← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2016:3149

parketnummer: 23-002002-15 (strafzaak) datum uitspraak: 29 juli 2016 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 april 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-713325-13 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1969, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof een kennelijke schrijffout in de kwalificatie verbeterd leest. Kennelijke schrijffout De politierechter heeft het onder 3 ten laste gelegde als volgt bewezen verklaard: hij in de periode van 1 juni 2013 tot en met 11 juli 2013 te Akersloot, gemeente Castricum, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, toebehorende aan Liander, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. In het dictum is opgenomen dat de politierechter bewezen verklaart dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Voorts heeft de politierechter artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing geacht. De kwalificatie van de onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten luidt: De eendaadse samenloop van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Gelet op voornoemde bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde en mede in aanmerking genomen dat het betreffende wetsartikel van toepassing is verklaard, is de kwalificatie van dat feit - naar het oordeel van het hof - kennelijk abusievelijk niet in het vonnis waarvan beroep vermeld. Het hof zal de kwalificatie daarom als volgt verbeterd lezen: Feiten 1 en 2: De eendaadse samenloop van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 3: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M.P. Geelhoed, mr. J.D.L. Nuis en mr. C.M.M. Oostdam, in tegenwoordigheid van mr. S.W.M. Stevens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 juli 2016. mrs. Geelhoed en Oostdam zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.