GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.135.455/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/521076 / HA ZA 12-823 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 december 2015 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] appellante, advocaat mr. B.W.M. Zegers te Edam, gemeente Edam-Volendam, tegen [geïntimeerde], kantoor houdend te [plaats] geïntimeerde, advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam. 1Verder verloop van het geding Partijen worden hierna wederom [appellante] en [geïntimeerde] genoemd. In deze zaak heeft het hof op 10 maart 2015 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest. Na dit arrest heeft [geïntimeerde] een antwoordakte, met een productie, genummerd 22, genomen. [appellante] heeft hierop een antwoordakte, tevens voldoening aan bewijsopdracht genomen. Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd. 2Verdere beoordeling 2.1 Bij tussenarrest van 23 december 2014 heeft het hof de grieven I tot en met III van [appellante] beoordeeld. Daarnaast heeft het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep de door de rechtbank onbesproken gelaten stellingen en verweren van partijen beoordeeld. Deze beoordeling heeft geleid tot de beslissing om [geïntimeerde] naar aanleiding van haar verweer toe te laten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [appellante] haar willens en wetens heeft opgedragen de verjaring van de vordering jegens de Stichting niet te stuiten. 2.2 Het hof heeft voorts het volgende in het tussenarrest van 23 december 2014 overwogen. “Indien [geïntimeerde] niet slaagt in het bewijs van haar stelling zullen de overige weren van [geïntimeerde] (eigen schuld en ontbreken van causaal verband tussen beroepsfout en schade en betwisting omvang van de gestelde schade) nog besproken dienen te worden. Ten aanzien van het verweer dat het causaal verband tussen de handelwijze van [geïntimeerde] en de gestelde schade ontbreekt ziet het hof aanleiding nu al het volgende te overwegen. [geïntimeerde] heeft onder andere aangevoerd dat [appellante] er bewust voor heeft gekozen om alle pijlen op [stichting] te richten omdat de Stichting geen verhaal bood. De stelling van [geïntimeerde] vindt steun in de omstandigheid dat in de door [geïntimeerde] namens [appellante] gevoerde procedures [stichting] aanvankelijk met succes in kort geding is aangesproken. Voorts heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat het pand weliswaar door [stichting] is door geleverd aan de Stichting op 3 maart 2006 maar dat op die zelfde dag het pand is bezwaard met een hypotheekrecht voor een vordering (€ 1.5 mio) die veel groter was dan de gerealiseerde koopsom (€ 848.500,-) en dat het pand, het enige verhaalsobject volgens [geïntimeerde], dus geen overwaarde had. Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat voorshands, behoudens tegenbewijs, bewezen is door [geïntimeerde] dat de Stichting geen verhaal bood en dat [appellante] door een eventuele beroepsfout van [geïntimeerde] niet in een nadeliger positie is komen te verkeren. Dat betekent dat [appellante] in deze procedure nog tegenbewijs mag leveren, het hof zal haar daartoe de gelegenheid bieden.” Het hof heeft [appellante] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen feit dat de Stichting geen verhaal bood en [appellante] door een eventuele beroepsfout niet in een nadeliger positie is komen te verkeren. 2.3 Bij het tussenarrest van 10 maart 2015 is het hof teruggekomen op zijn eerdere bij tussenarrest van 23 december 2014 gegeven beslissing over de bewijslastverdeling - hiervoor geciteerd - en is [appellante] toegelaten te bewijzen dat de Stichting verhaal bood en [appellante] door de (gestelde) beroepsfout (het nalaten de vordering ter zake de contractuele boete tijdig te stuiten) in een nadeliger positie is komen te verkeren. Het hof heeft een getuigenverhoor bevolen voor het geval [appellante] getuigen wilde doen horen. 2.4 Ter beoordeling van het hof ligt nu allereerst voor of [geïntimeerde] in de haar gegeven bewijsopdracht is geslaagd. [geïntimeerde] heeft bij akte van 20 februari 2015 meegedeeld om praktische redenen af te zien van bewijslevering. Dat leidt ertoe dat het door [geïntimeerde] opgeworpen verweer vanwege een ontoereikende feitelijke grondslag moet worden verworpen. Vaststaat daarom dat [geïntimeerde] een beroepsfout heeft gemaakt door de verjaring van de vordering van [appellante] op de Stichting niet uiterlijk op 7 februari 2010 te stuiten. 2.5 Voor de toewijsbaarheid van de vordering van [appellante] jegens [geïntimeerde] is - onder meer - vereist dat kan worden vastgesteld dat [appellante] schade heeft geleden die het gevolg is van de beroepsfout van [geïntimeerde]. [appellante] heeft in het kader van de haar gegeven bewijsopdracht afgezien van het leveren van getuigenbewijs. [appellante] betoogt dat uit de door haar bij antwoordakte tevens voldoening aan bewijsopdracht, waarin zij mede verwijst naar haar op 20 januari 2015 genomen antwoord-akte en de daarbij overgelegde stukken, blijkt dat de Stichting verhaal zou hebben geboden indien [geïntimeerde] de Stichting zou hebben aangesproken tot betaling van de contractuele boete. De bewijsopdracht heeft betrekking op het causaal verband tussen de handelwijze van [geïntimeerde] en de door [appellante] gestelde schade. 2.6 De beroepsfout van [geïntimeerde] bestaat daarin dat zij de vordering van [appellante] tegen de Stichting heeft laten verjaren door niet tijdig, dus voor 7 februari 2010, de verjaring te stuiten op een wijze als in de artikelen 3:316 en 3:317 BW is vermeld. Volgens [appellante] is het gevolg daarvan dat zij geen rechtsvordering tegen de Stichting tot betaling van een contractuele boete meer geldend kan maken en aldus schade lijdt. Het stuiten van de verjaring van een rechtsvordering is naar het oordeel van het hof evenwel geen handeling die zonder meer tot een executoriale titel ter incasso leidt en nog minder een handeling die zekerheid biedt voor daadwerkelijk verhaal van een vordering. Uitgaande van de hiervoor vastgestelde beroepsfout moet worden onderzocht of daardoor schade voor [appellante] is ontstaan. Het komt daarbij aan op een vergelijking van de feitelijke situatie na de tekortkoming met de hypothetische situatie waarin die tekortkoming wordt weggedacht. 2.7 De door [appellante] in het kader van de bewijslevering overgelegde producties betreffen een hypotheekakte uit 2006, een akte van zekerheidshypotheek uit 2006, een leveringsakte uit 2006 en een leveringsakte uit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.