parketnummer: 23-003601-15 datum uitspraak: 5 juli 2016 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 september 2015 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-810364-14 en 15-103321-14 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek ter terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof; - acht slaat op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 14 juni 2016; - de in rechtbankoverweging onder 3.2 omtrent de redengevende feiten en omstandigheden onder feit 3 genoemde datum leest als 9 oktober 2013; - de rechtbankoverwegingen onder 3.3 omtrent feit 2 vervangt door onderstaande overweging. Bewijsoverweging Feit 2 De verdediging heeft aangevoerd dat ten aanzien van dit feit niet is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dat op grond van de bewijsmiddelen in het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen van hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd. Uit deze bewijsmiddelen blijkt dat de politie een melding heeft gekregen dat een hoogzwangere vrouw in elkaar werd geslagen door een man. De verbalisanten die deze hoogzwangere vrouw, naar later blijkt verdachtes vriendin [slachtoffer], ter plaatse aantreffen, constateren onder meer dat zij opgedroogd bloed onder haar neus heeft. Desgevraagd verklaart [slachtoffer] dat haar vriend dit gedaan heeft. Ze verklaart ook dat de door de verbalisanten geconstateerde blauwe plek op haar hoofd door haar vriend komt. Voorts benoemt zij dat een andere blauwe plek ouder letsel betreft, dat haar vriend eerder die week had toegebracht. Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte [slachtoffer] op 18 augustus 2014 mishandeld heeft. Oplegging van straf De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor de in eerste aanleg onder het parketnummer 15/810364-14 gevoegde feiten 1, 2, 3, 4 en 5 en het onder parketnummer 15/103321-14 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met aftrek van voorarrest, waarbij als bijzondere voorwaarden zijn gesteld een meldplicht, een behandelverplichting en een detox-opname. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde 2] zijn toegewezen tot een bedrag van € 368,21, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere mishandelingen van zijn levensgezel. Daarbij heeft hij haar onder meer geslagen, getrapt en haar neus en mond dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden. Ten tijde van de mishandeling op 18 augustus 2014 was zijn levensgezel 9 maanden zwanger van hun eerste kindje. De tweede mishandeling vond thuis plaats terwijl hun baby in de woning aanwezig was. Deze strafbare feiten moeten worden aangemerkt als een zeer ernstige vorm van huiselijk geweld. De verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn vriendin. Ook heeft hij haar gevoel van veiligheid aangetast temeer nu de verdachte en zijn vriendin samenwoonden en een relatie hebben; omstandigheden waarbinnen men erop moet kunnen vertrouwen niet te worden mishandeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van huiselijk geweld nog geruime tijd kunnen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling en de bedreiging van de ex-partner van zijn vriendin. Ook dit zijn ernstige strafbare feiten. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal en belediging van een ambtenaar in functie. Dit zijn nare en kwalijke zaken. Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt het hof rekening met het psychologisch rapport Pro Justitie van 1 januari 2015, opgesteld door drs. [deskundige], GZ-psycholoog. Dit rapport houdt onder meer in dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit van het gecombineerde type (ADHD) en van cannabisafhankelijkheid. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en narcistische trekken. Daarnaast is er sprake van een partner-relatieprobleem. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten 1 en 2 was de verdachte in enigszins verminderde mate in staat om het ontoelaatbare van zijn handelen in te zien en was hij (vooral) verminderd in staat tot het maken van adequate gedragskeuzes en naar dat inzicht te handelen. De onderzoeker heeft geadviseerd om hetgeen verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen. Met de conclusie van dit rapport kan het hof zich verenigen. In het voordeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte en zijn vriendin sinds driekwart jaar in relatietherapie zijn. Daarnaast volgt de verdachte individuele therapie en heeft hij gedurende een jaar schematherapie gevolgd. Door verschillende technieken leert verdachte beter om te gaan met momenten van ruzie. Alle begeleiding van de verdachte en zijn vriendin vindt plaats bij Palier, waar de behandelingen ook gericht zijn op de terugkeer van hun uit huis geplaatste zoontje. De verdachte heeft voorts vorig jaar vrijwillig een detox-opname ondergaan. Het hof stelt vast dat de verdachte een intensief behandeltraject volgt, alleen en samen met zijn vriendin. Dit traject loopt al enkele maanden en het hof ziet het belang van de verdachte om dit traject niet te doorkruizen met een lange gevangenisstraf. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 juni 2016 is hij ter zake van geweldsmisdrijven onherroepelijk veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met een voorwaardelijk strafdeel en een forse taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Bijkomende straf Het hof is van oordeel dat het onder 4 bewezenverklaarde feit met betrekking van de hierna noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen is begaan. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 57, 63, 266, 267, 285, 300, 304 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een tweetal vorderingen tot schadevergoeding. Deze bedragen in totaal € 648,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.