GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 15/00203 7 april 2016 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, de heffingsambtenaar, ( [X] ) tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AMS 14/1348 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 27 maart 2015 in het geding tussen de vennootschap onder firma [Y] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: [A] ) en de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Met dagtekening 31 oktober 2013 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende voor het jaar 2012 een aanslag zuiveringsheffing bedrijven (hierna: de aanslag) opgelegd van € 720,22. 1.2. Na tegen de aanslag gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 7 februari 2014 het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 maart 2015 als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’): “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - herroept de aanslag zuiveringsheffing 2012; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden.” De formulering “herroept de aanslag zuiveringsheffing” betekent “vernietigt de aanslag zuiveringsheffing”. Het Hof zal het dictum van de rechtbank aldus verstaan. 1.4. Het tegen deze uitspraak door de inspecteur ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 8 mei 2015. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Op 22 februari 2016 zijn nadere stukken ontvangen van de heffingsambtenaar. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Namens belanghebbende is verschenen de heer [A] , vennoot in de vennootschap onder firma [Y] , en namens de heffingsambtenaar, de heren [X] en [B] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten Het Hof vindt aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen. 2.1. Belanghebbende is gevestigd op de adressen [adres 1] en [adres 2] , en exploiteert een ‘bed and breakfast’ (hierna: B&B). Het Hof zal genoemde adressen hierna gezamenlijk aanduiden als “het pand”. 2.2. De exploitanten (vennoten), [C] en [A] , van belanghebbende (hierna: de bewoners) wonen in het pand. 2.3. Op de tweede etage van het pand bevinden zich twee slaapkamers. De slaapkamers hebben ieder een eigen badkamer (met wastafel, douche en toilet). Deze twee slaapkamers worden in het kader van de B&B geëxploiteerd; aldaar verblijven de gasten van de B&B (hierna de gasten) tegen een geldelijke vergoeding. 2.4. Het pand beschikt voorts over een ruime keuken en een tuin, waarvan de gasten gebruik kunnen maken. Dit gebruik vindt met enige regelmaat plaats. 2.5. De bewoners en de gasten hebben toegang tot het pand via dezelfde voordeur. 3Geschil in hoger beroep 3.1. Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de onderhavige aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Primair is in geschil of het gedeelte van het pand dat (mede) voor de B&B wordt gebruikt, is aan te merken als een afzonderlijke bedrijfsruimte; subsidiair is in geschil of de hoogte van de aanslag op de juiste wijze berekend is. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal. 3.3. De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep van belanghebbende. Belanghebbende concludeert primair tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en subsidiair tot vermindering van de aanslag. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, waarbij zij het volgende heeft overwogen: “7.1. Beoordeeld dient te worden of de aanslag bedrijfsruimte voor 2012 terecht is opgelegd. 7.2. Op grond van artikel 2, onder f, [Hof: van de Verordening Zuiveringsheffing Amstel Gooi en Vecht 2012] wordt onder woonruimte verstaan: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven. Op grond van artikel 2, onder g, van de Verordening wordt onder bedrijfsruimte verstaan: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte is, niet zijnde een woonruimte. 7.3. De rechtbank leidt, in navolging van de uitspraak van 27 mei 2004 van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ6732), uit de woorden ‘als afzonderlijk geheel te beschouwen’ af dat van een bedrijfsruimte eerst sprake is indien de ruimte, voor wat betreft zijn bedrijfsfunctie, voldoende zelfstandigheid bezit. Die zelfstandigheid dient te worden afgeleid uit de aard en inrichting van de ruimte, waarbij bepalend is of de gebruiker bij het gebruik van de bedrijfsruimte op een wijze waarvoor deze naar aard en inrichting is bestemd, meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen. Is dat laatste het geval, dan bezit de ruimte onvoldoende zelfstandigheid. 8. Uit hetgeen partijen over en weer in de stukken van het geding hebben aangevoerd en ter zitting hebben verklaard maakt de rechtbank op dat niet in geding is dat de verhuur van de slaapkamers op bedrijfsmatige basis geschiedt. De kamers beschikken over afzonderlijke sanitaire voorzieningen. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het mede-gebruik van de toegangsdeur door de gasten niet dat sprake is van meer dan bijkomstig gebruik nu dat incidenteel gebruik van verkeersruimtes betreft. Evenmin maakt het gestelde gebruik van de keuken door de gasten als eetruimte dat de ‘bed and breakfast’ meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten de kamers gelegen voorzieningen omdat dit gebruik facultatief is. Datzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor het gestelde (mede)gebruik van de tuin. Daarentegen acht de rechtbank het niet betwiste gebruik door [C] van de keuken van het pand om het ontbijt voor de gasten klaar te maken als meer dan bijkomstig afhankelijk gebruik. Daarbij gaat het immers om een voor de bedrijfsactiviteit ‘bed and breakfast’ essentieel onderdeel van de aangeboden dienst. Voorts heeft [C] onbetwist gesteld dat de kamers van de ‘bed and breakfast’ niet over een afzonderlijke installatie voor de verwarming en warm water beschikken. Binnen het woongedeelte van het pand zijn de installaties opgesteld waarmee het gehele pand wordt verwarmd en van warm water wordt voorzien. Onder deze omstandigheden vormt naar het oordeel van de rechtbank het deel van het pand waarin [C] woont geen afzonderlijk deel dat moet worden onderscheiden van het deel van het pand waarin eiseres haar bedrijf uitoefent. 9. Omdat er in het pand geen afzonderlijke woonruimte aanwijsbaar is en er in het pand een bedrijf wordt uitgeoefend dient het pand in de onder overweging 7.2 aangehaalde terminologie als één bedrijfsruimte te worden aangemerkt (vergelijk HR 23 juli 1984, nr. 22 178, V-N 1984, blz. 1973). Het pand heeft verschillende gebruikers, waaronder [C] , die als belastingplichtige in de heffing van de zuiveringsheffing kunnen worden betrokken. Verweerder heeft ter zake van woonruimte aan [C] al een zuiveringsheffing opgelegd. Daarmee heeft verweerder zijn bevoegdheid tot het heffen van de zuiveringsheffing bedrijven ter zake het pand voor de het jaar 2012 uitgeput. Het stond verweerder niet vrij om, na de oplegging en het onherroepelijk worden van de aanslag ten behoeve van de woonruimte, eiseres ter zake van hetzelfde belastbare feit - het lozen van afvalwater uit het pand - ook aan te slaan voor de zuiveringsheffing bedrijven. 10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept de aanslag zuiveringsheffing 2012. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.” 5Beoordeling van het geschil 5.1. Op grond van artikel 122d van de Waterschapswet wordt ter zake van bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater een heffing (zuiveringsheffing) ingesteld ter zake van het afvoeren. Aan de heffing wordt ter zake van het afvoeren vanuit een bedrijfs- of woonruimte onderworpen degene die het gebruik heeft van die ruimte. 5.2. Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht heeft van de bevoegdheid ingevolge artikel 122l van de Waterschapswet gebruik gemaakt door middel van het instellen van de Verordeningen Zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht 2012 (hierna te noemen: de Verordening). 5.3. Blijkens de in artikel 2, aanhef en onder f, van de Verordeningen opgenomen definitie van woonruimte - welke definitie, voor zover relevant, gelijk is aan de definitie van woonruimte in artikel 116, aanhef en onder b, van de Waterschapswet - wordt onder woonruimte verstaan een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven. 5.4. Blijkens artikel 2, aanhef en onder g, van de Verordeningen (welke definitie (nagenoeg geheel) overeenkomt met artikel 122c, onder i, van de Waterschapswet) wordt onder bedrijfsruimte verstaan een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering. 5.5. De vraag die ingevolge voornoemde systematiek van de hiervoor vermelde artikelen eerst beantwoord dient te worden, is of het pand in zijn geheel als woonruimte gekwalificeerd kan worden. Toetsingskader 5.6. De definitie van het begrip woonruimte in artikel 2, aanhef en onder f, van de Verordening, valt uiteen in twee elementen. Het eerste element vereist de aanwezigheid van een “ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid”. Niet in geschil is dat een dergelijke ruimte in dezen aanwezig is. 5.7. Het tweede element vereist dat onderzocht wordt of er in de ruimte delen zijn te onderkennen die “blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven”. Aandacht verdient, dat de vraag of zich dergelijke afzonderlijke delen voordoen moet worden beantwoord aan de hand van de “inrichting van die ruimte” en niet aan de hand van de “inrichting van die delen”. Indien dergelijke delen wel aanwezig zijn dient te worden beoordeeld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.