beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling strafrecht rekestnummer: 000854-16 parketnummer: 23-002111-13 Beschikking van de meervoudige kamer op het op 3 mei 2016 ter griffie van dit hof ingekomen klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [klager] geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedag] 1978, domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat, mr. M.C. van Megen, Professor Tulpstraat 16, 1018 HA te Amsterdam. Inhoud van het klaagschrift Het klaagschrift strekt tot het geven van een last tot teruggave aan klaagster van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag ter hoogte van € 45.000,
- Procesgang In het onderzoek Iridium zijn op 16 april 2012 onder de verdachte [medeverdachte] onder andere geldbedragen van € 50.000,00 en € 45.000,00 in beslag genomen, toebehorend aan klaagster (door haar verdiend in de prostitutie). Bij vonnis van 18 april 2013 is door de rechtbank Amsterdam teruggave van deze geldbedragen aan klaagster gelast. In hoger beroep heeft het hof bij arrest van 31 maart 2016 bepaald dat, hoewel is komen vast te staan dat het geld door klaagster is verdiend, het bedrag van € 50.000,00 verbeurd wordt verklaard en de teruggave aan klaagster gelast van het geldbedrag van € 45.000,
- Tegen dit arrest is door [medeverdachte] cassatie ingesteld. Het hof heeft kennis genomen van de relevante stukken in de strafzaak onder bovengenoemd parketnummer en heeft de advocaat-generaal en klaagster, de advocaat van klaagster en [medeverdachte] , beslagene, bijgestaan door zijn advocaat mr. M.S. Gerson, op 14 oktober 2016 ter gelegenheid van de openbare behandeling van het klaagschrift in raadkamer gehoord. De beslagene heeft verklaard dat het geldbedrag van klaagster is. Door en namens klaagster is in raadkamer gepersisteerd bij de inhoud van het klaagschrift. Zij heeft daarbij vermeld dat het klaagschrift aldus moet worden gelezen dat daarin teruggave van het totale bedrag wordt gevraagd, te weten € 45.000,- + € 50.000,00 = € 95.000,
- Klaagster heeft dat bedrag zelf verdiend met prostitutiewerkzaamheden en uit veiligheidsoverwegingen heeft zij het geld in de woning van [medeverdachte] ondergebracht. Dat het bedrag van € 50.000,00 door het hof bij arrest van 31 maart 2016 is verbeurd verklaard moet een vergissing zijn, want het feit dat klaagster rechthebbende is, heeft nooit ter discussie gestaan. Het is derhalve niet hoogst onwaarschijnlijk dat de Hoge Raad gaat beslissen dat het geld terug moet naar klaagster, aldus klaagster. De advocaat-generaal heeft in raadkamer geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beklag voor zover het betreft het geldbedrag van € 45.000,
- Met betrekking tot het geldbedrag van € 50.000,00 heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat het klaagschrift daar geen betrekking op heeft en ten aanzien van dit bedrag derhalve geen beslissing genomen hoeft te worden. Beoordeling Het klaagschrift is tijdig namens klaagster ingediend. Voor zover namens klaagster is gesteld dat het klaagschrift ook ziet op het verbeurd verklaarde geldbedrag van € 50.000,00, deelt het hof deze mening niet nu het klaagschrift is getiteld: ‘bezwaarschrift ex art. 552a Sv’. Voorts valt ook niet uit de inhoud van het klaagschrift af te leiden dat dit zich mede tegen de verbeurdverklaring van het bedrag van € 50.000,00 richt. Het staat klaagster echter te allen tijde vrij alsnog een klaagschrift ex artikel 552b Sv ten aanzien van dat geldbedrag in te dienen. Het hof stelt vast dat op het bedrag van € 45.000,00 onder [medeverdachte] beslag is gelegd op grond van het bepaalde in artikel 94a Sv. Klaagster stelt eigenaar van dit bedrag te zijn en verzoekt te gelasten het bedrag aan haar af te geven. De in deze te hanteren beoordelingsmaatstaf is derhalve of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat klaagster als eigenaar van het geldbedrag dient te worden aangemerkt. Uit de stukken in het onder bovengenoemd parketnummer aangelegde dossier en het verhandelde in raadkamer blijkt het volgende. Klaagster heeft (grote) contante geldbedragen verdiend met prostitutiewerkzaamheden en zij heeft verklaard dat zij eigenaar van het bewuste geldbedrag is, dat zij uit veiligheidsoverwegingen in de woning van beslagene bewaarde. Ook de beslagene heeft dit verklaard. Op grond van bovengenoemde omstandigheden en bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, staat buiten redelijke twijfel dat het in beslag genomen geldbedrag aan klaagster toebehoort. Het hof zal derhalve het beklag gegrond verklaren en de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag aan klaagster gelasten. Beslissing Het hof: Verklaart het beklag gegrond, heft het beslag op en gelast de teruggave aan klaagster van het in beslag genomen geldbedrag ter hoogte van € 45.000,
- Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan klager. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.L. Bruinsma, N.A. Schimmel en H.W.J. de Groot in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 11 november 2016.