Parketnummer: 23-002347-14 Datum uitspraak: 26 januari 2016 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2014 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-525763-09 tegen de veroordeelde: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984, adres: [adres] Procesgang Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 1.000,-. De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 4 juni 2014 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 800,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2012 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, terwijl dit feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, onder verwijzing naar zijn conclusie van 7 december 2015, gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 600,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de opbrengst van het horloge in het helingcircuit te hoog heeft geschat. De dagwaarde van het horloge moet worden vastgesteld op € 3.000, nu er geen doosje en echtheidscertificaat bij het horloge konden worden verkocht. De opbrengst in het helingcircuit moet worden geschat op 20 procent van de dagwaarde. Bij de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet rekening worden gehouden met de rol van medeveroordeelde [medeverdachte 1] . De raadsman komt daarmee op een te ontnemen bedrag van € 600,-. Oordeel van het hof Uit het rapport ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict’ blijkt dat het bij de diefstal weggenomen horloge van het merk Panerai, type Luminor GMT 297, bouwjaar 2008, een nieuwwaarde vertegenwoordigde van € 5.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.