GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.175.484/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 3388534 CV EXPL 14-25557 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 mei 2016 inzake 1 [appellante sub 1] , 2. [appellante sub 2], beiden kantoorhoudend te [plaats] , appellanten, advocaat: mr. G.M.Y. Blokland te Amsterdam, tegen STICHTING WOONZORG NEDERLAND, gevestigd te Amstelveen, geïntimeerde, advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellanten] en Woonzorg genoemd. [appellanten] zijn bij dagvaarding van 13 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 20 februari 2015, 1 mei 2015 en 10 juli 2015 die onder bovenvermeld zaaknummer zijn gewezen tussen Woonzorg als eiseres en [appellanten] als gedaagden. De appeldagvaarding bevat de grieven. [appellanten] hebben ter rolle geconcludeerd overeenkomstig die dagvaarding. Woonzorg heeft daarna een memorie van antwoord met producties ingediend. Vervolgens is arrest gevraagd. [appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - naar het hof hen begrijpt - alsnog de vorderingen van Woonzorg zal afwijzen. Daarnaast hebben [appellanten] gevorderd dat het hof een verklaring voor recht zal geven zoals aan het slot van de appeldagvaarding is vermeld, een en ander met beslissing over de proceskosten. Woonzorg heeft geconcludeerd dat het hof [appellanten] niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep althans de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten en de nakosten. 2Ontvankelijkheid 2.1. Woonzorg stelt dat [appellanten] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in het hoger beroep omdat zij op 13 augustus 2015 een tweede appeldagvaarding hebben uitgebracht nadat zij ten aanzien van de op 31 juli 2015 uitgebrachte eerste appeldagvaarding hebben verzuimd om de zaak op de aangezegde roldatum, 11 augustus 2015, aan te brengen en niet binnen veertien dagen na de aangezegde roldatum een geldig herstelexploot hebben uitgebracht ex artikel 125 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daardoor is - volgens Woonzorg - de aanhangigheid van de zaak geëindigd. Daarnaast heeft Woonzorg een beroep gedaan de nietigheid van de (tweede) appeldagvaarding. Volgens Woonzorg hebben [appellanten] Woonzorg ten onrechte op de voet van artikel 63 Rv ten kantore van mr. Slager gedagvaard, terwijl Woonzorg daar geen woonplaats heeft gekozen. 2.3. Het eerste gestelde verzuim kan niet tot niet-ontvankelijkheid leiden omdat de tweede appeldagvaarding binnen de appeltermijn is uitgebracht en het vervallen van de aanhangigheid van de zaak op grond van de eerste appeldagvaarding niet in de weg staat aan het uitbrengen van een nieuwe appeldagvaarding binnen de appeltermijn. Het hof verwerpt voorts het beroep op de nietigheid van de tweede appeldagvaarding omdat Woonzorg in het geding is verschenen en gesteld noch gebleken is dat zij onredelijk in haar belangen is geschaad zoals bedoeld in artikel 122 lid 1 Rv. Uit het vorenstaande volgt dat [appellanten] ontvankelijk zijn in het hoger beroep. 3Beoordeling 3.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. 3.1.1. Woonzorg verhuurt krachtens een schriftelijke huurovereenkomst aan [A] (hierna: [A] ) de woonruimte aan de [adres] . De huur dient bij vooruitbetaling te worden voldaan. 3.1.2. [A] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Woonzorg heeft haar vordering te dien aanzien ter incasso uit handen gegeven. 3.1.3. Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 10 december 2012 zijn de goederen van [A] onder bewind gesteld met benoeming van [bewindvoerder A] en [bewindvoerder B] , verbonden aan Stichting Hulp-Centraal te Amstelveen (hierna: Hulp-Centraal) als bewindvoerder. 3.1.4. Bij inleidende dagvaarding van 29 augustus 2014 heeft Woonzorg gevorderd dat Hulp-Centraal, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [A] , onder meer zal worden veroordeeld tot betaling van een huurachterstand vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en rente. Daarnaast heeft Woonzorg ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gevorderd. 3.1.5. Bij beschikking van 14 november 2014 is Hulp-Centraal ontslagen als bewindvoerder van [A] . [appellanten] zijn bij die beschikking als opvolgend bewindvoerder aangesteld. [appellanten] waren verbonden aan de maatschap Questor Bewindvoering (hierna: Questor). 3.1.6. Bij het bestreden tussenvonnis van 20 februari 2015 heeft de kantonrechter Woonzorg in de gelegenheid gesteld te reageren op de stelling van Hulp-Centraal dat zij niet langer optreedt als bewindvoerder van [A] . 3.1.7. Na een aktewisseling heeft de kantonrechter bij het bestreden tussenvonnis van 1 mei 2015, voor zover van belang, Woonzorg in de gelegenheid gesteld [appellanten] als nieuwe bewindvoerders van [A] bij exploot op te roepen in het geding. 3.1.8. In het bestreden eindvonnis van 10 juli 2015 heeft de kantonrechter overwogen dat [appellanten] , hoewel zij daartoe bij exploot van 28 mei 2015 zijn opgeroepen, niet in het geding zijn verschenen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vorderingen van Woonzorg moeten worden toegewezen, omdat deze niet inhoudelijk zijn weersproken en niet onjuist danwel ongegrond voorkomen. De kantonrechter heeft (aldus) de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde toegewezen en [appellanten] in hun hoedanigheid van bewindvoerder van [A] veroordeeld tot betaling van € 7.006,30 aan huurachterstand, € 4,60 aan vervallen rente en € 715,73 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 7.006,30 vanaf 21 november 2014 tot de dag der voldoening. Daarnaast heeft de kantonrechter [appellanten] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 551,08 per maand (of gedeelte daarvan) vanaf december 2014, zolang het gehuurde niet ontruimd aan Woonzorg ter beschikking wordt gesteld. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. [appellanten] zijn veroordeeld in de proceskosten en de nakosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [appellanten] met hun grieven op. 3.2. Alvorens de grieven te bespreken merkt het hof op dat [appellanten] in hun memorie van grieven vier producties hebben genoemd, maar dat zij hebben nagelaten deze producties in het geding te brengen. Bedoelde producties maken derhalve geen deel uit van het procesdossier. 3.3. In grief 1 stellen [appellanten] onder meer dat Questor is ontbonden tijdens de procedure in eerste aanleg, dat daarom (wederom) sprake is van het defungeren van een formele procespartij en dat het eindvonnis van 10 juli 2015 daardoor rechtskracht mist. 3.4. Indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.