beslissing ________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM zaaknummer: 200.199.726/01 zaaknummer rechtbank Noord-Holland: C/15/241190/ HA RK 16-55 beslissing van de wrakingskamer van 18 oktober 2016 inzake het op 26 september 2016 ingediende beroepschrift van 1BRETON LIMITED, gevestigd te Guernsey (Verenigd Koninkrijk), 2. [appellant sub 2], appellanten, advocaat: mr. M. Raaijmakers te Hoofddorp. 1Het geding Appellanten worden hierna Breton en [appellant sub 2] genoemd en gezamenlijk als Breton c.s. aangeduid. Breton c.s. komen in hoger beroep van twee beslissingen van de wrakingskamer van de rechtbank Noord-Holland van 24 en 30 augustus 2016. Breton c.s. hebben in hun beroepschrift geconcludeerd dat de (hoofd)zaak met zaaknummer C/15/241190/HA RK 16-55 ter verdere behandeling zal worden verwezen naar de rechtbank Amsterdam dan wel verder zal worden behandeld door de rechtbank Noord-Holland, niet bestaande uit mrs. P.E. van der Veen, S.M. Jongkind-Jonker en A.C. Haverkate. Uitspraak is bepaald op heden. 2Beoordeling 2.1. Blijkens artikel 39 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat geen voorziening open, en derhalve ook geen hoger beroep, tegen een beslissing op een verzoek tot wraking. 2.2. Breton c.s. hebben onder meer betoogd dat dit wettelijk appelverbod kan worden doorbroken, omdat de wrakingskamer van de rechtbank Noord-Holland essentiële vormen heeft verzuimd, zodat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het wrakingsverzoek in de zin van artikel 6 EVRM niet kan worden gesproken. 2.3. Het (herhaalde) verzoek tot wraking is gedaan in een civiele verzoekschriftprocedure. Dit brengt mee dat het (herhaalde) wrakingsverzoek moet worden aangemerkt als een incidenteel verzoek in die hoofdzaak en dat de beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.