parketnummer: 23-002620-16 datum uitspraak: 20 oktober 2016 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 juni 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 15‑760063‑15 en 15-760071-14 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] c.a. op [geboortedag] 1999, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: primair:hij op of omstreeks 5 september 2015 te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede Ca, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer] een of meermalen met kracht met een honkbalknuppel, althans een hard/stevig voorwerp op/tegen het (achter)hoofd heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair:hij op of omstreeks 5 september 2015 te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede Ca, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schedelbasisfractuur met hersenbloedingen en/of een open hoofdwond) heeft toegebracht, door deze opzettelijk een of meermalen met kracht met een honkbalknuppel, althans een hard/stevig voorwerp, op/tegen zijn (achter)hoofd te slaan; meer subsidiair:hij op of omstreeks 05 september 2015 te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede Ca, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] een of meermalen met kracht met een honkbalknuppel, in elk geval een hard en/of stevig voorwerp op/tegen het (achter)hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Vrijspraak Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad – ook niet in voorwaardelijke vorm – op de dood van het slachtoffer. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in casu de dood – is aanwezig indien de verdachte niet alleen wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar die kans ook ten tijde van zijn gedraging welbewust heeft aanvaard. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, naast de verklaringen van de verdachte en/of van bijvoorbeeld getuigen, afhangen van de objectief vast te stellen feiten en omstandigheden van het geval. En juist met betrekking daartoe zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van groot belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat het slaan met een honkbalknuppel op het achterhoofd naar de uiterlijke verschijningsvorm een geschikt middel kan zijn om iemand van het leven te beroven. Op basis van de verklaring van de verdachte en verklaringen van getuigen is het hof echter van oordeel dat de volgende contra-indicaties in aanmerking moeten worden genomen. De verdachte heeft eenmaal geslagen, met als kennelijk doel het stoppen van de vechtpartij waarin zijn broer was beland. Tot dat moment hield de verdachte zich afzijdig van de gewelddadige confrontatie(s) tussen verschillende jongeren; aan andersluidende verklaringen hecht het hof, mede gelet op hetgeen de verdediging daarover heeft aangevoerd, geen geloof. De verdachte kwam subiet in actie op het moment dat zijn broer naar zijn idee werd aangevallen. De verdachte heeft geen uitlatingen gedaan die enige intentie op de dood van het slachtoffer of het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans daarop zouden kunnen ondersteunen en ook overigens wees het gedrag van de verdachte daar niet op. Alles overwegende is het hof van oordeel dat gezien de (contra-indicerende) omstandigheden waaronder de verdachte het slachtoffer heeft geslagen niet is gebleken dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer welbewust heeft aanvaard, zodat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd en hij hiervan moet worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 5 september 2015 te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede c.a., aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, een schedelbasisfractuur met hersenbloedingen en een open hoofdwond, heeft toegebracht, door deze [slachtoffer] opzettelijk eenmaal met kracht met een honkbalknuppel op zijn achterhoofd te slaan. Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is, mede gelet op hetgeen door en namens de verdachte in zoverre is toegelicht, geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het (subsidiair) bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. De bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde levert op: zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, waarvan 104 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, onder bijzondere voorwaarden en tot een taakstraf bestaande uit een leerstraf TACT Regulier voor de duur van 35 uren, subsidiair 17 dagen jeugddetentie. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, met een toevoeging aan de bijzondere voorwaarden dat deelname aan behandeling zal plaatsvinden bij Pluryn “of een soortgelijke instelling”. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich tijdens een vechtpartij tussen twee groepen schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer met kracht met een honkbalknuppel op zijn achterhoofd te slaan. Ten gevolge van deze klap heeft het slachtoffer een schedelbasisfractuur met hersenbloedingen en een open hoofdwond opgelopen. Gelet op de aard van de mishandeling en de ernst van het letsel mag van geluk worden gesproken dat het slachtoffer het incident heeft overleefd. Het slachtoffer heeft veel pijn moeten doorstaan en enige tijd in het ziekenhuis moeten doorbrengen. Ook heeft hij door langer aanhoudende psychische en lichamelijke klachten lange tijd beperkingen ondervonden in zijn functioneren. Of hij ooit helemaal zal herstellen is onzeker. Het hof heeft bij het bepalen van de straf voorts acht geslagen op de volgende de persoon van de verdachte betreffende informatie: rapporten van de Raad voor de kinderbescherming van 7 september 2015 en 29 april 2016; rapporten van De Jeugd- & Gezinsbeschermers van 6 oktober 2015, 9 november 2015, 14 december 2015 en 6 september 2016; hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht, onder meer door vertegenwoordigers van de Raad voor de kinderbescherming en De Jeugd- & Gezinsbeschermers. Gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde is het hof van oordeel dat in beginsel bij dergelijke feiten een vrijheidsbenemende straf van langere duur dan het door de verdachte ondergane voorarrest passend is. In aanmerking genomen de specifieke situatie van de verdachte en de pedagogische doelen die de hem begeleidende instanties hebben gesteld, zal het hof echter geen jeugddetentie opleggen van langere duur dan het voorarrest. Ter bevordering van de persoonlijke ontwikkeling van de verdachte zal het hof hem naast de jeugddetentie een leerstraf TACT Regulier opleggen. Bovendien acht het hof, alles afwegende en de ernst van het bewezenverklaarde in aanmerking genomen, het opleggen van de maximale werkstraf, in voorwaardelijke zin en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, passend en geboden. Gelet op de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte werkt het bij hem, zo is gemotiveerd gerapporteerd en toegelicht, in pedagogisch zorgelijke zin averechts indien de nakoming van de bijzondere voorwaarden wordt gevergd over de band van een voorwaardelijke jeugddetentie. Het belang dat de verdachte niet nog eens zoiets ernstigs begaat dient hier te prevaleren. Dit is overigens in lijn met de op de zitting gebleken bijzondere, reële wens van het slachtoffer. Omdat uit de rapportages blijkt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte – indien hem niet bovengenoemd voorwaardelijk kader wordt opgelegd – wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal het hof bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Beslag Het subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Het zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan, gelet op de omstandigheden waaronder de honkbalknuppel is aangetroffen, in strijd is met de wet, nu het valt onder categorie IV onder 7 van artikel 2 Wet wapens en munitie (WWM), en het algemeen belang. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 22.980,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.