Gerechtshof Amsterdam – ECLI:NL:GHAMS:2016:4433
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer : 200.184.137/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/578497 / HA ZA 14-1222 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 november 2016 inzake AANNEMINGSBEDRIJF [X] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] , appellante, advocaat: mr. L.Ph.J. van Utenhove te Den Haag, tegen GEMEENTE ARNHEM, zetelend te Arnhem, geïntimeerde, advocaat: mr. W. Boonstra te Arnhem.
1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [X] en de Gemeente genoemd. [X] is bij dagvaarding van 4 januari 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2015, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen haar als eiseres en de Gemeente als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
Partijen hebben de zaak ter zitting van 21 september 2016 doen bepleiten, [X] door mr. M.S. Houweling, advocaat te Den Haag, en de Gemeente door haar voornoemde advocaat, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd. [X] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen, behalve de sub 1 gevorderde verklaring voor recht die zij bij pleidooi in hoger beroep heeft ingetrokken, alsnog zal toewijzen, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding met nakosten en rente.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.
3Beoordeling Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1 Op 15 oktober 2010 hebben de Gemeente en [X] een overeenkomst gesloten met betrekking tot de vervanging van de riolering in een wijk in Arnhem conform RAW-bestek met nummer [nummer] , project [project] , voor een bedrag van € 2.488.000,- exclusief BTW (hierna: de aannemingsovereenkomst).
3.2 Onderdeel van het werk vormde onder meer het leveren en aanbrengen van rioolputten en rioleringsbuizen. In het bestek is onder 01.14.03.03 voor zover van belang het volgende opgenomen:
Het hoofdrioleringssysteem moet worden samengesteld uit buizen en hulpstukken die inert zijn voor aantasting door in afvalwater voorkomende zuren.’ (…) ‘De polymeerbuizen, type EuroCrete, zijn van de fabrikant Euroceramic of dienen daaraan gelijkwaardig te zijn’ (…) ‘De grondstofkwaliteit van de EuroCrete buis is in DIN 54815/DIN EN 14636 vastgelegd.’ 3.3 [X] heeft de Gemeente na de totstandkoming van de aannemings-overeenkomst voorgesteld andere rioleringsbuizen aan te brengen dan in het bestek was voorgeschreven. [X] stelde voor glasvezelversterkte kunststof (GVK) buizen aan te brengen. De Gemeente heeft hiermee niet ingestemd, waarna [X] het werk onder voorbehoud van haar rechten heeft uitgevoerd met toepassing van de in het bestek voorgeschreven EuroCrete buizen.
3.4 Na het afronden van het werk is tussen partijen een geschil gerezen over de gelijkwaardigheid van de door [X] aangeboden alternatieve rioleringsbuizen aan de in het bestek voorgeschreven buizen. In dat verband maakte [X] aanspraak op de meerkosten voor de toepassing van de EuroCrete buizen ten opzichte van de kosten die zij zou hebben gehad als haar was toegestaan GVK buizen toe te passen.
3.5 [X] heeft vervolgens een procedure aanhangig gemaakt bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw (hierna: RvA), die haar bij het scheidsrechterlijk vonnis van 23 juli 2013 in het gelijk heeft gesteld door - kort samengevat - te oordelen dat de door [X] aangeboden GVK buis voldoet aan de in het bestek gestelde eisen en gelijkwaardig is aan het merk EuroCrete.
3.6 De Gemeente heeft hoger beroep ingesteld bij de RvA. Van het scheidsgerecht in hoger beroep maakte onder andere als arbiter deel uit mr. F.H.A.M. Thunnissen (hierna: mr. Thunnissen), geboren [in] 1943. Bij vonnis van 10 september 2014 hebben de appelarbiters het vonnis in eerste aanleg vernietigd. Dit arbitraal vonnis in hoger beroep (hierna: het arbitraal vonnis) luidt, voor zover hier relevant: ‘14. Alvorens appelarbiters overgaan tot de behandeling van de grieven, oordelen zij het raadzaam om in te gaan op het bestek en wat aanneemster daarin al dan niet had kunnen en moeten lezen.
Daarmee is de genoemde DIN norm een bestekseis, zoals ook in eerste aanleg is overwogen.
Overigens wordt niet naar de gehele DIN norm verwezen maar slechts voor wat betreft de grondstofkwaliteit.
Anforderungen und die Prüfung von Rohren aus gefüllten Polyesterharzformstoffen sind in DIN 54814-2 fesgesteld.
2Normative Verweisungen Diese Norm enthält durch datierte oder undatierte Verweisungen Festlegungen aus anderen Publikationen. Diese normativen Verweisungen sind an den jeweiligen Stellen im Tekst zitiert, und die Publikationen sind nachstehend aufgeführt. Bei datierten Verweisungen gehören spätere Änderungen oder Überarbeitungen nur zu dieser Norm, falls sie durch Änderung oder Überarbeitung eingearbeit sind. Bei undatierten Verweisungen gilt die letzte Ausgabe der in Bezug genommenen publikation.
DIN 4226 - 1: 1983 - 04 Zuschlag für beton -Teil 1: Zuschlag mit dichtem Gefüge, Begriffe, Bezeichnungen und Anforderungen [...].’ en op bladzijde 9: ‘ 5.1 Werkstoff Der gefüllte Polyesterharzformstoff (PRC) besteht aus Reaktionsharz auf Basis von ungesättigten Polyesterharzen mit Eigenschaften nach Tabelle 3 von DIN 16946-2: 1989- 03, mindestens TYP 1130, und Füllstoffen aus Züschlägennach DIN 4226-1: 1983-04’.
Deze bestaan volledig uit kunststof, versterkt met glasvezels.
Grief 1 richt zich tegen de feiten zoals die in eerste aanleg zijn vastgesteld (...).
Door opdrachtgeefster wordt aangegeven dat de polymeerbuis, type EuroCrete van Euroceramic, bestaat uit zand en grind dat is ‘verpakt’ in het bindmiddel polyesterhars en dat de GVK buis bestaat uit glasvezels, eveneens in polysterhars ‘verpakt’. Een polymeerbetonbuis verschilt wezenlijk van de voorgestelde GVK buis. De polymeerbetonbuis is dikwandig en heeft een homogene opbouw die bestaat uit zand en grind terwijl de GVK buis een dunnere wand heeft en een laagsgewijze opbouw van heterogene samenstelling kent. Tot zover opdrachtgeefster.
Deze benoeming is vervolgens op 2 januari 2014 aan mr. Thunnissen doorgegeven. De brief van die datum treft u eveneens in kopie aan.’ 3.8 In artikel 13 lid 5 van de statuten van de RvA van 27 juli 2011 (hierna: de statuten) is onder meer bepaald: ‘Het lidmaatschap van het College van Arbiters eindigt door: (...)
3.11 [X] voert de navolgende vernietigingsgronden aan:
3.12 Het hof constateert dat [X] terecht niet is opgekomen tegen de overweging van de rechtbank dat de wetgever de mogelijkheid van aantasting van arbitrale vonnissen beperkt heeft willen houden, omdat een procedure op de voet van artikel 1065 lid 1 Rv. niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep. Met inachtneming van deze maatstaf zal het hof de grieven beoordelen.
3.13 Grief 1 richt zich tegen de verwerping door de rechtbank van de stelling van [X] dat het scheidsgerecht is samengesteld in strijd met de daarvoor geldende regels. Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank dienaangaande en maakt deze tot de zijne. Daaraan kan nog het volgende worden toegevoegd. [X] betwist dat uit de brief van het secretariaat van de RvA van 7 augustus 2015 valt af te leiden dat mr. Thunnissen op 17 of 19 december 2013 door de voorzitter van de RvA tot appelarbiter is benoemd, maar zij heeft daartoe onvoldoende gesteld. Het hof kan [X] dan ook niet volgen in de stelling dat uit deze brief hoogstens zou kunnen worden opgemaakt dat de benoeming wordt voorafgegaan door een ‘selectie’ of een ‘verzoek tot benoeming’. Er is evenmin reden om aan te nemen dat, zoals [X] betoogt, de benoeming pas een feit was nadat mr.Thunnissen deze had aanvaard. Dat de laatste toentertijd wegens het bereiken van de 70-jarige leeftijd niet meer benoembaar was mist dus betekenis. Artikel 1029 Rv. waarin is bepaald dat een arbiter zijn opdracht schriftelijk aanvaardt behelst niet meer dan een bewijsvoorschrift. Grief 1 faalt.
3.14 In grief 2 voert [X] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het arbitraal vonnis met redenen is omkleed. Arbiters zouden hebben miskend welke (besteks)eisen golden voor de door [X] bij wijze van alternatief aangeboden GVK buizen en evenzeer hebben miskend dat de alternatieve buizen gelijkwaardig waren aan de in het bestek genoemde EuroCrete buizen. Op deze punten hebben arbiters het arbitraal vonnis ‘apert ondeugdelijk’ gemotiveerd en daarom had de rechtbank dit behoren te vernietigen, aldus [X] .
3.15 Bij de bespreking van deze grief stelt het hof voorop dat volgens vaste jurisprudentie ter zake van artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv. een arbitraal vonnis slechts kan worden vernietigd op de grond dat het niet met redenen is omkleed, wanneer de motivering ontbreekt óf als in de gegeven motivering enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt.
3.16 De rechtbank heeft met verwijzing naar een specifieke rechtsoverweging in het arbitraal vonnis gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat het met redenen is omkleed. In het licht daarvan had het op de weg van [X] gelegen duidelijk te maken waarom het bestreden vonnis in dit opzicht onjuist is. In plaats daarvan heeft zij uiteengezet wat er volgens haar aan het arbitraal vonnis schort. Reeds daarom mist de grief doel. Overigens zou een verdergaande toetsing van het arbitraal vonnis het bestek van een procedure als de onderhavige te buiten gaan. Deze zou dan immers ontaarden in het door de wetgever zoals gezegd niet gewenste verkapte hoger beroep. Ook op deze grond kan grief 2 niet slagen.
3.17 Volgens grief 3 heeft de rechtbank miskend dat het arbitraal vonnis in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor tot stand is gekomen en dus strijdig is met de openbare orde. Door hun oordeel (volledig) te baseren op (de uitleg van) de in DIN 54815 neergelegde norm terwijl partijen geen deugdelijk inhoudelijk debat hebben gevoerd over de aard en inhoud van deze norm en de discussie over de gelijkwaardigheid van de respectieve buizen evenmin is gevoerd. Arbiters, aldus [X] , hebben zich buiten de rechtsstrijd begeven. [X] heeft echter gesteld noch onderbouwd waarom de rechtbank in het bestreden vonnis onder 4.14 ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het debat over de grondstoffen waaruit de buizen bestonden is gevoerd. Overigens is in navolging van de rechtbank ook het hof uit de gewisselde memories in de arbitrageprocedure gebleken dat tussen partijen het hiervoor bedoelde debat is gevoerd. Voor zover [X] deze grief opnieuw baseert op de volgens haar onregelmatige samenstelling van het scheidsgerecht verwijst het hof naar de bespreking van de eerste grief. Het voorgaande leidt ertoe dat ook grief 3 tevergeefs is voorgedragen.
3.18 Het falen van de voorgaande grieven brengt mee dat grief 4 die zelfstandige betekenis mist, en dat grief 5 die zich ertegen richt dat [X] in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, het lot daarvan moeten delen.
3.19 De grieven missen doel. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [X] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
4Beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt [X] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Gemeente begroot op € 711,- aan verschotten en € 2.682,-,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekenings-exploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan; verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Kleene-Eijk, S.F. Schütz en M.L.D. Akkaya en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 november 2016.