parketnummer: 23-005274-15 datum uitspraak: 28 juli 2016 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 17 december 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-232490-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedag] 1970, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juli 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: zij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2015 tot en met 26 oktober 2015 te Amsterdam, althans in Nederland als degene die het gezag uitoefende over de jongere [minderjarige 1], geboren op 29 juli 2010, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van de jongere [minderjarige 1], geboren op 29 juli 2010, had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school, stond ingeschreven. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De verdachte heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu het proces-verbaal dat door de leerplichtambtenaar is opgesteld, tot stand is gekomen via machtsmisbruik en zonder wettelijke grond. Voorts viel de reactie op het beroep op vrijstelling tot twee keer toe buiten elke redelijke termijn. Het hof overweegt als volgt. Het hof begrijpt dat de verdachte het oog heeft op de in artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv.) bedoelde vormverzuimen. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Van de hiervoor bedoelde inbreuk is op grond van de door de verdachte aangevoerde feiten en omstandigheden met betrekking tot de wijze van het opstellen van het proces-verbaal en de reacties op het beroep op vrijstelling, niet gebleken. Zelfs al zou er sprake zijn van onzorgvuldige reacties, dan noopt dit niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het verweer wordt verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 26 oktober 2015 te Amsterdam, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [minderjarige 1], geboren op 29 juli 2010, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school, stond ingeschreven. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Nadere bewijsoverweging De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort gezegd – aangevoerd dat zij zich op de in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 omschreven vrijstelling beroept en dat het haar ten laste gelegde feit derhalve niet bewezen kan worden, zodat zij dient te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De bepalingen van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw 1969) hielden ten tijde van het ten laste gelegde en voor zover voor de beoordeling van de onderhavige zaak van belang, het volgende in: Artikel 2 1.Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. (…)” Artikel 5 De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, zolang a (…) b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben; (…)” Artikel 6 1.De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen kunnen zich slechts beroepen op vrijstelling, indien zij aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, hebben kennis gegeven, voor welke jongere en op welke grond zij daarop aanspraak menen te mogen maken. 2.Deze kennisgeving moet worden ingediend: a.. ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt, indien zij betrekking heeft op de aanvang van de leerplicht, en b.. zolang nadien aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, elk jaar opnieuw voor 1 juli. (…)” Artikel 8 1.Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b kan slechts worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan. 2.Deze verklaring is niet geldig, indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit. Uit de bewoordingen van artikel 5 Lpw 1969 volgt dat de vrijstelling van de inschrijvingsverplichting van rechtswege bestaat, zonder daartoe strekkende beslissing van Burgemeester en Wethouders, indien voldaan is aan de daaraan gestelde voorwaarden. Bij brief van 9 maart 2015 heeft de verdachte kennisgeving gedaan van een beroep op vrijstelling op grond van de Boeddhistische levensovertuiging. Artikel 6 Lpw 1969 brengt mee dat – behoudens in het zich hier niet voordoende, in het tweede lid onder a bedoelde, geval – slechts dan met vrucht een beroep kan worden gedaan op vrijstelling als bedoeld in art. 5 onder b van die wet, indien de in art. 6, tweede lid onder b, bedoelde kennisgeving is gedaan vóór 1 juli voorafgaand aan het schooljaar waarop de kennisgeving betrekking heeft, aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven. De verdachte heeft tijdig kennis gegeven van haar aanspraak op vrijstelling van de inschrijvingsplicht. Daarmee komt de verdachte in beginsel van rechtswege een beroep toe op deze vrijstelling. Op 9 maart 2015 heeft de verdachte een brief afgegeven voor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, waarin zij kennis geeft op grond van artikel 5 sub b., van de Leerplichtwet aanspraak te maken op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van [minderjarige 1] als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling. Na schriftelijk contact met medewerkers van de gemeente Amsterdam, waarin op 2 september 2015 door het Bureau Leerplicht Plus aan de verdachte werd gevraagd om de kennisgeving aan te vullen met een omschrijving van haar overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van haar woning gelegen scholen, heeft de verdachte bij brief van 14 september 2015 haar standpunt toegelicht aan de hand van de toepasselijke wetsartikelen met de conclusie dat zij niet verplicht is haar bedenkingen nader toe te lichten nu daar voor de leerplichtambtenaar geen bevoegdheid toe bestaat. In de jurisprudentie wordt onder ‘richting’ verstaan: een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. De richtingbezwaren van de verdachte houden – kort gezegd – het volgende in. De verdachte en haar man hangen de Boeddhistische levensovertuiging aan. Zij hebben via het Internet alle scholen in hun omgeving onderzocht op hun stichtingsgrondslag en hebben geconstateerd dat daarbij geen scholen zijn die hun levensovertuiging als richting voeren. Ook is het volgens de verdachte in het reguliere onderwijs niet mogelijk je terug te trekken om te mediteren, terwijl dat voor een Boeddhist op elk moment van de dag mogelijk moet zijn. Voorts heerst er op alle scholen een prestatiedrang hetgeen onverenigbaar is met de Boeddhistische filosofie, aldus de verdachte. Gelet op de rechtspraak inzake de vrijstelling die in de onderhavige zaak aan de orde is, geldt voor de toetsing van het beroep daarop het volgende kader: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.