GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.165.230/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/559899 / HA ZA 14-206 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 oktober 2015 inzake INFORCONTRACTING B.V., gevestigd te Zwijndrecht, appellante, advocaat: mr. J. Slager te Rotterdam, tegen [Sloopwerken] SLOOPWERKEN B.V., gevestigd te Nunspeet, geïntimeerde, advocaat: mr. M. Wisse te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Inforcontracting en [Sloopwerken] genoemd. Inforcontracting is bij dagvaarding van 28 januari 2015 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2014 (hierna: tussenvonnis) en 12 november 2014 (hierna: eindvonnis), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Inforcontracting als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [Sloopwerken] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven; - memorie van antwoord, met één productie; Partijen hebben de zaak doen bepleiten ter zitting van het hof van 18 september 2015 door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten. Beide advocaten hebben zich bediend van pleitaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd. Ten behoeve van het pleidooi is namens Inforcontracting op 3 september 2015 een nadere productie (rapport van Aboma B.V. van 2 september 2015) ingediend. Partijen hebben voorts enige vragen van het hof beantwoord. Mr. Wisse heeft, vanwege het late tijdstip van indiening, namens [Sloopwerken] bezwaar gemaakt tegen overlegging door Inforcontracting van de productie op 3 september 2015. Het hof heeft dit bezwaar verworpen, aangezien geen sprake is van te late indiening van de productie en [Sloopwerken] door het tijdstip van indiening niet in haar processuele belangen is geschaad. Inforcontracting heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en [Sloopwerken] zal veroordelen tot betaling aan Inforcontracting van een hoofdsom van € 46.716,17, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013, alsmede van buitengerechtelijke kosten ter grootte van € 2.913,08, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2013, alsmede de vorderingen van [Sloopwerken] zal afwijzen, met veroordeling van [Sloopwerken] in de kosten van het geding in beide instanties. [Sloopwerken] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen met – uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Inforcontracting in de kosten – naar het hof begrijpt - van het geding in hoger beroep. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis onder 2.1 tot en met 2.12 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. 3Beoordeling 3.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. 3.2 Inforcontracting verricht bedrijfsactiviteiten gericht op het uitlenen van werknemers aan derden. [Sloopwerken] verricht sloopwerkzaamheden. 3.3 Op 16 maart 2011 is tussen Inforcontracting en [Sloopwerken] een Mantelovereenkomst Detachering (verder: de mantelovereenkomst) gesloten in verband met door Inforcontracting aan [Sloopwerken] uit te lenen arbeidskrachten, waarin onder andere is bepaald: “7.2 Het Detacheringsbedrijf (Inforcontracting, hof) is volledig aansprakelijk voor schade aan het werk of met het werk in verband staande werken van [Sloopwerken] of van derden en andere werken of eigendommen van [Sloopwerken] of van derden, voor zover deze door de uitvoering van het werk is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van een Gedetacheerde. Het Detacheringsbedrijf vrijwaart [Sloopwerken] tegen alle aanspraken van derden, hoe ook genaamd, met name doch niet daartoe beperkt, voor aanspraken vanwege bedrijfsongevallen in verband met en/of voortvloeiende uit de uitvoering van de Opdracht. Detacheringsbedrijf verbindt zich jegens [Sloopwerken] zijn aansprakelijkheid hiervoor deugdelijk te verzekeren. De verzekeringen dienen (…) voor zover toepasselijk werkgeversaansprakelijkheid te dekken. Indien daarnaast bij de werkzaamheden nog bijzondere risico’s aanwezig zijn, die niet door de hiervoor bedoelde verzekeringen worden gedekt, dient het Detacheringsbedrijf zich hiervoor alsnog te verzekeren.” In 2013 is tussen partijen een nieuwe mantelovereenkomst gesloten met een gelijkluidend artikel 7.2. 3.4 [Sloopwerken] heeft in oktober en november 2012 sloopwerkzaamheden verricht aan de Raamsteeg 1 te Amsterdam (verder: het pand). Ten behoeve hiervan heeft Inforcontracting vier Poolse werknemers, onder wie [H.] en [C.] aan [Sloopwerken] uitgeleend, waarbij [H.] als sloper werkzaam zou zijn en [C.] als handsloper/opruimer. [C.] beschikte over een op 15 september 2012 afgegeven ‘Certifikat’, als bewijs dat hij had deelgenomen aan een training werkzekerheid ‘Veilig werken in werking en bouwplaatsen’(verder: VCA-certificaat). Ten behoeve van de sloopwerkzaamheden aan het pand is een Projectplan opgesteld. Een onderdeel van dit plan betreft hoofdstuk 9 ‘Te treffen (veiligheids)maatregelen en persoonlijke beschermingsmaatregelen’. In het Projectplan wordt nergens expliciet melding gemaakt van een te slopen lift. 3.5 Op 5 november 2012 heeft de in dienst van [Sloopwerken] werkzame voorman [B.] aan [H.] opdracht gegeven om een in het pand aanwezige goederenlift (verder: de lift) weg te halen. Bij het slopen van de lift is op enig moment een kabel losgehaald, als gevolg waarvan er een contragewicht naar beneden is gekomen. Dit contragewicht heeft de arm van de aldaar aanwezige [C.] geraakt, waardoor [C.] zijn rechterhand en een deel van de onderarm is kwijtgeraakt. 3.6 De Inspectie SZW (verder: de arbeidsinspectie) heeft op 9 januari 2013 een boeterapport opgesteld, onder vermelding van [Sloopwerken] als overtreder. In dit rapport is de overtreding van [Sloopwerken] in het kort omschreven als ‘bij het demonteren van een lift was het gevaar te worden getroffen door onderdelen (de contragewichten) van die lift niet voorkomen’. Verder is in het rapport onder andere het volgende opgenomen: “(…) Het risico van het vallen van de contragewichten was niet in het werkplan opgenomen. De voorman van [Sloopwerken] Sloopwerken B.V., de heer [B.] , heeft verklaard dat hij [H.] geen nadere instructies heeft gegeven op welke wijze de lift gedemonteerd moest worden. (…)”. De door de arbeidsinspectie gemeten omvang van de lift was 65 cm breed, 90 cm diep en 110 cm hoog. Op basis van het rapport is aan [Sloopwerken] een boete opgelegd van € 9.000,-. 3.7 Bij het boeterapport zijn diverse verklaringen gevoegd. In deze verklaringen is, voor zover hier van belang, onder andere het volgende opgenomen. [B.] : “(…) Ik ben leidinggevende van de 4 Poolse jongens. Dus ook van [H.] en van degene die het ongeval is overkomen, [C.] . Ik vertel ze wat zij moeten doen. [D.] moet slopen en [C.] ruimt op. Ik vertel in het Nederlands en Engels aan [D.] wat zij moeten doen en hij vertelt het in het Pools aan de andere 3. Zij zijn hier vorige week dinsdag begonnen en toen heb ik met hen een startwerkbespreking gehouden. De liftschacht willen we gebruiken als stortkoker. [D.] had op de begane grond de wanden rondom de lift gesloopt om te kijken of de lift nog een put had. Dat bleek niet zo te zijn. Hij vroeg me of het goed was dat hij de lift en verder alles in die ruimte ging slopen. Ook vroeg hij mij of hij [C.] mee kon nemen om op te ruimen. Ik ben, nadat de wanden om de lift gesloopt waren, met [D.] naar de toiletruimte gelopen waar de lift zich ook in bevond. Ik heb [D.] toen gezegd dat onder andere de toiletpotten en de lift weggehaald moesten worden. Ik heb niet gezien hoe de lift er toen bij stond. Ik heb [D.] geen nadere instructies gegeven op welke wijze hij de lift moest demonteren. Ik ben pas weer naar [D.] en [C.] toe gegaan toen het ongeval gebeurd was. Dat was ongeveer 3 kwartier later.” [H.] : “(…) Ik werk 4 jaar in Nederland in het sloopwerk. (…) Vandaag om ongeveer 13.00 uur ben ik begonnen met de demontage van de lift. [C.] , degene die het ongeval is overkomen, hielp mij met opruimen. Ik heb de 3 kabels die aan de bovenkant van de lift vast zaten, losgehaald. [C.] stond toen op de hoek van de lift tegen de muur, zoals u mij op de foto aanwijst. Ik draaide me om en ik hoorde een geluid voor 1 of 2 seconden. Daarna hoorde ik [C.] hard gillen. (…) [B.] houdt toezicht op mijn werk. Hij komt heel vaak langs. Samen bedenken we wat er moet gebeuren. (…)”. [C.] : “(…) Tijdens de lunchpauze om 13.00 uur zei [D.] dat ik na de pauze met hem naar de begane grond zou gaan. (…) Ik was bezig één kabel los te halen. (…) Toen ik de ene schroef los had, ging ik naar de andere kant van de liftkoker tussen de muur en de liftkoker in. De borgingen zaten aan die kant. [D.] had mij gevraagd om de twee andere kabels ook los te halen. [D.] stond toen aan de andere kant. Hij wachtte tot ik het had losgehaald. Ik heb, op dezelfde manier als de 1e schroef, de 2e schroef los gehaald en misschien ook de 3e. Maar dat weet ik niet zeker. Op een zeker moment, bij het losmaken van de 2e of 3e kabel, was er een geluid alsof iemand iets in de verte schoot. [D.] riep naar mij, na de klap, of er iets met mijn benen was. (…) Ik zag dat er een stuk van mij mouw af was. Ik had niet door dat er een stuk van mijn arm af was.”. 3.8 [C.] heeft Inforcontracting aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van het bedrijfsongeval heeft geleden. Toen Inforcontracting hem daarop liet weten ter zake niet verzekerd te zijn heeft [C.] ook [Sloopwerken] aansprakelijk gesteld. De verzekeraar van [Sloopwerken] , Delta Lloyd, heeft de aansprakelijkheid erkend. Deze verzekeraar is blijkens mededelingen ter zitting met [C.] een aan laatstgenoemde te betalen bedrag van € 255.000,- overeengekomen. Voor [Sloopwerken] geldt hierbij een eigen risico van € 50.000,-. 3.9 Inforcontracting heeft aan (de aansprakelijkheidsverzekeraar van) [Sloopwerken] op 21 maart 2013 te kennen gegeven zich niet gehouden te achten om, op grond van artikel 7.2 van de mantelovereenkomst, [Sloopwerken] te vrijwaren. 3.10 De advocaat van [Sloopwerken] heeft aan Inforcontracting bij brief van 19 juli 2013 te kennen gegeven dat [Sloopwerken] haar betalingsverplichtingen jegens Inforcontracting opschort, op de grond dat Inforcontracting weigert uitvoering te geven aan artikel 7.2 van de mantelovereenkomst. De door [Sloopwerken] opgeschorte betalingsverplichtingen betreffen nota’s van Inforcontracting aan [Sloopwerken] , voor in de periode van 4 april 2013 tot en met 1 augustus 2013 door Inforcontracting aan [Sloopwerken] ter beschikking gesteld personeel. 3.11 Op verzoek van Inforcontracting heeft Aboma B.V. (een bedrijf gespecialiseerd op het gebied van veiligheid in de bouw en de transportbranche) op 2 september 2015 een schriftelijke beoordeling gegeven van de documenten inzake het arbeidsongeval met de goederenlift [straat] te [plaats] d.d. 5 november 2014 (bedoeld zal zijn: 2012, toevoeging hof). Aboma concludeert: “Op basis van bovenstaande analyse moet worden gesteld dat de uitgevoerde projectrisico-inventarisatie en –evaluatie in het projectplan volstrekt onvoldoende invulling heeft verkregen. De risico’s welke zich kunnen voordoen bij het slopen van de goederenlift worden nergens beschreven en zijn derhalve niet ingeschat. Gevolg is dat de betrokken werknemers, waaronder het slachtoffer, niet zijn geïnstrueerd, hetgeen blijkt uit bovenstaande analyse van de toolboxmeeting. Derhalve kan worden gesteld dat het projectplan en het toolbox/instructieformulier volstrekt onvoldoende waren om de risico’s van demontage van de goederenlift aan de werknemers kenbaar te maken, waaronder het slachtoffer. Daarbij komt nog de taalbarrière tussen het Nederlands en het Pools, waardoor de complexiteit van het geven van instructies en het controleren of deze voldoende begrepen zijn, nog wordt bemoeilijkt.” 3.12 De rechtbank heeft in het eindvonnis geoordeeld dat artikel 7.2 van de mantelovereenkomst een vrijwaringsbeding zonder beperking of voorbehoud omvat. De rechtbank verwerpt daarmee het betoog van Inforcontracting dat [Sloopwerken] slechts een beroep toekomt op het vrijwaringsbeding indien [Sloopwerken] de van toepassing zijnde wettelijke verplichtingen waaronder die op het gebied van veiligheid volledig nakomt. De rechtbank heeft het beroep van [Sloopwerken] op het vrijwaringsbeding niet in strijd met het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek geoordeeld. De rechtbank heeft daarbij onder andere het volgende overwogen. De mantelovereenkomst is gesloten tussen twee grote, professionele partijen, waarbij de overeenkomst door Inforcontracting intern is doorgenomen en elke bladzijde van de overeenkomst door Inforcontracting voor akkoord is geparafeerd, hetgeen maakt dat het Inforcontracting redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn welke verplichtingen zij op zich nam. In het werkplan van [Sloopwerken] dat voorafgaand aan het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden is opgemaakt, wordt niet specifiek gesproken over het slopen van de lift en de daarbij behorende risico’s, en dat is evenmin gebeurd bij de toolboxmeeting, een bijeenkomst waarbij de werknemers worden geïnstrueerd over de veiligheidsvoorschriften. De arbeidsinspectie heeft geoordeeld dat [Sloopwerken] de Arbeidsomstandighedenwet heeft overtreden in de zin dat ‘bij het demonteren van een lift was het gevaar te worden getroffen door onderdelen (de contragewichten) van die lift niet voorkomen’. De rechtbank heeft geoordeeld dat [Sloopwerken] nalatig is geweest met betrekking tot het geven van veiligheidsinstructies en dat haar valt te verwijten dat zij het gevaar om bij het slopen van de lift te worden getroffen door de contragewichten niet voldoende heeft voorkomen. 3.13 Dat [Sloopwerken] nalatig is geweest acht de rechtbank op zichzelf niet voldoende om te kunnen spreken van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [Sloopwerken] . De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat [Sloopwerken] aan [C.] opdracht heeft gegeven om werkzaamheden uit te voeren waarvoor hij niet was ingehuurd. Een eventueel gebrek aan toezicht van [Sloopwerken] of [C.] wel uitsluitend opruimwerkzaamheden heeft verricht, veroorzaakt geen opzet of bewuste roekeloosheid. Met het sluiten van een verzekering zoals bepaald in artikel 7.2 had Inforcontracting het risico dat zich thans voordoet kunnen afdekken. Inforcontracting heeft die contractueel verplichte verzekering echter niet gesloten, en heeft daar [Sloopwerken] zelfs niet over geïnformeerd. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat het beroep van [Sloopwerken] op de vrijwaringsbepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. De vrijwaringsbepaling ziet echter alleen op de aansprakelijkheid jegens [C.] , en niet op de door de arbeidsinspectie opgelegde boete. Nu Inforcontracting haar verplichtingen jegens [Sloopwerken] niet nakwam was [Sloopwerken] naar het oordeel van de rechtbank gerechtigd haar verplichtingen jegens Inforcontracting op te schorten, omdat tussen die vorderingen voldoende samenhang bestond. De vordering van Inforcontracting tot betaling door [Sloopwerken] van een aantal facturen tot een bedrag van € 46.716,17 is daarom afgewezen. De door [Sloopwerken] gevorderde verklaring voor recht dat Inforcontracting op grond van de mantelovereenkomst gehouden is [Sloopwerken] te vrijwaren voor de aanspraak van [C.] en al hetgeen [Sloopwerken] gehouden is te voldoen aan [C.] , is daarentegen toegewezen. 3.14 Inforcontracting heeft geen grieven gericht tegen het tussenvonnis van 7 mei 2014. Zij zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep voor zover dit gericht is tegen dit vonnis. 3.15 Tegen het eindvonnis komt Inforcontracting op met vier grieven. Grief 1 richt zich tegen de verwerping door de rechtbank van het standpunt van Inforcontracting dat [Sloopwerken] slechts een beroep toekomt op het vrijwaringsbeding indien en voor zover [Sloopwerken] de van toepassing zijnde veiligheidsvoorschriften volledig in acht heeft genomen. Inforcontracting voert aan dat zij als formele werkgever erop mag vertrouwen dat [Sloopwerken] de arbeidskrachten naar een veilige werkomgeving stuurt en daarbij alle toepasselijke wet- en regelgeving in acht neemt. [Sloopwerken] heeft daartegenover gesteld dat als sprake is van het door [Sloopwerken] volledig in acht nemen van de van toepassing zijnde veiligheidsvoorschriften, de aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW ontbreekt, zodat de vrijwaringsbepaling daarmee geen betekenis heeft. Bovendien zou, wanneer bedoeld was de vrijwaringsbepaling te beperken tot situaties dat aan alle veiligheidsvoorschriften was voldaan, het eenvoudig zijn geweest die beperking of dat voorbehoud in de tekst van de vrijwaringsbepaling op te nemen en dat is niet gebeurd, aldus [Sloopwerken] . Het hof volgt het betoog van [Sloopwerken] . Artikel 7.2 van de mantelovereenkomst bevat een vrijwaringsbepaling zonder beperking of voorbehoud. Indien het de bedoeling van partijen was geweest de vrijwaring te beperken tot de situatie waarin [Sloopwerken] had voldaan aan alle uit de wet- en regelgeving voortvloeiende veiligheidsvoorschriften, valt niet in te zien waarom dat niet in de tekst is opgenomen. Bovendien maakt de door Inforcontracting voorgestane uitleg de vrijwaringsbepaling in feite zonder betekenis. De grief faalt. 3.16 Grief 2 houdt in dat, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [Sloopwerken] een beroep toekomt op de vrijwaringsbepaling zoals bepaald artikel 7.2 van de mantelovereenkomst. Inforcontracting wijst daarbij op de volgende omstandigheden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.