13/702124-16 GERECHTSHOF AMSTERDAM, MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedag] 1990, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans verblijvende in het huis van bewaring Almere Binnen te Almere, tegen de beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 27 juni 2016, houdende bevel tot zijn gevangenhouding. De feiten en de rechtsgang Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank te Amsterdam van 30 juni 2016, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld van voormelde beschikking van die rechtbank. Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door diens raadsman mr. [naam 1]. De beoordeling Het hof verenigt zich met de beschikking waarvan beroep en de gronden waarop deze berust. Gelet op hetgeen is vastgelegd in het proces-verbaal met betrekking tot de verrichte observaties, bevat het dossier aanwijzingen dat [naam 2], [medeverdachte] en [verdachte] samenwerkten met de personen die in het perceel [adres] te Amsterdam aanwezig waren. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen cocaïne en het bij [naam 4] aangetroffen geldbedrag, bevat het dossier voldoende ernstige bezwaren voor drugshandel en daarmee samenhangend witwassen. Deze ernstige bezwaren worden versterkt doordat [verdachte] en [medeverdachte] over de reden van hun verblijf in Amsterdam tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Ondanks het door de raadsman bij de behandeling in raadkamer overgelegde uittreksel van de Stadt Bramsche (Duitsland), betreffende verdachtes inschrijving op het door hem genoemde adres in die stad, bestaat tegen de achtergrond van de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] dat de verdachte niet op dat adres verblijft, onzekerheid over de verblijfplaats van de verdachte in Duitsland. Gelet hierop is het hof van oordeel dat sprake is van vluchtgevaar in die zin dat de vrees gerechtvaardigd is dat de verdachte onvindbaar zal blijken te zijn voor justitie na vrijlating. Gelet op de aard en de omvang van de verdenking is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht. Met betrekking tot het door de verdachte mondeling gedane verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis geldt dat dit verzoek moet worden afgewezen. Het hof overweegt dat het vluchtgevaar onvoldoende kan worden ingeperkt door het stellen van schorsingsvoorwaarden. De aangeboden, niet nader gespecificeerde borgsom doet daar niet aan af. 13/702124-16 De beslissing Het hof: WIJST AF het beroep tegen de bestreden beschikking. WIJST AF het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beschikking is gegeven op 20 juli 2016 in raadkamer van dit hof door mr. M.J.G.B. Heutink, voorzitter, mrs. J.L. Bruinsma en J.H. Wesselink, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Borg als griffier. De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte. Amsterdam, 20 juli 2016, de advocaat-generaal 13/702124-16 [.........] [.........] [.........]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.