GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.185.503/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 4401737 EA VERZ 15-903 beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 juli 2016 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. P.C. Snijders te Amsterdam, tegen TREINSCHOON! B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, appellante in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. R.M. Dessaur te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en Treinschoon genoemd. [appellant] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 12 februari 2016, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) onder bovenstaand zaaknummer op 8 december 2015 heeft gegeven. Het beroepschrift in principaal beroep bevat zes grieven. Het strekt ertoe dat het hof genoemde beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, primair, Treinschoon zal veroordelen de arbeidsovereenkomst met [appellant] te herstellen, en voor de tussenliggende periode een voorziening zal treffen tot het doorbetalen van het salaris van € 2.141,19 bruto per maand, vanaf de opschorting d.d. 7 mei 2015 dan wel vanaf 1 februari 2016 tot aan de dag dat de dienstbetrekking is hersteld, subsidiair, Treinschoon zal veroordelen tot het voldoen van een billijke vergoeding aan [appellant] , meer subsidiair Treinschoon zal veroordelen tot het voldoen van de transitievergoeding ad – na een correctie bij gelegenheid van de mondelinge behandeling - € 5.709,- bruto, in alle gevallen met veroordeling van Treinschoon in de proceskosten in beide instanties. Op 6 april 2016 is ter griffie van het hof een verweerschrift in principaal hoger beroep tevens houdende een verzoekschrift houdende incidenteel hoger beroep, met producties, van Treinschoon ingekomen. Daarin verzoekt Treinschoon de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en de verzoeken van [appellant] af te wijzen, en in incidenteel hoger beroep voor recht te verklaren dat Treinschoon aan [appellant] geen transitievergoeding verschuldigd is, in alle gevallen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 1 juni 2016. Bij die gelegenheid heeft namens [appellant] mr. Snijders voornoemd het woord gevoerd en namens Treinschoon mr. Dessaur voornoemd. Daarbij heeft mr. Dessaur zich bediend van aan het hof overgelegde aantekeningen. Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten. Uitspraak is bepaald op heden. 2Feiten De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1.1 tot en met 1.20 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep – behoudens [appellant] ’s grief dat de door de kantonrechter genoemde feiten onvolledig zijn - niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 2.1. [appellant] , geboren [in] 1984, is sedert 1 september 2012 in dienst van Treinschoon en sedert 6 augustus 2007 bij diens rechtsvoorganger, is laatstelijk werkzaam geweest in de functie van medewerker modulaire en keerpuntreiniging treinen. Het bruto uurloon bedraagt € 12,04 bruto exclusief vakantietoeslag, op basis van een werkweek van 38 uur, derhalve € 2.141,19 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag. 2.2. [appellant] heeft zich op 7 november 2013 bij Treinschoon ziekgemeld. Na re-integratie heeft [appellant] in oktober 2014 zijn eigen werkzaamheden volledig hervat. 2.3. [appellant] heeft zich met ingang van 10 december 2014 opnieuw bij Treinschoon ziekgemeld. 2.4. Tijdens verzuimgesprekken op 11 en 16 december 2014 heeft [appellant] aan Treinschoon aangegeven dat hij privéproblemen had en van Treinschoon geld wilde lenen om zijn schulden af te lossen. Treinschoon was daar niet toe bereid. 2.5. [appellant] heeft toen aan Treinschoon te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen onder de voorwaarde dat Treinschoon hem een vergoeding van € 15.000,- zou betalen. Treinschoon is daar niet mee akkoord gegaan. 2.6. De bedrijfsarts heeft op 17 december 2014 geoordeeld dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid van [appellant] en dat hij zijn werk weer kon hervatten. 2.7. [appellant] is, nadat hij zijn werkzaamheden eerst vanaf 23 december 20l4 enige dagen enige uren had hervat, op 25 december 2014 naar huis gegaan omdat hij naar zijn oordeel niet in staat was zijn werkzaamheden uit te voeren. 2.8. Treinschoon heeft [appellant] bij brief van 29 december 2014 erop gewezen dat hij een deskundigenoordeel bij het UWV diende te vragen en dat zij in afwachting van de uitkomst daarvan de loonbetaling vanaf 29 december 2014 zou staken. 2.9. [appellant] heeft, na herhaaldelijk door Treinschoon daartoe te zijn aangespoord, op 2 februari 2015 het deskundigenoordeel aangevraagd. Het UWV heeft op 4 maart 2015 geoordeeld dat [appellant] op 10 december 2014 niet in staat was zijn eigen werk te doen. 2.10. Treinschoon heeft vervolgens het ziekengeld met terugwerkende kracht vanaf 10 december 2014 aan [appellant] betaald. 2.11. [appellant] is op 25 maart 2015 bij de bedrijfsarts verschenen. [appellant] is toen verzocht een machtiging te ondertekenen die de bedrijfsarts in staat zou stellen informatie bij zijn behandelaars op te vragen. De bedrijfsarts heeft op 31 maart 2015 onder meer het volgende geadviseerd: “(…) Ik verwacht dat bij goede afspraken tussen werknemer en werkgever re-integratie spoedig kan plaats vinden. Het opbouwschema kon er als volgt uitzien : 3x4 uur per week en wekelijks met 2 uur per dag uitbreiden. (…)”. 2.12. Op 10 en 24 april 2015 heeft tussen partijen een gesprek over re-integratie plaatsgevonden. Omdat [appellant] niet bereid was mee te werken aan een opbouwschema, heeft Treinschoon [appellant] aangemaand per 4 mei 2015 met re-integreren te starten en hem erop gewezen dat, indien hij hieraan niet zou voldoen, het ziekengeld zou worden opgeschort. 2.13. Op 30 april 2015 heeft [appellant] de bedrijfsarts bezocht. Deze heeft hem belastbaar geacht voor aangepaste werkzaamheden per 4 mei 2015 met de volgende opbouw: in de eerste week 2x2 uur, in de tweede week 3x3 uur, in de vierde week 4x4 uur, in de vijfde week 5x5 uur en daarna per week 1 uur per dag uitbreiden. 2.14. Bij brief van l mei 2015 heeft Treinschoon [appellant] opgeroepen vanaf 6 mei 2015 volgens dit schema aangepaste arbeid te verrichten. 2.15. Omdat [appellant] hieraan geen gevolg heeft gegeven, heeft Treinschoon de loonbetaling vanaf 7 mei 2015 gestaakt. 2.16. Op 21 mei 2015 heeft de bedrijfsarts aan Treinschoon meegedeeld dat hij medische gegevens van [appellant] heeft ontvangen en dat dit geen gevolgen heeft voor zijn eerder gegeven advies. 2.17 Treinschoon had ondertussen een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Het UWV heeft op 11 juni 2015 geoordeeld dat de door Treinschoon met ingang van 6 mei 2015 aangeboden arbeid passend is. 2.18. Treinschoon heeft [appellant] bij brieven van respectievelijk 17 juni, 19 juni en 8 juli 2015 gesommeerd zijn werkzaamheden per respectievelijk 19 juni, 21 juni en 10 juli 2015 conform de in de brieven genoemde opbouwschema’s te hervatten. 2.19. [appellant] heeft daaraan geen gevolg gegeven. 2.20. Naar aanleiding van een verzoek van Treinschoon heeft het UWV bij besluit van 18 augustus 2015 geoordeeld dat de door [appellant] uitgevoerde re-integratie inspanningen onvoldoende waren. 2.21 In de door de coördinerend behandelaar [A] en de hoofdbehandelaar [B] van I-Psy (interculturele psychiatrie) op 5 november 2015 aan de behandelaar van [appellant] verzonden brief staat onder andere vermeld: “(…) Onderwerp: Afsluiten behandeling (…) van 14-11-2103 tot en met 06-11-2015 is uw patiënt bij onze zorginstelling in behandeling geweest. (…) Beschrijvende diagnose: het betreft een 32-jarige gescheiden man van Turkse afkomst. Patiënt heeft een dochter van 8 jaar en meldt zich aan met depressieve klachten n.a.v. de omgangsregeling over zijn kind. Daarnaast zijn er vele psychosociale problemen: woonproblemen, werkproblemen en financiële problemen, die de stemmingsklachten in stand houden. De klachten die patiënt momenteel ervaart zijn: somberheid, lusteloosheid, anhedonie, slaapproblemen, concentratieproblemen, verminderde eetlust, nergens zin in hebben, piekeren. (…) Samenvatting van de behandeling: Patiënt is inzicht gevend gesprekken aangeboden met behulp van genogram om het verband tussen de klachten en de problemen uit te leggen. Er is geen vooruitgang in de behandeling. Patiënt is moeilijk te motiveren. De psychosociale problemen nemen alsmaar toe en spelen een onderhoudende rol. Patiënt is geadviseerd om zich aan te melden bij maatschappelijk werk voor de as IV problematiek, maar patiënt ziet daar van af omdat hij eerder onvoldoende is geholpen door maatschappelijk werk. (…)”. 2.22 In het d.d. 27 januari 2016 door de huisarts van [appellant] opgestelde verslag staat onder andere vermeld: “19.11.2105 (…) Behandelaar I-Psy belt: behandeling beëindigd. Geen vooruitgang. Vooral sociale problemen waar weinig verandering in komt. Wel advies om medicatie te continueren”. 3Beoordeling 3.1 Treinschoon heeft bij het inleidende verzoek verzocht de arbeidsovereenkomst met [appellant] te ontbinden, op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e, dan wel onderdeel g, dan wel onderdeel h BW, zonder inachtneming van de opzegtermijn en te bepalen dat Treinschoon aan [appellant] geen transitievergoeding verschuldigd is. [appellant] heeft verzocht het ontbindingsverzoek af te wijzen. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 februari 2016, de proceskosten gecompenseerd en het verzoek voor recht te verklaren dat Treinschoon aan [appellant] geen transitievergoeding verschuldigd afgewezen. 3.2 [appellant] heeft in principaal appel zes grieven aangevoerd. Grief 1 is gericht tegen de door de kantonrechter genoemde feiten: deze zouden onvolledig zijn. De grieven 2 tot en met 6 hebben betrekking op de uitgesproken ontbinding, en het niet toekennen van een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een proceskostenveroordeling ten gunste van [appellant] . Treinschoon verzoek in incidenteel appel een verklaring voor recht dat geen transitievergoeding verschuldigd is en voert daartoe een grief aan. 3.3 [appellant] klaagt in grief 1 over de onvolledigheid van de door de kantonrechter vastgestelde feiten. In het bijzonder zou de kantonrechter relevante medische informatie over [appellant] niet hebben vermeld. Het hof heeft de betreffende medische gegevens hierboven vermeld. [appellant] heeft geen nader belang bij bespreking van deze grief. De overige grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij hebben betrekking op de volgende onderwerpen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.