parketnummer: 23-000119-15 datum uitspraak: 12 november 2015 TEGENSPRAAK (raadsvrouw gemachtigd) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-684581-14 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1997, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 mei 2015, 28 mei 2015, 10 september 2015, 6 oktober 2015 en 29 oktober 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Voorts heeft het hof kennis genomen van wat door de heer drs. [deskundige 1], kinder- en jeugdpsychiater, mevrouw drs. [deskundige 2], GZ-psycholoog, mevrouw [deskundige 3] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mevrouw [deskundige 4] namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), mevrouw [deskundige 5], kinder- en jeugdpsychiater in opleiding, en door de vader van de verdachte naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 26 juni 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een of meer goed(eren) en/of een of meer geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging hierin bestond(en), dat verdachte - de/het winkel(pand) waar voornoemde [slachtoffer] werkzaam is, binnen is gegaan en/of - de deur van die/dat winkel(pand) dicht heeft gedaan en/of - toen voornoemde [slachtoffer] haar, verdachte, was genaderd een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde [slachtoffer] heeft getoond en/of voorgehouden en/of - voornoemde [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "Ik moet je geld hebben", in elk geval woorden van gelijke aard en/of strekking; en/of zij op of omstreeks 26 juni 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een of meer goed(eren) en/of een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, - de/het winkel(pand) waar voornoemde [slachtoffer] werkzaam is, binnen is gegaan en/of - de deur van die/dat winkel(pand) dicht heeft gedaan en/of - toen voornoemde [slachtoffer] haar, verdachte, was genaderd een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde [slachtoffer] heeft getoond en/of voorgehouden en/of - voornoemde [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "Ik moet je geld hebben", in elk geval woorden van gelijke aard en/of strekking. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het hof heeft een aantal overwegingen van de rechtbank overgenomen. Het vonnis waarvan beroep kan echter niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 26 juni 2014 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], - het winkelpand waar voornoemde [slachtoffer] werkzaam is, binnen is gegaan en - de deur van dat winkelpand dicht heeft gedaan en - toen voornoemde [slachtoffer] haar, verdachte, was genaderd een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde [slachtoffer] heeft getoond en voorgehouden en - voornoemde [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "Ik moet je geld hebben". Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: poging tot afpersing. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen en maatregel De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte opgelegd voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel). Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden voor nader onderzoek en, nu dat verzoek is afgewezen, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De verdediging heeft zich verzet tegen het opleggen van een PIJ-maatregel en heeft daartoe aangevoerd dat dit een te ingrijpende maatregel is om op te leggen in afwezigheid van de verdachte, deze maatregel niet in verhouding staat tot het gepleegde delict en tot slot dat niet aan de voorwaarden van artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft onder bedreiging van een mes een winkelier overvallen. De verdachte is eerst naar de [winkelnaam] gegaan, heeft daar een groot mes gestolen en is daarmee vervolgens een andere winkel ingelopen. Onder bedreiging van dat mes heeft zij de winkelier om geld gevraagd. Snel daarna is zij door de winkelier overmeesterd. De verdachte heeft dit delict naar eigen zeggen uit een soort wanhoop gepleegd omdat het niet goed ging met haar en zij thuis ruzie had. Het hof acht dergelijke delicten zeer ernstig omdat zij voor veel onrust zorgen bij winkeliers en het winkelend publiek. Het slachtoffer is door deze overval geschrokken en voelde zich ernstig bedreigd. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten hier vaak nog langdurig psychisch last van kunnen ondervinden. Het hof heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 september 2015 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Zij zal dan ook worden aangemerkt als first offender. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportages. die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt: - een rapport van de Raad opgemaakt op 28 november 2014; - een psychologisch Pro Justitia rapport opgemaakt door drs. [deskundige 2], GZ- psycholoog (hierna: [deskundige 2]) op 21 oktober 2014, en - een psychiatrisch Pro Justitia rapport opgemaakt door drs. [deskundige 1], kinder- en jeugdpsychiater (hierna: [deskundige 1]) op 11 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.