arrest ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrechtteam III zaaknummer : 200.144.322/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/534832/HA ZA 13-122 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 april 2016 inzake [appellante] , wonend te [woonplaats] (Canada), appellante, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. A.A.C. Spoormans te Amsterdam, tegen: [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats] , geïntimeerde, tevens incidenteel appellant, advocaat: mr. J.W.C. Bruins te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna opnieuw [appellante] en [geïntimeerde] genoemd. Het hof heeft in deze zaak op 28 april 2015 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die dag verwijst het hof naar dat arrest. [appellante] werd toegelaten tot bewijs. Zij heeft ten overstaan van het hof op 27 augustus 2015 drie getuigen doen horen. Eveneens heeft zij die dag een schriftelijke Engelstalige verklaring van haar hand in het geding gebracht. Van hetgeen ter zitting van 27 augustus 2015 is voorgevallen is proces-verbaal opgemaakt. Een gewaarmerkt afschrift van dat proces-verbaal behoort tot de processtukken. [appellante] heeft vervolgens een memorie na enquête tevens toelichting op productie en nadere uitlating naar aanleiding van tussenarrest genomen. Zij heeft daarbij de schriftelijke verklaring van de hand van [appellante] wederom in het geding gebracht, alsmede een in het Nederlands gestelde, naar haar zeggen puntsgewijze samenvatting van die tekst.[geïntimeerde] heeft daarop een antwoordmemorie na enquête genomen. Ten slotte is opnieuw arrest gevraagd. 2Verdere beoordeling 2.1 Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest heeft overwogen en beslist. Het hof kwam tot de slotsom dat in het principaal appel de grieven 4 en 5 falen, grief 1 gedeeltelijk succes heeft en de grieven 2 en 3 nader onderzoek behoeven.Grief 6 van [appellante] en de voorwaardelijke vordering van [geïntimeerde] bleven rusten.In het incidenteel appel slaagde de grief. Het hof kondigde aan dat het de vordering van [geïntimeerde] zal toewijzen tot een bedrag groot € 3.370,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2013, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het incidenteel appel. 2.2 [appellante] werd toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat van de tussen partijen op 23 juni 2006 gesloten samenlevingsovereenkomst naast de schriftelijk vastgelegde regeling een mondeling overeengekomen beding deel uitmaakt dat inhoudt dat [appellante] ten laste van [geïntimeerde] een vordering groot € 40.000,- heeft. 2.3 [geïntimeerde] heeft als getuige verklaard dat aan de samenlevingsovereenkomst uitvoerig overleg van [appellante] en hem is voorafgegaan. Hij heeft uitgelegd dat zij eigenlijk samen eigenaar van hun huis hadden willen worden. Zij wilden bereiken dat zij door middel van de samenlevingsovereenkomst toch samen als eigenaar zouden fungeren. Artikel 6A van de overeenkomst was daarvan de uitdrukking. Op grond van die bepaling zouden zij de eventuele meerwaarde van het huis delen. Van meerwaarde zou kunnen worden gesproken, aldus [geïntimeerde] , als het huis meer waard zou zijn dan de hypotheekschuld. Dat zou ook nog gelden ingeval de waarde van het huis sedert de aankoop zou zijn gedaald. De consequenties van eventuele minderwaarde zijn tussen hen niet aan de orde geweest bij de voorbereiding van de samenlevingsovereenkomst. Voor zichzelf is hij ervan uitgegaan dat zij samen een eventuele restschuld zouden dragen. [appellante] heeft afgezien van een nominale vordering op hem. [appellante] en hij werden het eens dat de inbreng van [appellante] was verwerkt in artikel 6A, zodat een aanvankelijk opgenomen artikel 21 waarin een nominale vordering voor [appellante] was voorzien, kon vervallen. [geïntimeerde] is zeker ervan dat in de uiteindelijk ondertekende versie van de samenlevingsovereenkomst artikel 21 niet meer voorkwam. Bij gelegenheid van de verdeling van de uitkering van 30.000 euro van de beleggingsrekening die in 2008 heeft plaatsgehad, hebben zij niet stilgestaan bij de vraag of het appartement meerwaarde had in de zin van artikel 6A van de samenlevingsovereenkomst. Zij hebben zich bij de verdeling van dat bedrag laten leiden door de verhouding van hun beider inbreng. Tijdens de onderhandelingen die voorafgingen aan de samenlevingsovereenkomst is nooit gesproken over de vraag of [appellante] recht had op betaling van 60.000 euro. Hij heeft nooit met [appellante] afgesproken dat hij haar 40.000 euro zou betalen.[Y] heeft als getuige verklaard dat de samenlevingsovereenkomst is voorbereid op zijn toenmalige notariskantoor. Hij is niet rechtstreeks betrokken geweest bij de onderhandelingen die zijn voorafgegaan aan de overeenkomst. Hij heeft ter voorbereiding van het getuigenverhoor kennis genomen van het dossier dat nog beschikbaar bleek op zijn voormalige kantoor. Hij heeft daarin een notitie gevonden waarin stond dat er een samenlevingscontract moest komen met meerwaardeclausule. De getuige [Y] kon geen antwoord geven op de vraag of van de afspraken van [geïntimeerde] en [appellante] een nominaal vorderingsrecht van [appellante] deel uitmaakt. Daarover is hem niets bekend. Het heeft hem verbaasd dat hij in het dossier geen notities heeft aangetroffen waaruit hij had kunnen opmaken dat [appellante] afstand wilde doen van het vergoedingsrecht dat zij naar zijn inzicht in beginsel had. Het was indertijd op zijn kantoor geen vaste praktijk om een nominaal vorderingsrecht in de samenlevingsovereenkomst op te nemen. De overeenkomst bevat in artikel 6A de bedoelde meerwaardeclausule.[X], notaris, heeft als getuige verklaard dat hij houder is van het protocol van zijn voorganger [Y] . Hij is niet rechtstreeks betrokken geweest bij de afspraken die [appellante] en [geïntimeerde] hebben gemaakt, ook niet bij de totstandkoming van hun samenlevingsovereenkomst. Op zijn kantoor wordt een digitaal dossier bewaard waarin zich materiaal bevindt dat inzicht kan geven in de totstandkoming van de samenlevingsovereenkomst. Hij heeft van dat materiaal kennis genomen. Onder meer trof hij aan een notitie van zijn voorganger [Y] die inhoudt: samenlevingsovereenkomst en bepaling [appellante] gerechtigd tot meerwaarde van het huis. Hij heeft in dat dossier niets aangetroffen dat erop wijst dat [appellante] afstand zou hebben gedaan van een eventueel vergoedingsrecht. 2.4 Naar het oordeel van het hof kan aan de getuigenverklaringen ontoereikend bewijs worden ontleend voor de stelling dat van de tussen partijen op 23 juni 2006 gesloten samenlevingsovereenkomst naast de schriftelijk vastgelegde regeling een mondeling overeengekomen beding deel uitmaakt dat inhoudt dat [appellante] ten laste van [geïntimeerde] een vordering groot € 40.000,- heeft. De verklaringen van de getuigen [Y] en [X] houden op dit punt niets ter zake dienends in. Beide getuigen nemen voor hun rekening dat naar hun inzicht aan [appellante] een nominaal vergoedingsrecht toekwam en dat het hun verbaast dat zij in het dossier niets hebben aangetroffen dat erop wijst dat zij daarvan afstand heeft gedaan. Die visie levert echter, wat daarvan verder zij, geen bewijs op ter ondersteuning van de stelling van [appellante] dat zij met [geïntimeerde] een dergelijk vergoedingsrecht mondeling is overeengekomen.Aan de verklaring van [geïntimeerde] kan evenmin toereikend bewijs worden ontleend. Die verklaring houdt in dat partijen hebben stilgestaan bij de manier waarop zij hun financiële relatie in verband met het huis zouden regelen. Uitgangspunt was daarbij dat het niet was gelukt om samen eigenaar te worden van dat huis, terwijl ook [appellante] de aankoop door inbreng van haar geld had mogelijk gemaakt. De kern van de regeling die partijen hebben getroffen, is, aldus getuige [geïntimeerde] , te vinden in artikel 6A van de samenlevingsovereenkomst: [appellante] zou delen in de meerwaarde (het verschil tussen de actuele waarde van het huis en de hypotheekschuld). Zijn verklaring houdt niets in dat erop wijst dat hun daarnaast voor ogen zou hebben gestaan dat [appellante] een nominaal vorderingsrecht van 60.000 euro op [geïntimeerde] toekwam. 2.5 Dit bewijsoordeel wordt niet anders als daarbij wordt betrokken de schriftelijke verklaring van [appellante] , gedateerd 4 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.