← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2015:586

beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.151.530/01 NOT nummer eerste aanleg : AL/2013/40 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 24 februari 2015 inzake [naam], wonend te [plaats], [buitenland], appellant, tegen mr. [naam], notaris te [plaats], geïntimeerde. 1Het geding in hoger beroep 1.

  1. Appellant (hierna: klager) heeft op 27 juni 2014 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 7 februari 2014 (ECLI:NL:TNORARL:2014:26). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) ongegrond verklaard. 1.
  2. Klager heeft op 31 juli 2014 nog aanvullende stukken bij het hof ingediend. 1.
  3. De notaris heeft bij faxbericht van 7 augustus 2014 aan het hof laten weten dat haar eerdere correspondentie als volledig kan worden beschouwd. 1.
  4. Klager en de notaris zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet verschenen ter zitting van 22 januari
  5. Tijdens die zitting zou enkel worden behandeld de ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep. 2De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3De ontvankelijkheid van klager in het hoger beroep 3.
  6. Aan klager is een afschrift van de beslissing van de kamer van 7 februari 2014 als bijlage bij een aangetekende brief van het secretariaat van de kamer van diezelfde datum toegestuurd. Tevens is bij e-mailbericht van 7 februari 2014 een afschrift van voormelde beslissing verzonden aan klager, die in [buitenland] woont. 3.
  7. Ingevolge artikel 107 lid 1 van de Wet op het notarisambt dient het hoger beroep binnen dertig dagen na de dag van verzending van de onder 3.
  8. bedoelde brief te zijn ingesteld. De beroepstermijn eindigde dus, mede gelet op artikel 1 lid 1 van de Algemene termijnenwet, op maandag 10 maart
  9. Nu het beroepschrift van klager, waarin hij te kennen geeft zich niet met de uitspraak van de kamer te kunnen verenigen, eerst op 27 juni 2014 bij het hof is ingekomen, is dit niet tijdig geschied. 3.
  10. Op het uitgangspunt dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en dat aan rechtsmiddeltermijnen strikt de hand moet worden gehouden, kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt. Het is aan klager om bijzondere omstandigheden aan te voeren op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten. De enkele stelling van klager dat hij ‘interstate’ was en niet had verwacht dat de kamer zijn klacht ongegrond zou verklaren, is - wat er ook van deze stelling zij - onvoldoende om vorenbedoelde omstandigheden aan te nemen. Er bestaat dan ook geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. 3.
  11. Op grond van het bovenstaande moet worden geoordeeld dat klager niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. 3.
  12. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing. 4De beslissing Het hof: - verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 7 februari
  13. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, J. Blokland en M. Bijkerk en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2015 door de rolraadsheer.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.