15/871305-15 GERECHTSHOF AMSTERDAM, MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, wonende te [adres] , thans verblijvende in het Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim, tegen de beslissing van de rechtbank te Noord-Holland, locatie Alkmaar van 12 april 2016, voor zover houdende afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte. De feiten en de rechtsgang Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank te Noord-Holland, locatie Alkmaar van 13 april 2016, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld van voormelde beslissing van die rechtbank. Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte mr. [naam]. De beoordeling Op grond van het bepaalde in artikel 87, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de verdachte die aan de rechtbank schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis heeft verzocht, slechts eenmaal van een afwijzende beslissing op dat verzoek in hoger beroep komen. In het geval het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg al is aangevangen, maar nog niet is geëindigd, heeft de wetgever met artikel 406, tweede lid Sv – met doorbreking van het zogenaamde concentratiebeginsel – ook in een beperkt aantal gevallen hoger beroep open willen stellen tegen beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis. In de Nota naar aanleiding van het nader verslag bij de wet van 22 april 1998, Stb. 1998, 250 (waarbij het tweede lid van artikel 406 Sv is toegevoegd) komt nadrukkelijk de vraag aan de orde of invoering van artikel 406, tweede lid Sv mogelijk maakt dat degene wiens verzoek reeds voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is afgewezen, andermaal een beroepsmogelijkheid krijgt als die afwijzing plaats vindt nadat het onderzoek is geopend. Uit het antwoord op deze vraag blijkt dat het juist niet de bedoeling is geweest met de regeling nieuwe beroepsmogelijkheden te creëren (Kamerstukken II 1996/1997, 24 149, nr. 12, p. 9). Anders dan de raadsman is het hof dan ook van oordeel dat de beperkingen in artikel 87, tweede lid Sv mede gelden ingeval het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg al is aangevangen, maar nog niet is geëindigd. Nu het hof reeds op 20 januari 2016 heeft beslist op een namens de verdachte ingesteld hoger beroep tegen een afwijzing door de rechtbank van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, is de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 87, tweede lid Sv, niet-ontvankelijk in zijn beroep. 15/871305-15 De beslissing Het hof: VERKLAART de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep tegen de bestreden beslissing, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Deze beschikking is gegeven op 4 mei 2016 in raadkamer van dit hof door mr. M.J.G.B. Heutink, voorzitter, mrs. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. K.D.M. de Lange als griffier. [....] [....] [....]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.