Parketnummer: 23-001628-15 Datum uitspraak: 9 november 2015 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 april 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-030728-15 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: primair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 januari 2015 tot en met 10 januari 2015 te Bennebroek, gemeente Bloemendaal (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn (ex)partner/(ex)vriendin, [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] (telkens) een of meer malen heeft geschopt en/of geslagen en/of een kopstoot heeft gegeven , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 januari 2015 tot en met 10 januari 2015 te Bennebroek, gemeente Bloemendaal zijn (ex)partner/(ex)vriendin [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een of meer malen te schoppen en/of te slaan en/of door die [slachtoffer] een kopstoot te geven. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met de wijze waarop hij zijn toenmalige vriendin [slachtoffer] een kopstoot heeft gegeven (minst genomen) bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte dient derhalve van de hem primair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op tijdstippen in de periode van 9 januari 2015 tot en met 10 januari 2015 te Bennebroek, gemeente Bloemendaal, zijn vriendin [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] te schoppen en te slaan en door die [slachtoffer] een kopstoot te geven. Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: mishandeling, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor de in eerste aanleg uitgesproken bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 3 jaren. De politierechter heeft bij het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden gesteld dat de verdachte zich moet melden bij de Reclassering Nederland en dat hij zich verplicht onder behandeling dient te stellen. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 3 jaren. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat bij het voorwaardelijk strafdeel dezelfde bijzondere voorwaarden zullen worden gesteld als in eerste aanleg. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige vriendin. Hij heeft haar geschopt en geslagen en nadat hij ’s ochtends wederom boos was geworden en haar ging slaan en toen gebood te douchen, heeft hij haar onder de douche een kopstoot gegeven. Ten gevolge van deze kopstoot heeft het slachtoffer een neusfractuur opgelopen. Dergelijk gewelddadig handelen in de relationele sfeer getuigt van weinig respect naar het slachtoffer toe en vormt een aantasting van haar lichamelijke integriteit. Het slachtoffer is nog jong, bevond zich in een kwetsbare positie en leeftijd, en de zich in het dossier bevindende stukken maken duidelijk hoeveel impact verdachtes handelen op het slachtoffer heeft en heeft gehad, zowel fysiek als psychisch. Niet alleen neemt het hof de verdachte zijn handelen zeer kwalijk, maar het baart het hof ook ernstige zorgen dat de verdachte, zelf ook nog jong, op deze wijze zijn emoties uit. Het hof is van oordeel dat de vordering van de advocaat-generaal en de door de politierechter opgelegde straf geen recht doen aan de ernst van de mishandelingen, de situatie en de houding van de verdachte. Een rol hierin speelt het feit dat de verdachte ter zitting in hoger beroep stellig en op buitengewoon eigenzinnige wijze is blijven ontkennen en geen blijk heeft gegeven zich ook maar enigszins te realiseren dat hij normafwijkend en zorgwekkend gedrag heeft vertoond. Dit gebrek aan zelfinzicht baart het hof eveneens zorgen. De verdachte heeft geprobeerd de eigen verantwoordelijkheid voor zijn gedrag te ontlopen en lijkt zich meer te bekommeren om de gevolgen die het een en ander in het kader van de strafzaak voor hem zelf kan hebben dan om wat de hele gang van zaken voor het slachtoffer heeft betekend en nog betekent. Verdachtes houding overstijgt in zoverre het onbetwiste recht dat iedere verdachte toekomt om niet aan zijn eigen veroordeling mee te hoeven werken en gelet op het belang van de generale en speciale preventie acht het hof het aangewezen op die houding in het kader van de strafoplegging acht te slaan. Uit het dossier en ook ter terechtzitting in hoger beroep is genoegzaam naar voren gekomen dat de verdachte een problematische (vroege) jeugd heeft gehad en dat eerdere hulpverlening hem niet heeft gebaat. Het hof acht het zeer van belang dat de verdachte, met het oog op het voorkomen van herhaling, de nodige hulp zal krijgen om met zichzelf aan de slag te gaan. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de verdachte een flinke stok achter de deur nodig om een positieve wending aan zijn leven te geven. Het hof acht derhalve, alles afwegende, een taakstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Om de verdachte de nodige hulp te bieden in zijn verdere ontwikkeling en met het oog op het voorkomen van herhaling zal het hof bij de voorwaardelijke gevangenisstraf tevens een meldplicht en een behandelverplichting als bijzondere voorwaarden stellen. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.