GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) Uitspraak: 9 februari 2016 Zaaknummer: 200.170.086/ 01 Zaaknummer eerste aanleg: C/15/218361 / FA RK 14-3634 in de zaak in hoger beroep van: [de vrouw] , wonende te [a] , appellante, advocaat: mr. J.H. van der Tol te Amsterdam, tegen [de man] , wonende te [b] , geïntimeerde, advocaat: mr. A. Scholtens-Vogelaar te Wormerveer. 1Het geding in hoger beroep 1.
(2011)van € 71.663,- dat hij blijkens de aangifte IB van 2011 in dat jaar heeft genoten, was samengesteld. Hierbij merkt het hof op dat dit inkomen vrijwel overeenkomt met zijn inkomen in 2010 zoals genoemd in de door de man overgelegde inkomensverklaring 2010 van de belastingdienst (€ 70.222,-), het jaar waarin hij nog volledig in loondienst was bij [bedrijf] . Blijkens een door de man in eerste aanleg overgelegde aanslag IB 2012 heeft de man in dat jaar een belastbaar inkomen uit werk en woning genoten van € 59.156,-. Desgevraagd heeft de man ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij in 2012 en 2013 nog bij [metaalbedrijf] heeft gewerkt, en dat in die periode zijn WW‑uitkering is aangepast. De aard van de werkzaamheden, de duur, de reden van beëindiging van die werkzaamheden en het bijbehorende salaris zijn door de man niet inzichtelijk gemaakt. De man heeft een jaaropgave van het UWV over 2013 in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij in dat jaar een fiscaal loon van € 22.534,- heeft ontvangen vanwege zijn WW-uitkering en een jaaropgave 2013 van [beveiligingsbedrijf] waaruit blijkt dat hij in dat jaar een fiscaal loon heeft ontvangen van € 1.341,-. Deze bedragen zijn niet te rijmen met zijn voorlopige aanslag IB 2013, waarbij zijn inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking zijn bepaald op € 26.909,- bruto en zijn inkomsten uit vroegere dienstbetrekking op € 47.527,- bruto. De herkomst van laatstgenoemd bedrag heeft de man niet inzichtelijk gemaakt. De man heeft een jaaropgave 2014 van [beveiligingsbedrijf] overgelegd waaruit blijkt dat hij in dat jaar een fiscaal loon heeft ontvangen van € 4.429,- bruto en een jaaropgave 2014 van [veiligheidsregio] met een fiscaal loon van € 2.337,- bruto. De man heeft de hoogte van zijn WW‑uitkering in dit jaar niet aan de hand van stukken gestaafd. Blijkens een door de man overgelegde voorlopige aanslag IB over 2014 is zijn inkomen uit werk en woning in dat jaar op € 47.703,- bruto bepaald. Niet is gebleken dat de man tegen deze aanslag bezwaar heeft gemaakt of dat deze nadien is gewijzigd. Nu hij de aangifte IB 2014 niet heeft overgelegd, heeft de man onvoldoende inzicht gegeven in de samenstelling van voormeld inkomen uit werk en woning. Uit de door de man overgelegde voorlopige aanslag IB 2015 blijkt dat zijn inkomen uit werk en woning in dat jaar wederom op € 47.703,- is bepaald. Niet is gebleken dat de man tegen deze beschikking bezwaar heeft gemaakt dan wel dat deze nadien is gewijzigd. De man heeft verder ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij geen VOG meer zou krijgen, maar heeft dit niet - bijvoorbeeld door middel van een afwijzing van een aanvraag - onderbouwd. Blijkens salarisspecificaties over de maand december 2014 heeft hij in ieder geval ruim een jaar na zijn strafrechtelijke veroordeling nog in dienst van [beveiligingsbedrijf] en [veiligheidsregio] gewerkt. Al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband bezien, brengt het hof tot de conclusie dat de man onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn inkomsten, ook over de jaren 2014 en
- Het hof constateert dat er sprake is geweest van een achteruitgang in inkomen aan de zijde van de man, en in zoverre zijn de omstandigheden gewijzigd. De man heeft echter zijn stelling, dat het hem sinds 1 september 2014 aan draagkracht ontbreekt om aan de vastgestelde onderhoudsbijdragen nog langer te voldoen, niet zodanig onderbouwd dat het hof tot enige vaststelling van een bijdrage kan komen. Het hof dient er dan ook van uit te gaan dat de man nog steeds voldoende draagkracht heeft, in die zin dat het verzoek van de vrouw in hoger beroep, om de bijdrage voor [kind 1] en [kind 2] vast te stellen op een bedrag van € 300,- per kind per maand met ingang van 1 september 2014, dient te worden toegewezen. Voor de goede orde merkt het hof daarbij op dat, nu [kind 1] niet in hoger beroep heeft willen opkomen, de bestreden beschikking in zoverre in stand blijft dat de bijdrage ten behoeve van [kind 1] met ingang van diens meerderjarigheid, [datum] 2015, € 25,- per maand bedraagt. 4.
- Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen behoeven de overige grieven van de vrouw geen bespreking meer. Nu het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen heeft zij bij haar verzoeken sub II en III geen belang meer. Deze zullen worden afgewezen. 4.
- Partijen hebben over en weer verzocht de ander in de kosten van de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep te veroordelen. Het hof ziet geen aanleiding een van partijen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep van de ander te veroordelen. Het hof zal de verzoeken ten aanzien van de kostenveroordeling in eerste aanleg afwijzen en de kosten van de procedure in hoger beroep compenseren op na te melden wijze. 4.
- Dit leidt tot de volgende beslissing. 5Beslissing Het hof: verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar verzoek voor zover dit de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [kind 1] na [datum] 2015 betreft; vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij met wijziging van de beschikking van 21 november 2006 en het daaraan aangehechte echtscheidingsconvenant de door de man te betalen bijdrage in de kosten van [kind 2] en de bijdrage in de kosten van [kind 1] tot [datum] 2015 is bepaald op € 25,- per maand, en opnieuw rechtdoende: wijst het inleidend verzoek van de man tot wijziging van de bijdrage ten behoeve van [kind 2] en de bijdrage voor [kind 1] tot [datum] 2015 alsnog af; bepaalt, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 21 november 2006 in zoverre, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] met ingang van 1 september 2014 op € 300,- per kind per maand, waarbij de bijdrage ten behoeve van [kind 1] in de kosten van levensonderhoud en studie vanaf [datum] 2015 op grond van de in zoverre in stand gebleven beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 18 maart 2015 € 25,00 per maand bedraagt; bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten van de procedure in hoger beroep draagt; wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. R.G. Kemmers en mr. J. Louwinger-Rijk in tegenwoordigheid van mr. T. Mekkelholt als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2016.