← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2015:903

GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer : 200.159.257/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : CV 14-9225 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2015 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats], appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerden], wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],

  1. [geïntimeerde sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],
  2. [geïntimeerde sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],
  3. [geïntimeerde sub 4], wonend te [woonplaats], geïntimeerden in de hoofdzaak, verweerders in het incident, advocaat: mr. E.T. van den Hout te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd. Op 23 december 2014 heeft het hof in deze zaak een tussenarrest (verder: het tussenarrest) gewezen, waarnaar het hof verwijst. [appellant] heeft ingevolge het tussenarrest een akte genomen met producties. [geïntimeerden] hebben een antwoordakte genomen. Daarna is wederom arrest bepaald in het incident. 2Beoordeling 2.
  4. Bij het tussenarrest in incident heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de stelling van [geïntimeerden] dat [appellant] ook in kort geding heeft gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het bestreden deelvonnis zal worden geschorst en, indien die stelling juist is, het hof te informeren over de laatste stand van zaken met betrekking tot vorenbedoeld executie kort geding, zulks onder overlegging van schriftelijke bescheiden waaruit een en ander blijkt. 2.
  5. [appellant] heeft als productie 1 bij zijn akte een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 28 november 2014 overgelegd, waarbij een door [appellant] gevraagde voorziening tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden deelvonnis is geweigerd. 2.3 Uit de inhoud van voornoemd vonnis blijkt dat [appellant] aan de onderhavige incidentele schorsingsvordering geen andere omstandigheden ten grondslag heeft gelegd dan die hij in het executie kort geding heeft aangevoerd. De incidentele vordering dient derhalve, op grond van hetgeen onder 2.4 van het tussenarrest is overwogen, te worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog dat bij een schorsingsincident in hoger beroep een andere maatstaf geldt dan in een executie kort geding. 2.
  6. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak worden verwezen in de kosten van dit incident. 2.
  7. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerden] 3Beslissing Het hof: in het incident: wijst de vordering af; houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 28 april 2015 voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerden]; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, R.H. de Bock en M.L.D. Akkaya en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2015.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.