Hoe kom ik hier nog uit? Ik ga de winter tegemoet met weinig omzet. Het hele jaar is er weinig omzet geweest en nu blijkt dat ik grote schulden heb of is dat niet juist? […] Hoezo is de onderneming gezond […]. Hoezo is er iets van 35 mille BTW met een 100% boete te verwachten? Hoezo zijn er blijkbaar geen goede aangiftes gedaan? Welke aangiftes zijn niet goed gedaan en wie heeft de getallen dan bedacht? […] Ik laat mij niet door jouw onjuiste adviezen in een bedrijf storten met giga schulden. Dat had je me moeten vertellen alvorens ik een nalatenschap accepteer, in het bijzonder nu ik je dat toch bijzonder helder heb gevraagd. […]Jij die mij verteld dat ik rustig het bedrijf over kan nemen dat het prima loopt en mij recentelijk verteld over een hobbeltje van 35 mille BTW met 100% boete en dat klopt niet en niks verteld over gig bedragen negatief kapitaal?". 2.8 Omdat een antwoord van Linnekamp op de door [appellante] gestelde vragen uitbleef, heeft [appellante] Linnekamp bij email van 8 november 2011 als volgt bericht: "Ik kan simpelweg mijn personeel niet meer betalen en sta nu voor het punt dat ik voor iedereen ontslag moet aanvragen. Dat is wel heel erg allemaal. Mensen die hier al 20 jaar en meer werken moeten ontslaan. Waarom is er niet gelijk voor 2 man ontslag aangevraagd en is er op basis van de cijfers niet anders geadviseerd? […] Hoe heeft dit allemaal kunnen gebeuren? Graag je reactie op alles.". 2.9 Bij email van 9 november 2011 heeft Linnekamp [appellante] onder meer het volgende bericht:: "In de bespreking van 18 januari 2011 zijn nagenoeg alle in jouw recente e-mails genoemde onderwerpen aan de orde geweest. Ik breng je hierbij in herinnering dat ik in dat gesprek nadrukkelijk heb gewezen op het negatieve vermogen van de Firma [appellante] en de risico's in de nalatenschap. In het bijzonder is de opgelopen omzetbelastingschuld door mij aan de orde gesteld. Die bedroeg volgens de ons op dat moment bekende cijfers minstens € 70.000. Wij hebben jullie toen ook uitgelegd hoe die schuld is ontstaan en dat de mogelijke boete van de belastingdienst daarop minstens 50% (€ 35.000) zou bedragen. Meer in het bijzonder heb ik er op 18 januari op gewezen dat het negatieve vermogen van de Firma [appellante] onderdeel van de nalatenschap van [X] is. Ik heb jullie toen ook dringend geadviseerd om alvorens beslissingen te nemen, eerst een boedelbeschrijving van de nalatenschap te – laten – maken.". 2.10 Bij email van 9 november 2011 heeft [appellante] betwist hetgeen Linnekamp in haar email van diezelfde dag had geschreven. Bij aangetekende brief van 11 november 2011 heeft Linnekamp de overeenkomst met [appellante] opgezegd en is zij kort daarna tot incassomaatregelen terzake onbetaald gebleven facturen overgegaan. 3Beoordeling 3.1 In eerste aanleg heeft Linnekamp gevorderd om [appellante] te veroordelen tot betaling van openstaande facturen ten bedrage van € 10.647,32.[appellante] heeft een vordering in reconventie ingesteld strekkende tot – kort samengevat – veroordeling van Linnenkamp tot betaling van schadevergoeding wegens ondeugdelijke advisering. Bij tussenvonnis van 13 maart 2013 heeft de kantonrechter [appellante] opgedragen te bewijzen dat Linnekamp haar tijdens de bespreking van 18 januari 2011 zonder enig voorbehoud heeft gezegd dat de eenmanszaak een gezond en goed renderend bedrijf was en dat zij de onderneming zonder problemen kon voortzetten alsmede dat Linnekamp conform de aan haar verstrekte opdracht verantwoordelijk was voor het indienen van de suppletie-aangiftes. Bij eindvonnis van 11 december 2013 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellante] in de haar opgedragen bewijzen niet is geslaagd. De vordering van Linnenkamp is toegewezen en de vordering van [appellante] afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met dertien grieven op. Deze grieven – voor zover in voorafgaand feitenrelaas niet ondervangen - worden hierna besproken met uitzondering van grief 13 die een veeggrief betreft waaraan geen zelfstandige betekenis toekomt. 3.2 De grieven 1 tot en met 11 strekken ten betoge dat Linnekamp nagelaten heeft [appellante] bij het maken van de keuze over de voortzetting van het bedrijf te wijzen op de toen al zichtbare risico's en dat de stellingen dienaangaande van [appellante] voldoende zijn komen vast te staan, reden waarom de kantonrechter haar geen bewijsopdracht had mogen verstrekken, en zeer zeker niet de bewijsopdracht die haar gegeven is. 3.3 [appellante] onderbouwt een en ander als volgt. Tijdens de bespreking die op 18 januari 2011 heeft plaatsgevonden, heeft Linnekamp in de persoon van [Z] de toen meest recente jaarrekening over het boekjaar 2008 erbij gepakt en is zij in gebreke gebleven erop te wijzen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.