Parketnummer: 23-003714-12 Datum uitspraak: 22 januari 2016 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13/708012-12 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960, adres: [adres 1], thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2013, 3 december 2013, 4 februari 2014, 25 april 2014, 27 oktober 2014, 24 november 2014, 9 januari 2015, 19 januari 2015, 29 april 2015, 8 december 2015 en 8 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 20 januari 2012 tot en met 8 februari 2012 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, door geweld en/of bedreiging en/of door misbruik van gezag en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen en/of giften en/of beloften [betrokkene 1] heeft gepoogd te bewegen een misdrijf te begaan, te weten het (in Amsterdam, in ieder geval in Nederland) tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer], van het leven beroven; immers heeft verdachte en/of een of meer van zijn mededaders, toen en daar: - aan die [betrokkene 1] een foto getoond van die [slachtoffer] en/of - aan die [betrokkene 1] het adres gegeven waarop die [slachtoffer] kantoor houdt en/of - tegen die [betrokkene 1] verteld op welke wijze(n) hij ([betrokkene 1]) het kantoor van die [slachtoffer] kon binnengaan, immers heeft verdachte tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij het kantoor van die [slachtoffer] in moest gaan met een meisje en/of dat hij rustig naar binnen moest gaan en/of rustig spullen moest pakken en/of binnen 5 minuten moest wachten en/of rustig naar buiten moest gaan, zodat de portier er geen erg in heeft en/of - tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij een geluidsdemper moest hebben en/of gebruiken en/of - een of meer (grote) geldbedragen (ongeveer 25.000 of 30.000 euro) en/of een of meer goederen in het vooruitzicht gesteld en/of laten stellen voor het plegen en/of laten plegen van de moord op die [slachtoffer] en/of - tegen die [betrokkene 1] gezegd dat het op een overval en/of een beroving moest lijken en/of - tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij moest vluchten via de snelweg en/of de Coentunnel en/of Zaandam als het gebeurd is en/of dat die [betrokkene 1] aldaar in een hotel moet schuilhouden en/of - tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij, verdachte, morgen het geld heeft en/of - tegenover die [betrokkene 1] heeft bevestigd dat hij, verdachte, die [slachtoffer] echt dood wilde hebben en/of - tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij, verdachte, over een paar maanden nog een job voor die [betrokkene 1] heeft. Geldigheid van de dagvaarding De raadsman van de verdachte heeft verzocht de tenlastelegging partieel nietig te verklaren, te weten voor wat betreft het gedeelte ‘tezamen en in vereniging’. Hij heeft zich, naar het hof begrijpt, op het standpunt gesteld dat de dagvaarding op dat punt nietig is omdat de voor medeplegen vereiste zinssnede ‘met anderen en/of een ander’ ontbreekt en aldus de tenlastelegging innerlijk tegenstijdig althans onduidelijk is. Het hof acht dit, evenals de rechtbank, een kennelijke misslag en leest in de vijfde regel van het ten laste gelegde na de woorden ‘tezamen en in vereniging’ de woorden ‘met een ander en/of anderen’ in. De verbeterde lezing van deze misslag schaadt de verdachte niet in zijn verdediging, nu uit de tekst van de tenlastelegging reeds voldoende de bedoeling van het Openbaar Ministerie blijkt. Dat ook in hoger beroep door de advocaat-generaal geen wijziging van de tenlastelegging op dit punt is gevorderd, doet aan het voorgaande niet af. Voor zover overigens in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De raadsman van de verdachte heeft, naar het hof begrijpt, voor zover het betreft vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek op de voet van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dan wel voor zover het betreft schendingen van de beginselen van een behoorlijke procesorde begaan buiten het kader van het voorbereidend onderzoek, primair verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er - kort gezegd - zo veel fout is gegaan bij zowel het Openbaar Ministerie als de politie en het gerechtshof, dat dit in onderlinge samenhang bezien dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De door de raadsman ter zake gevoerde verweren en die in zijn pleitnota’s zijn genoemd, zullen hieronder afzonderlijk worden besproken. Toetsingskaders Indien sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat is begaan bij het voorbereidend onderzoek en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is 'het belang dat het geschonden voorschrift dient'. De tweede factor is 'de ernst van het verzuim'. De derde factor is 'het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt'. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad (vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004/376, r.o. 3.4.2). Hierbij merkt het hof op dat het belang van de verdachte dat de door hem gepleegde strafbare feiten niet worden ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang (vgl. HR 4 januari 2011, NJ 2012/145). Het voren overwogene brengt mee dat van de verdediging, die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van genoemde drie factoren wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven (vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004/376, r.o. 3.7; zie ook ECLI:NL:HR:2014:3541). Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt, al dan niet als een in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Voor wat betreft de door de verdediging gevoerde verweren die zien op schendingen van een behoorlijke procesorde, hebben deze, zo begrijpt het hof de verdediging, betrekking op het vertrouwensbeginsel, het beginsel van zuiverheid van oogmerk en het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging. Tegen bovengenoemde achtergrond beoordeelt het hof hieronder de door de raadsman gestelde vormverzuimen voor zover betrekking hebbende op het voorbereidend onderzoek. Tevens beoordeelt het hof hieronder de door de raadsman gestelde schendingen van de beginselen van een behoorlijke procesorde begaan buiten het kader van het voorbereidend onderzoek. Wissen beveiligingsopnames De raadsman heeft gesteld dat officier van justitie [OvJ 1] onrechtmatig een bevel heeft gegeven beveiligingsopnames te wissen die door de beveiligingsapparatuur van de verdachte zijn gemaakt en die op de computer van de verdachte stonden. Hierdoor zijn volgens de raadsman mogelijk ook eventuele beelden van ontmoetingen tussen de verdachte en [betrokkene 1] gewist, als gevolg waarvan thans niet kan worden geverifieerd hoe die ontmoetingen zijn verlopen, of de verklaring van de verdachte daarover juist is, en hoeveel tijd er bijvoorbeeld tussen de verschillende gesprekken/ontmoetingen zat. Blijkens het dossier (13 Bejar Dossier Inbeslagname, blz. 149) heeft de officier van justitie op 28 februari 2012 opdracht gegeven de beveiligingsopnames te wissen van de computer die op 7 februari 2012 onder de verdachte in beslag is genomen. Dit wissen heeft, blijkens het bevel, enkel betrekking gehad op de opnames van politiepersoneel en personeel werkzaam bij het Openbaar Ministerie en de rechtbank van Amsterdam. Het hof begrijpt dat het beelden betreft die zijn opgenomen bij het betreden van de woning van de verdachte door bedoeld personeel. Uit het voorgaande volgt dat de opdracht van de officier van justitie een beperkte omvang had en geen betrekking had op andere beelden dan van bedoeld personeel. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat niet op de juiste wijze aan deze opdracht gevolg is gegeven. De enkele stelling van de raadsman dat er ‘mogelijk eventuele beelden van ontmoetingen met [betrokkene 1] zijn gewist’ is bepaald onvoldoende om dienaangaande te twijfelen. Dat beelden van ontmoetingen tussen de verdachte en [betrokkene 1] zijn gewist, is derhalve niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt het verweer. Verbaliseringsplicht en burgerpseudokoop De raadsman heeft gesteld dat de officier van justitie de met de redactie van [naam 1] gemaakte afspraken niet heeft laten verbaliseren en evenmin een bevel tot inzet van een burger om goederen te verkrijgen als bedoeld in artikel 126ij Sv heeft gegeven (het hof begrijpt: een overeenkomst als bedoeld in artikel 126ij Sv met de burger heeft gesloten), terwijl dat wel noodzakelijk was. Blijkens het dossier (13 Bejar, proces-verbaal van voorgeleiding, blz. 13) heeft de politie op 5 februari 2012 een e-mailbericht van K. [getuige 1], werkzaam bij mediabedrijf [bedrijf] te Amsterdam, ontvangen met daarin een beschrijving van de inhoud van het contact tussen de redactie van [naam 1] en [naam 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) en [naam 3] (het hof begrijpt: [naam 3]). Naar aanleiding van dat e-mailbericht is een onderzoek gestart onder de naam 13Bejar. Op 6 februari 2012 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [code 4] en de redactie van [naam 1]. Blijkens het daarover opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is het volgende afgesproken (13 Bejar, proces-verbaal van voorgeleiding blz. 22): Afspraken omtrent aanhouding [naam 2] en [naam 3] en inbeslagname beeldmateriaal [getuige 1] gaf aan dat hij met [naam 2] en [naam 3] een afspraak had gemaakt om op maandag 6 februari 2012 omstreeks 14:00 uur verder te praten over de heimelijk opgenomen beelden. Met [naam 1] is vervolgens afgesproken dat, nadat er toestemming van een officier van justitie zou zijn verkregen, [naam 2] en [naam 3] op het kantoor van [naam 1] aangehouden zouden worden en dat het beeldmateriaal in beslag zou worden genomen. [naam 1] stemde hiermee in. Het verweer dat de afspraken tussen de redactie van [naam 1] enerzijds en de politie anderzijds niet zijn geverbaliseerd, mist derhalve feitelijke grondslag. Het hof verwerpt het verweer. Zoals hierboven onder het toepasselijke toetsingskader reeds overwogen, mag van de verdediging, die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van genoemde drie factoren van artikel 359a Sv wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Ten aanzien van het verweer met betrekking tot artikel 126ij Sv is - nog daargelaten de vraag of er afspraken zijn gemaakt die onder het bereik van genoemd artikel vallen - door de verdediging in het geheel niet onderbouwd waaruit het nadeel voor de verdachte zou hebben bestaan dat is veroorzaakt door de door de raadsman gestelde onherstelbare vormverzuimen. Het hof verwerpt reeds om die reden het ter zake gevoerde verweer. Ambtshalve overweegt het hof dat voor zover er andere afspraken zijn gemaakt tussen de politie en de redactie van [naam 1] die geverbaliseerd hadden moeten worden, deze zijn gemaakt met betrekking tot de aanhouding van onder meer [betrokkene 1]. Een eventueel verzuim van de verbaliseringsplicht, dan wel een verzuim een overeenkomst ex artikel 126ij Sv te sluiten, zou dan ook slechts relevant kunnen zijn in de strafzaak tegen die [betrokkene 1]; de beweerdelijk geschonden voorschriften tasten immers niet een belang van de verdachte aan. Ten overvloede overweegt het hof dat zelfs in het geval de door de raadsman gestelde vormverzuimen een rol hadden kunnen spelen in de onderhavige strafzaak, deze in de loop van de procedure voldoende zijn gecompenseerd door het in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman als getuige horen van de betrokken verbalisanten, [naam 1] en leden van zijn redactie, waarbij de verdachte en zijn raadsman ruimschoots in de gelegenheid zijn gesteld de getuigen ook op dit punt te ondervragen. Beelden arrestatie verdachte De raadsman van de verdachte heeft gesteld dat de politie beelden heeft gemaakt van de arrestatie van de verdachte, waarop ook te zien is waar hij woont. Deze beelden zijn aan [naam 1] verstrekt en tot in de eeuwigheid op internet te zien. Dit is een schending van de privacy van verdachte en een onherstelbare schending van artikel 8 van het EVRM. Het hof volgt de raadsman in het standpunt dat het recht op privacy van de verdachte als bedoeld in artikel 8 van het EVRM is geschonden. Dit is een vormverzuim dat is begaan in het vooronderzoek en waarvan de gevolgen niet uit de wet blijken. Gelet op de geringe ernst van het verzuim en mede in aanmerking genomen dat in dezelfde uitzending van [naam 1] langdurig ook andere beelden van de verdachte zijn getoond (te weten de door [betrokkene 1] gemaakte opnamen van diens gesprekken met de verdachte) - waardoor de beeltenis van verdachte ook reeds op andere wijze publiekelijk bekend werd - ziet het hof aanleiding af te zien van het toepassen van een van de in artikel 359a Sv bedoelde rechtsgevolgen en te volstaan met enkel de constatering dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. Verstrekking beelden en onjuiste weergave van gesprek met [betrokkene 1] in het requisitoir. De raadsman van de verdachte heeft gesteld dat officier van justitie mr. [OvJ 2] aantoonbaar in strijd met de waarheid in het proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2014 heeft nagelaten te relateren dat hij de dvd met de televisie-uitzending van [naam 1] heeft verkregen. Voorts heeft hij in zijn requisitoir op een viertal punten een onjuiste weergave van het gesprek tussen [betrokkene 1] en de verdachte voorgedragen. Door de verdediging is in het geheel niet onderbouwd waaruit het nadeel voor de verdachte zou hebben bestaan dat is veroorzaakt door het door de raadsman gestelde onherstelbare vormverzuim. Indien en voor zover de officier van justitie in zijn requisitoir onjuist heeft geciteerd uit het betreffende gesprek tussen [betrokkene 1] en de verdachte, betreft dat slechts ondergeschikte punten en kunnen voornoemde gestelde gedragingen niet worden gezien als een schending van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Aldus is naar het oordeel van het hof geen sprake van een schending van een behoorlijke procesorde die als consequentie zou moeten hebben de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het hof verwerpt de gevoerde verweren. Schendingen begaan door de advocaat-generaal. De raadsman heeft gesteld dat de advocaat-generaal meermalen in strijd met de waarheid heeft gezegd dat de politie niet beschikt over de opnames van de gesprekken tussen de redactie van [naam 1] en [naam 2]. c.s.. Voorts heeft de advocaat-generaal niet voldaan aan een opdracht van het hof om binnen 48 uren die beelden te verstrekken, bij gebreke waarvan de verdachte vrij had moeten worden gelaten, hetgeen niet is gebeurd. Bovendien heeft de advocaat-generaal meermalen geweigerd een vordering ex artikel 126nd Sv uit te doen gaan naar [bedrijf], waardoor het bij een verzoek van de raadsheer-commissaris is gebleven. Door dit handelen van de advocaat-generaal heeft de verdachte langer in voorlopige hechtenis verbleven dan noodzakelijk was, zodat zijn recht als bedoeld in artikel 5 van het EVRM is geschonden, aldus de raadsman. Blijkens het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is er onnodig en lang veel onduidelijkheid geweest welk beeldmateriaal voor wie op welk moment beschikbaar is geweest en door wie dat beeldmateriaal is afgegeven. Hoewel het hof van oordeel is dat het wellicht op de weg van de advocaat-generaal had gelegen middels een vordering de beelden van [bedrijf] te verkrijgen, is niet aannemelijk geworden dat het Openbaar Ministerie bewust of met grote veronachtzaming van de belangen van de verdachte beeldmateriaal heeft achtergehouden of bewust weigerachtig is geweest zich in te spannen beeldmateriaal te verkrijgen. Het hof constateert ten overvloede dat uiteindelijk al het beeldmateriaal beschikbaar is gekomen, zodat het beweerde verzuim is hersteld en geen inbreuk bestaat op het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Ten aanzien van de gestelde schending van artikel 5 van het EVRM overweegt het hof dat de voorlopige hechtenis van de verdachte per 10 februari 2015 is geschorst in afwachting van de verkrijging van het beeldmateriaal dat uiteindelijk voorhanden is gekomen. De verdediging heeft, nadat alle beelden beschikbaar waren gekomen, op geen enkele wijze aangeven welke later beschikbaar gekomen beelden aanleiding hadden kunnen geven de voorlopige hechtenis op een eerder moment te schorsen dan wel op te heffen, terwijl dat wel van de verdediging ter onderbouwing van het verweer verwacht had mogen worden. Aldus acht het hof evenmin een schending van artikel 5 van het EVRM aanwezig. Conclusie Samenvattend is het hof van oordeel dat de door de raadsman gestelde vormverzuimen voor zover geplaatst in de sleutel van artikel 359a Sv dan wel de gestelde schendingen van een behoorlijke procesorde noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, noch tot enig ander rechtsgevolg. Het verweer dat daartoe strekt wordt dan ook verworpen. Bespreking van een verweer strekkende tot bewijsuitsluiting De raadsman heeft subsidiair verzocht, naar het hof begrijpt, de in beslag genomen USB-stick met daarop de camerabeelden van de ontmoeting tussen [betrokkene 1] en de verdachte, alsmede het daaruit voortvloeiend bewijs (zoals de uitwerkingen van de opnames, de verklaringen van de verdachte toen hij daarmee werd geconfronteerd en alle andere op basis daarvan verkregen verklaringen) uit te sluiten van het bewijs omdat deze op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Hij heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat uit het dossier blijkt dat de politie directe betrokkenheid heeft gehad bij het handelen van de redactie van [naam 1] dat heeft geleid tot de aanhouding van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de inbeslagneming van de USB-stick met beeldmateriaal. Nu hiervoor geen bevel ex artikel 126ij Sv is gegeven (het hof begrijpt: overeenkomst is gesloten) dan wel een bevel ex artikel 126q Sv is gegeven, dient op grond van het bepaalde in artikel 359a Sv het verkregen materiaal van het bewijs te worden uitgesloten, omdat de verdachte in zijn recht op een eerlijk proces is geschaad. Beoordeling Zoals hiervoor reeds overwogen, zijn de afspraken tussen de politie en de redactie van [naam 1] gemaakt in het kader van de aanhouding van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Voor zover dienaangaande al een overeenkomst als bedoeld in artikel 126ij Sv had moeten worden gesloten, is een verzuim op dit punt slechts relevant in de strafzaak tegen die [betrokkene 1] en die [betrokkene 2]. Het bepaalde in artikel 126q Sv is slechts van toepassing bij een redelijk vermoeden dat - kort gezegd - bepaalde misdrijven in georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Het verweer faalt derhalve. Bespreking van enkele verweren strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit De raadsman heeft verzocht de verdachte om drie redenen vrij te spreken van het ten laste gelegde feit: de verdachte is niet degene geweest van wie het initiatief is uitgegaan om [slachtoffer] te vermoorden. Dat was [betrokkene 1], en daarmee heeft de verdachte niet uitgelokt. de verdachte heeft geen poging gedaan [slachtoffer] te laten vermoorden. Uit de gesprekken volgt onvoldoende dat daarover als zodanig is gesproken. In ieder geval was er geen moordplan. indien en voor zover er wel een moordplan heeft bestaan, is er geen sprake geweest van een strafbare poging, omdat de verdachte vrijwillig is teruggetreden. De verweren van de raadsman zijn gebaseerd op het ter terechtzitting van 1 augustus 2012 door de verdachte geschetste alternatieve scenario. De verdediging heeft dit scenario geen handen en voeten gegeven, terwijl het wordt weerlegd door de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen. Het verweer wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen, waarbij het hof nog het volgende overweegt. Uit de inhoud van een opgenomen (tweede) gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 1] blijkt dat er geen misverstand kan bestaan over de intenties van de verdachte, namelijk dat [betrokkene 1] tegen betaling van een geldbedrag [slachtoffer] van het leven diende te beroven. Dat het initiatief tot het van het leven beroven van [slachtoffer] bij de verdachte lag, volgt ook uit getuigenverklaringen waaruit blijkt dat de verdachte aan [getuige 2] heeft gevraagd of zij ‘een hitman’ kende die [slachtoffer] kon vermoorden. In voornoemd opgenomen gesprek geeft de verdachte [betrokkene 1] ook de opdracht en de instructies om [slachtoffer] te vermoorden en stelt hem daarbij een geldelijke beloning in het vooruitzicht. Nu de verdachte de bedoeling had en er kennelijk vanuit ging dat [betrokkene 1] deze opdracht na dat gesprek zou uitvoeren (“kan je vanavond niet even het bewijs geven”) was uiterlijk na dat (tweede) gesprek het ten laste gelegde feit voltooid. Bij die stand van zaken is vrijwillige terugtred niet meer mogelijk. De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn opgenomen in zaaksdossier 2, tenzij anders aangegeven.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.