← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2016:2143

Parketnummer: 23-003354-15 (ontneming) Datum uitspraak: 27 mei 2016 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 augustus 2015 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met parketnummer 15-700579-14 tegen de veroordeelde: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964, adres: [adres]. Procesgang Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 32.550,

  1. De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 augustus 2015 vrijgesproken ten het ten laste gelegde. Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 6 augustus 2015 de vordering van het Openbaar Ministerie ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht afgewezen. Het Openbaar Ministerie heeft tegen beide vonnissen hoger beroep ingesteld. De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 mei 2016 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - medeplichtigheid aan hennepteelt in de periode van 29 augustus 2014 tot en met 10 oktober
  2. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 32.550,08 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof is van oordeel dat op grond van de onder voormeld parketnummer aangelegde straf- en ontnemingsdossiers, alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting, aannemelijk is geworden dat de veroordeelde door middel van of uit de baten van de hiervoor genoemde feiten waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof ontleent de schatting van dat op na te melden geldbedrag gewaardeerde voordeel aan de inhoud van de bewijsmiddelen. Het hof baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij per maand € 300,00 aan huur heeft ontvangen, nu die verklaring het hof niet onaannemelijk voorkomt. Het hof neemt als aanvangsdatum 29 augustus 2014, namelijk het moment dat de veroordeelde naar Zweden is afgereisd. Op 20 oktober 2014 is de hennepkwekerij ontmanteld, zodat de veroordeelde in totaal twee maanden huur heeft ontvangen. De raadsman heeft ten aanzien van de gemaakte kosten aangevoerd dat het aan Liander verschuldigde bedrag in mindering dient te worden gebracht. Het hof overweegt dat de veroordeelde - naar eigen zeggen - nog niet is begonnen met de aflossing van zijn schuld aan Liander. Derhalve is niet gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld. Op grond van het voorgaande schat het hof het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 600,
  3. Verplichting tot betaling aan de Staat Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 600,
  4. Toepasselijk wettelijk voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 600,00 (zeshonderd euro). Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 600,00 (zeshonderd euro). Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van mr. S.W.M. Stevens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 mei
  5. De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.