← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2016:234

beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.170.524/01 GDW nummer eerste aanleg : 123.2015 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 26 januari 2016 inzake [klager] , wonend te [woonplaats] , appellant, gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Veenendaal, tegen [gerechtsdeurwaarder] , gerechtsdeurwaarder te [vestigingsplaats] , geïntimeerde. 1Het geding in hoger beroep 1.

  1. Appellant (hierna: klager) heeft op 28 mei 2015 een beroepschrift – met bijlage – bij het hof ingediend tegen de beschikking van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 21 april 2015 (ECLI:NL:TGDKG:2015:87), verzonden op 30 april
  2. 1.
  3. De kamer heeft in de bestreden beschikking het verzet van klager tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer van 3 februari 2015, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) als kennelijk ongegrond was afgewezen, ongegrond verklaard. 1.
  4. De gerechtsdeurwaarder heeft op 9 juni 2015 een verweerschrift bij het hof ingediend. 1.
  5. De zaak is, voor zover het betreft de ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 22 december
  6. Klager, vergezeld van zijn gemachtigde, is verschenen. Zij hebben beiden het woord gevoerd. De gerechtsdeurwaarder heeft schriftelijk te kennen gegeven niet te zullen verschijnen. 2Stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3De ontvankelijkheid van klager in het hoger beroep 3.
  7. Klager heeft op 20 mei 2014 bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd, dat bij de kamer is ingekomen op 3 juni
  8. De voorzitter van de kamer heeft vervolgens bij beschikking van 3 februari 2015 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Deze beschikking is op 6 februari 2015 aan klager toegezonden, waarna klager bij schrijven van 17 februari 2015 verzet heeft aangetekend tegen deze beschikking. Het verzetschrift is behandeld op de terechtzitting van 10 maart
  9. De kamer heeft bij beschikking van 21 april 2015 het verzet ongegrond verklaard. 3.
  10. Artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de beschikking waarvan beroep. Van het in voormeld wetsartikel opgenomen rechtsmiddelenverbod kan slechts worden afgeweken, indien bij de totstandkoming van de beschikking een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. 3.
  11. Klager heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kamer heeft nagelaten de klachten van klager inhoudelijk te beoordelen, waardoor geen sprake is geweest van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Hij stelt: (i) dat de kamer in de beschikking onterecht heeft opgemerkt dat de gerechtsdeurwaarder gemotiveerd verweer heeft gevoerd; op de acht gemotiveerde klachten van klager is de gerechtsdeurwaarder in het geheel niet inhoudelijk ingegaan, (ii) dat de kamer de omstandigheid dat de klacht eerder ingediend had kunnen worden niet ten grondslag had mogen leggen aan haar beschikking, aangezien nu de klacht tijdig is ingediend dit geen argument voor niet-ontvankelijkheid oplevert, en (iii) dat het gegeven dat de klacht mede betrekking heeft op een civielrechtelijk conflict niet in de weg staat van een tuchtrechtelijke behandeling. Klager verwijst hierbij naar artikel 17 van de KBvG-verordening Normen voor Kwaliteit: een gerechtsdeurwaarder dient zich als een goed en verantwoordelijk werkgever te gedragen. De kamer had dienen te beoordelen of de gerechtsdeurwaarder die tuchtrechtelijke norm heeft geschonden. 3.
  12. Het hof is van oordeel dat de onder 3.2 vermelde uitzondering zich in de onderhavige zaak niet voordoet. In de kern stelt klager zich op het standpunt dat de kamer haar beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat uit de motivering van de kamer niet blijkt dat zij de klachten van klager inhoudelijk heeft behandeld. Volgens vaste jurisprudentie vormt een motiveringsgebrek echter geen doorbrekingsgrond van het rechtsmiddelenverbod. Dat klager meent dat de bestreden beschikking gebrekkig is gemotiveerd, is daarom, wat daarvan ook zij, onvoldoende om te kunnen concluderen dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. 3.
  13. Het voorgaande leidt ertoe dat klager niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep. 4Beslissing Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de kamer van 21 april
  14. Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2016 door de rolraadsheer.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.