GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I, AOF zaaknummer : 200.162.226/01 zaak-/rolnummer rechtbank : C/13/526263 / HA ZA 12-1149 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 januari 2016 inzake 1COLIMA INTERANTIONAL LIMITED, gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden, 2. STICHTING FAIRFIELD COMPENSATION FOUNDATION, gevestigd te Amsterdam, appellanten, advocaat: mr. P.J. Soede, te Utrecht, tegen 1PRICEWATERHOUSECOOPERS N.V.,gevestigd te Amsterdam, 2. PRICEWATERHOUSECOOPERS ACCOUNTANTS N.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerden, advocaat: mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Appellanten worden hierna Colima en de Stichting genoemd en gezamenlijk Colima c.s. Geïntimeerden worden hierna PwC en PwC Accountants genoemd en gezamenlijk PwC c.s. Colima c.s. zijn bij dagvaarding van 2 december 2014 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2013, 12 maart 2014 en 3 september 2014, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Colima c.s. als eiseressen in de hoofdzaak en in het incident en PwC c.s. als gedaagden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met producties. Partijen hebben de zaak ter zitting van 19 oktober 2015 doen bepleiten, Colima c.s. door mr. L.J. Böhmer, advocaat te Utrecht, en PwC c.s. door mr. Lunsingh Scheurleer voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. Colima c.s. hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog hun vorderingen in het incident en in de hoofdzaak zal toewijzen, met veroordeling van PwC c.s. in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. Uit de memorie van grieven volgt dat het appel zich slechts richt tegen het bestreden eindvonnis van 3 september 2014 en niet tegen de (tussen)vonnissen van 23 oktober 2013 en 12 maart 2014, waarbij de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van de door Colima c.s. jegens PricewaterhouseCoopers LLP Chartered Accountants Canada, ingestelde vordering en een comparitie van partijen is gelast. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 3 september 2014 onder 2.1 tot en met 2.18 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met hun tweede grief in de hoofdzaak komen Colima c.s. op onderdelen op tegen de juistheid en volledigheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten. Het hof zal hierna met inachtneming van hetgeen partijen dienaangaande hebben gesteld de feiten vaststellen. Deze feiten zijn in zoverre in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 2.1. Eind 2008 kwam een wereldwijde grootschalige financiële fraude (in de vorm van een piramidespel, een zogenaamd ponzi scheme) van de New Yorkse effectenhandelaar [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en zijn effectenhuis [naam 1] (hierna: [naam 1] ) aan het licht. 2.2. [naam 1] trok geld aan rechtstreeks van cliënten en via beleggingsfondsen, zogenaamde feeder funds. Deze fondsen trokken geld aan van derden en lieten dat vervolgens (vrijwel) volledig beheren door [naam 1] . De vele miljarden aangetrokken Amerikaanse dollars werden door [naam 1] niet belegd maar gebruikt om aan uittredende beleggers een zogenaamde redemption uit te keren, dat wil zeggen hun inleg en de tot dan toe fictief daarmee verkregen opbrengsten. Op enig moment gingen de uitkeringen het aangetrokken geld te boven en bleek dat [naam 1] en [naam 1] daarover niet meer beschikten. De fondsen bleven leeg achter. 2.3. Fairfield Lambda Limited (hierna: Lambda), Fairfield Sigma Limited (hierna: Sigma) en Fairfield Sentry Limited (hierna: Sentry), hierna gezamenlijk: de Fondsen, alle in 1990 opgericht naar het recht van de Britse Maagdeneilanden en ook aldaar gevestigd, waren drie van de hiervoor onder 2.2 bedoelde fondsen. Lambda en Sigma hebben hun vermogen (vrijwel) volledig aangewend ten behoeve van een deelneming in Sentry, waarin ook anderen inlegden. Sentry liet haar vermogen (vrijwel) volledig beheren door [naam 1] . 2.4. Fairfield Greenwich (Bermuda) Limited was vanaf 2003 de investment manager (beheerder) van de Fondsen. 2.5. Een aantal tot de Citco-groep behorende vennootschappen verleende diensten aan de Fondsen. Citco Global Custody N.V. en Citco Bank Nederland B.V. (Dublin Branch) traden op als custodian (bewaarder) en depositary (bewaarbedrijf) en Citco Fund Services (Europe) B.V. als administrator (administrateur). 2.6. [naam 1] was de voornaamste broker/dealer van Sentry. Fairfield Greenwich (Bermuda) Limited heeft aan [naam 1] mandaat verleend om op te treden als sub-investment manager. Citco Global Custody N.V. heeft [naam 1] benoemd tot sub-custodian. 2.7. Fairfield Greenwich Group heeft PwC c.s. vanaf 1998 opdracht verleend de jaarrekeningen van de Fondsen te controleren in overeenstemming met de International Standards on Auditing (ISA). PwC c.s. heeft bij de jaarrekeningen over de boekjaren 2000, 2001, 2002, 2003, 2004 en 2005 goedkeurende verklaringen zonder beperkingen verstrekt. Op de balansen over deze boekjaren bestonden de activa per einde boekjaar steeds vrijwel uitsluitend uit US Treasury Bills. De goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen van Sentry over de boekjaren 2003, 2004 en 2005 zijn verstrekt door [naam 2] (hierna: [naam 2] ), partner bij PwC c.s. 2.8. [naam 1] is in staat van faillissement verklaard, althans bevindt zich in een situatie die vergelijkbaar is met een faillissement naar Nederlands recht. Ook de Fondsen bevinden zich in een situatie die vergelijkbaar is met een faillissement naar Nederlands recht. 2.9. Bij beslissing van 6 januari 2012 heeft de Accountantskamer een, door onder anderen Colima c.s., tegen [naam 2] – naar aanleiding van diens goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen over de boekjaren 2003, 2004 en 2005 – ingediende klacht ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld. 2.10. De Stichting stelt zich blijkens haar statuten ten doel het verhalen van schade die is geleden door beleggers op hun belegging in de Fondsen. Beleggers in de Fondsen (hierna: de Beleggers) kunnen een participatie-overeenkomst met de Stichting sluiten. Zij die dat hebben gedaan (hierna: de Deelnemers), hebben hun vordering op PwC c.s. ter incasso overgedragen aan de Stichting en hebben de Stichting opgedragen om in eigen naam (rechts)maatregelen tegen PwC c.s. te treffen. Colima is een van de Beleggers. 3Beoordeling 3.1. Colima c.s. hebben in eerste aanleg in het incident ex. artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) - kort gezegd - gevorderd om, uitvoerbaar bij voorraad: I. PwC te veroordelen een afschrift te verstrekken van de complete controledossiers, inclusief de interne stukken, met betrekking tot de jaarrekeningen van Sentry, Sigma en Lambda over de jaren 2000 en 2001, op straffe van verbeurte van een dwangsom; II. PwC Accountants te veroordelen afschrift te verstrekken van de complete controledossiers, inclusief de interne stukken, met betrekking tot de jaarrekeningen van Sentry, Sigma en Lambda over de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005, op straffe van verbeurte van een dwangsom; III. PwC c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. Colima c.s. hebben in eerste aanleg in de hoofdzaak - kort gezegd - gevorderd om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht te verklaren dat PwC c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Beleggers door hun taak als accountants onzorgvuldig uit te voeren; II. PwC c.s. hoofdelijk, althans ieder voor een (gelijk) deel, te veroordelen tot vergoeding van de door Colima geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van deelname in Sentry, althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening; III. PwC c.s. hoofdelijk, althans ieder voor een (gelijk) deel, te veroordelen tot betaling aan de Stichting ter incasso het bedrag van de door Beleggers en of Deelnemers geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van deelname in de Fondsen, althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening; IV. PwC c.s. hoofdelijk te veroordelen in de in de proceskosten, en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.3. Colima c.s. leggen, samengevat, aan hun vordering ten grondslag dat PwC c.s. jegens de Beleggers en de Deelnemers onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij hun taak als controlerend accountant van de Fondsen niet voldoende zorgvuldig hebben uitgevoerd. Colima c.s. verwijten PwC c.s. meer concreet dat zij in het licht van de voor PwC c.s. kenbare feiten en omstandigheden, in strijd met de destijds van toepassing zijnde voorschriften uit de ISA: - hebben verzuimd de controles uit te voeren vanuit een professioneel kritische houding, - onvoldoende inzicht hebben verkregen in de bedrijfsactiviteiten van de Fondsen, hun huishouding, administratieve organisatie en interne beheersing en het inherent risico en het intern beheersingsrisico niet correct hebben ingeschat, - bij de planning en de uitvoering van hun controlewerkzaamheden en rapportage onvoldoende rekening hebben gehouden met kenbare frauderisicofactoren ten aanzien van de Fondsen, hun omgeving en hun service-organisaties, - ten onrechte hebben nagelaten om naast gegevensgerichte controles ook (meer) systeemgerichte controles te verrichten, - de controle van de van materieel belang zijnde posten in de jaarrekeningen van de Fondsen (de activa op de balans en de financiële resultaten in de winst- en verliesrekening van de Fondsen) onzorgvuldig hebben verricht. PwC c.s. hebben als gevolg hiervan ten onrechte goedkeurende verklaringen verstrekt bij jaarrekeningen van de Fondsen die, als gevolg van de fraude, niet in overeenstemming waren met het werkelijke vermogen en resultaat van de Fondsen. Indien PwC c.s. hun taak naar behoren hadden uitgevoerd zouden geen, althans geen ongeclausuleerde, goedkeurende verklaringen zijn afgegeven, zouden de Beleggers niet in de Fondsen hebben geïnvesteerd en dus geen schade hebben geleden, aldus Colima c.s. In het incident vorderen Colima c.s. afschrift van en of inzage in de volledige controledossiers teneinde hun stellingen in de hoofdzaak nader te kunnen onderbouwen. PwC c.s. hebben zowel in de hoofdzaak als in het incident gemotiveerd verweer gevoerd. 3.4. De rechtbank heeft bij eindvonnis van 3 september 2014 alle vorderingen van Colima c.s., zowel in het incident als in de hoofdzaak afgewezen en Colima c.s. veroordeeld in de kosten van het geding in het incident en in de hoofdzaak. De rechtbank heeft daartoe - kort gezegd - overwogen dat Colima c.s. onvoldoende hebben toegelicht waarom de rechtbank, in afwijking van de accountantskamer tot het oordeel zou moeten komen dat PwC c.s. meer en aanvullende controlemaatregelen hadden moeten treffen. Aldus hebben zij onvoldoende argumenten verschaft om te kunnen voldoen aan de zware motiveringsplicht die geldt om te komen tot afwijking van het oordeel van de tuchtrechter; niet kan worden aangenomen dat PwC c.s. niet hebben gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant betaamt. In het incident heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat Colima c.s. onvoldoende hebben gesteld dat inzage in de volledige controledossiers wèl argumenten zou opleveren om af te wijken van het onherroepelijke oordeel van de accountantskamer, zodat zij geen rechtens te respecteren belang hebben bij hun vordering tot overlegging van de volledige controledossiers. Dat uit die dossiers mogelijk zou blijken dat PwC c.s. bij de controles meer of andere fouten hebben gemaakt, is zo vaag en speculatief dat dat evenmin een rechtens te respecteren belang bij afgifte van de dossiers oplevert. 3.5. Tegen deze beslissingen in het incident en in de hoofdzaak en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen Colima c.s. met hun grieven op. 3.6. Het hof ziet aanleiding eerst de grieven tegen het oordeel in het incident ex artikel 843a Rv te bespreken. Uitgangspunt is daarbij dat een vordering tot afgifte van of inzage in bescheiden slechts toewijsbaar is indien aan de drie in het eerste lid van artikel 843a Rv genoemde voorwaarden is voldaan. Dat wil zeggen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.