GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.163.578/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/209857 / HA ZA 14-5 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 januari 2016 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellant, advocaat: mr. E.C.J. Ris te Amsterdam, tegen: [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] , allen wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , geïntimeerden, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep De partijen zullen hierna [appellant] , [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] worden genoemd en geïntimeerden gezamenlijk [geïntimeerden] (vrouwelijk enkelvoud). [appellant] is bij dagvaarding van 17 december 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 oktober 2014, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen hem als gedaagde in conventie/eiser in reconventie en [geïntimeerden] als eiseres in conventie/verweerster in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven tevens houdende vermeerdering van gronden, met producties; - memorie van antwoord, met een productie; - akte tot het in het geding brengen van producties aan de zijde van [geïntimeerden] ; - antwoordakte aan de zijde van [appellant] . - akte uitlating producties aan de zijde van [geïntimeerden] Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en de oorspronkelijke vorderingen van [geïntimeerden] alsnog zal afwijzen en zijn oorspronkelijke vorderingen alsnog zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten. [geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. Partijen hebben heeft in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Tegen de onder 2.4 vastgestelde feiten is grief I gericht. Voor zover relevant, zal het hof hiermee bij de beoordeling rekening houden. Voor het overige zijn de feiten in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt, waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties, waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen. 3Beoordeling 3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. 3.1.1 [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] zijn gezamenlijk eigenaren van een op 27 augustus 2009 in appartementsrechten gesplitst registergoed aan de [adres 1] . 3.1.2 [appellant] heeft sinds 3 februari 1992 een opstalrecht op een kaveI grond en een zich daarop bevindend woonhuis aan de [adres 2] , groot een are en vier en dertig centiare, kadastraal bekend als [plaats] , sectie [sectie] , nummer [nummer] . Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het Hoogheemraadschap) is bloot eigenaar van deze grond. Het opstalrecht is geëindigd ultimo februari 1997, waarna bij akte van 15 mei 1998 aan [appellant] een nieuw opstalrecht is verleend dat is ingegaan op 1 maart 1997, met een looptijd van dertig jaar. Het perceel waarop [appellant] een opstalrecht heeft, kijkt aan de achterzijde uit op de achtermuur van het pand van [geïntimeerden] 3.1.3 Tussen de achtermuur en het perceel waarop [appellant] een opstalrecht heeft, bevindt zich een stuk grond van circa 5 meter breed (door [geïntimeerden] en hierna door het hof ook aangeduid als de brandgang) dat in eigendom toebehoort aan [geïntimeerden] 3.1.4 In de achtermuur van het pand van [geïntimeerden] bevindt zich een dubbele deur (hierna ook: de nooddeur) die (deels) uitkomt op de brandgang. De nooddeur is door een vorige eigenaar van het pand van [geïntimeerden] dichtgemaakt (in 1995 of later). 3.1.5 [appellant] heeft de brandgang als onderdeel van zijn achtertuin in gebruik genomen. [appellant] heeft beplantingen in de brandgang aangebracht. Voorts heeft [appellant] in 2008 dan wel 2009 daar een blokhut geplaatst. 3.1.6 Tussen de achtertuin van [appellant] en de percelen van zijn buren aan de [adres 3] en [adres 4] zijn schuttingen geplaatst. Eind 2012 dan wel begin 2013 heeft [appellant] het achterste deel van de schutting tussen zijn achtertuin en de tuin van zijn buren aan de [adres 3] gewijzigd. De schutting loopt thans recht naar achteren tot tegen de nooddeur in de achtermuur van [geïntimeerden] 3.1.7 [geïntimeerden] heeft [appellant] bij brief van 24 juni 2013 laten weten dat hij de brandgang zonder toestemming gebruikt en hem gesommeerd die brandgang onmiddellijk te ontruimen. 3.1.8 [appellant] is niet tot ontruiming overgegaan. 3.2 [geïntimeerden] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd [appellant] te veroordelen om het door hem in bezit genomen deel van het erf van [geïntimeerden] te ontruimen. Aan deze vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat [appellant] zonder recht of titel een deel van de aan haar in gezamenlijk eigendom toebehorende grond in gebruik heeft genomen. 3.3 [appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd: primair (a) voor recht te verklaren dat [appellant] door verjaring een opstalrecht ten aanzien van het onderhavige stukje grond heeft verkregen en (b) [geïntimeerden] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis medewerking te verlenen aan de inschrijving van het opstalrecht bij het kadaster, onder welke medewerking zo nodig begrepen moet worden het doen opmaken van een notariële akte en te bepalen dat het vonnis in de plaats kan treden van een ter uitvoering hiervan op te maken akte; subsidiair [geïntimeerden] te veroordelen om [appellant] met toepassing van artikel 5:54 BW een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand te verlenen, dan wel het stuk grond aan hem in eigendom over te dragen of aan hem ter zake een opstalrecht te verlenen, ter keuze van [geïntimeerden] en tegen schadeloosstelling, onder de bepaling dat het vonnis in de plaats kan treden van een ter uitvoering hiervan op te maken akte. 3.4 De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerden] tot ontruiming toegewezen en de reconventionele vorderingen van [appellant] afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat [appellant] de brandgang te goeder trouw als opstalgerechtigde in bezit heeft genomen en evenmin dat hij door middel van extinctieve verjaring, die in dit geval vóór 24 juni 1993 moet zijn aangevangen, het bezit van een recht van opstal op de brandgang heeft verkregen. 3.5 Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zeven grieven op. 3.6 Het hof zal eerst de grieven III en IV als meest verstrekkende grieven gezamenlijk behandelen. Deze komen op tegen de volgende overwegingen van de rechtbank die, samengevat, luiden: (i) dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat [appellant] reeds begin februari 1992 aan de [adres 2] is komen wonen en het stuk grond vanaf dit moment is gaan gebruiken (rov. 4.10); (ii) dat als dat anders zou zijn, dit niet voldoende is om aan te nemen dat daarmee ook de verjaringstermijn met betrekking tot het bezit van het opstalrecht is aangevangen. Het recht van opstal betreft immers niet een gebruiksrecht maar een zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen. Uit de door [appellant] overgelegde foto’s met de daarbij genoemde data blijkt dat de eerste beplantingen pas in november 1993 zijn aangebracht, terwijl vaststaat dat de blokhut eerst in 2008 of 2009 door [appellant] werd geplaatst. Dat sprake is van eerdere werken gebouwen of beplantingen, is gesteld noch gebleken (rov. 4.11); (iii) dat niet geconcludeerd kan worden dat [appellant] voor 24 juni 1993 het bezit van een recht van opstal op het onderhavige stuk grond heeft verkregen en van een voltooide verjaring geen sprake is (rov. 4.12). 3.7 De grieven stellen in wezen de volgende vragen aan de orde:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.