← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2016:3000

parketnummer: 23-001622-15 datum uitspraak: 26 juli 2016 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 april 2015 en het herstelvonnis van 10 april 2015 in de strafzaak onder de parketnummers 15-800616-14 en 15-074164-13 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (voormalig Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1978, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, inclusief het herstelvonnis d.d. 10 april 2015, en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met de bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer ten aan zien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich – aan de hand van een overgelegde en aan het dossier toegevoegde pleitnotitie – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verbalisanten hebben met toestemming van de officier van justitie de medeverdachten in de verhoren misleid teneinde een bekennende verklaring te verkrijgen. Hiermee is in strijd met de verklaringsvrijheid gehandeld en is sprake van schending van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman is van oordeel dat aldus sprake is van een fundamentele inbreuk waardoor het wettelijke systeem in de kern wordt geraakt. Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Zij heeft daartoe, aan de hand van een door haar overgelegd en aan het dossier toegevoegd schriftelijk requisitoir het navolgende aangevoerd. Indien er al sprake is van een onrechtmatigheid met betrekking tot de mededeling over een fictieve buit, dan kan de verdachte daar geen beroep op doen nu de mededeling niet aan de verdachte is gedaan. De Schutznorm strekt zich niet zover uit. Beoordeling door het hof Het hof stelt op grond van het dossier vast dat de mededeling over de fictieve buit niet aan de verdachte is gedaan, maar aan de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Voorts zien de OVC gesprekken op communicatie tussen voornoemde medeverdachten. De verdachte is gelet op de Schutznorm door deze misleiding derhalve niet in zijn belangen geschaad. Het verweer van de raadsman dienaangaande wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep, inclusief het herstelvonnis, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. J.D.L. Nuis en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. S.M. van Zanten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 juli 2016. mr. Schimmel is buiten staat dit arrest te ondertekenen. ========================================================================= [....]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.